De bestuursleden van de William Schrikker Groep?”

Purmerend:

Hier kunt u de bestuursleden van de William Schrikker Groep opsporen. Deze zijn verkregen door een WOB-verzoek in te dienen. De moeite die hiervoor moest worden genomen om de informatie in handen te krijgen, doet uw wenkbrauwen fronsen. Waarom deed de William Schrikker Groep zo moeilijk om de informatie af te geven?”

Wat komt er nog meer uit de hoed van de William Schrikker Groep?
Als eerste gaan we de nevenfuncties van bestuursleden in kaart brengen.

Dhr drs. H.J. Simons  Voorzitter Raad van Toezicht.

Hans Simons (bron: CleanTotaal)

Is dit alles ?
http://www.dbconderhoud.nl/__news/1492/Hans-Simons-nieuwe-voorzitter-RvT-DBC-Onderhoud. Later komen we hier weer op terug hoe de verhouding en de belangenverstrengeling aan de orde komt. Zijn bestuursleden verantwoordelijk voor het beleid waar zij deel aan nemen in het bestuur?” Mevr. drs.J.A. van Wijngaarde.

trainers

foto
Huidige Functie
Jacqueline van Wijngaarden is partner bij Boer & Croon Corporate Finance. Ze is verantwoordelijk voor de corporate recovery praktijk. Daarnaast vervult zij diverse bestuurs- en adviesfuncties bij ondernemingen en not-for-profit instellingen waaronder Wellant College, MCA Gemini Groep en de William Schrikker Groep.
Eerdere functies / andere werkgevers
ABN AMRO: Directeur Regionale Krediet Unit Amsterdam, Hoofd Bijzondere Kredieten Begeleiding, Plaatsvervangend Regiodirecteur Grootbedrijf. Aantal jaren werkzaam op vakgebied: 25 jaar.
Studie / opleidingen
Bedrijfseconomie (Vrije Universiteit Amsterdam). Diverse nationale en internationale trainingen en opleidingen op het gebied van management, financiering, riskmanagement en consultancy.
Contact

Laten we even een leuk filmpje ten toon spreidde , des te meer begrijpen ouders dat zij genaaid worden waar ze bij staan. Maar Mvr Janny Nab kan ons in een later stadium alles daarover vertellen hoe de subsidiepot wordt verdeeld.

http://www.youtube.com/watch?v=50bUkB2n5Tk

Mvr  drs. H.Griffioen

Door grondig onderzoek te plegen wisten we opeens wie mvr. Griffioen is. De William Schrikker Groep afdeling directie wilde ons niet te woord staan, wat de werkelijke naam is van mvr. Griffioen?”
Waarom doet de William Schrikker Groep zeer geheimzinnig om namen bekend te maken van bestuursleden, dat zal later duidelijk worden. Want ouders die hierdoor systematisch hun zaken verliezen bij kinderrechters.
Het tijdperk van afdekken in de top van de macht heeft zijn langste tijd gehad, de burgers pikken het niet meer dat ze genaaid (opgelicht) worden waar ze bijstaan. Het heeft meer dan veertien jaar gekost van mijn leven om achter deze informatie te komen.
Wat was nou de reden om in plaats van mee te werken tegen te werken. We zullen zien hoe de William Schrikker Groep meer informatie zal prijsgeven na 17 keer toe te hebben gegeven fouten te hebben gemaakt.

Mvr Janny Nab werkt altijd op maandag en vrijdag dan is zij beschikbaar. Meestal is een ambassadrice meer dagen beschikbaar om moeilijke vragen goed te begeleiden, dus van directeur naar ambassadrice ga je nog maar twee dagen werken. Ga je dan ook in inkomen achteruit ?” Het volgen WOB-verzoek zal daar meer duidelijkheid in geven. Volgens de directie is mvr. Janny Nab is onze woordvoeder, dat willen wij ook graag zo houden. Vrijdag was zij helaas niet beschikbaar om vragen te beantwoorden, dus we moeten nog even wachten tot maandag.

Via een omweg kwamen we er achter wie mvr. Griffioen is. Maandag mag mevrouw Janny Nab ons vertellen of onze research compleet is geweest.

 http://www.zorgvisie.nl/Nieuws/Heleen-Griffioen-nieuwe-bestuursvoorzitter-SOVAK.htm

Heleen Griffioen nieuwe bestuursvoorzitter

 SOVAK

15 maart 2010      Heleen Griffioen

Heleen Griffioen is per 1 maart 2010 benoemd tot voorzitter van de raad van bestuur van gehandicaptenorganisatie SOVAK.

Zij gaat samen met de huidige bestuurder, Anton Wiertz, leidinggeven aan deze middelgrote gehandicaptenzorgorganisatie, die met tachtig kleinschalige locaties actief is in het westen van Noord-Brabant.

Heleen Griffioen was hiervoor werkzaam als directeur Personeel en Organisatie van het Universitair Medisch Centrum Utrecht. (Zorgvisie – Mark van Dorresteijn

Mvr. Heleen Griffioen is toe getreden tot de Raad van Bestuur  Stichting  SOVAK.

Wie zijn de volgende bestuursleden van Sovak?

De heer drs. A. Roobol, voorzitter Raad van Toezicht

Mvr. H. van Ham-Boeren, secretaresse Raad van Bestuur
Mvr. Heleen Griffioen, voorzitter van de raad van bestuur

Dhr. A.F.G.H. Funke, Raad van Bestuur
Dhr.C.J. van Gelderen, Raad van Bestuur
Mvr. A.H.J. Cloïn-kuijpers, Raad van Bestuur
Dhr. ds. A.M. Los, Raad van Bestuur
Dhr. I.A.M. Nolet, Raad van Bestuur
Mvr. Mr.L.verheijen, Raad van bestuur.
Wij danken onze informatiebronnen voor hun geweldige inzet.

Dhr Mr. drs. K.D. Meersma?

De William Schrikker Groep kwam met de volgende informatie. Wij vragen ons wel af hoe dicht bestuursleden en de rechtelijke macht bij elkaar zitten.
Mag een advocaat van een client ook zitting hebben in de zelfde  bestuur ?

Steeds meer gaat u inzien hoe de William Schrikker Groep zich gaat voorzien van belangenverstrengelde bestuursleden , die banden hebben met de overheid en de rechtelijke macht. De kranten staan er bol van wat dit tot gevolgen kan hebben als je elkaars vriendjes bent.
Mvr Janny Nab denkt dat het niet zo vaart zal lopen, wij denken daar anders over als je zeventien keer toegeeft dat je fouten hebt gemaakt. Maar omdat de William Schrikker Groep onder Justitie valt,  zal je als burger nooit winnen. Op video later hier meer over.

We zullen u de lijst van de ronde tafelgesprekken in beeld brengen, dan weet u ook meteen wie vriendjes zijn. Immers: ons kent ons, zullen we maar zeggen. Wie betaalt dit trouwens?”.

http://www.nji.nl/nji/dossierDownloads/Jeugdzorg_Bijlage4_Lijst_deelnemers_gesprekken_werkgroep_2010.pdf

BIJLAGE 4
LIJST VAN DEELNEMERS STARTGESPREKKEN,
RONDETAFELGESPREKKEN EN OVERIGE BIJEENKOMSTEN
Lijst van deelnemers startgesprekken op maandag 14 december 2009 (in beslotenheid)
Groep I: Wetenschappers/deskundigen
– dhr. M. de Winter, hoogleraar Jeugdbeleid, Universiteit van Utrecht en lid Raad voor
de Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO)
– dhr. A. van Montfoort, lector Jeugdzorg en jeugdbeleid, hogeschool Leiden
– dhr. T. van Yperen, kenniscentrum Nederlands Jeugdinstituut en bijzonder
hoogleraar Onderzoek en ontwikkeling effectieve jeugdzorg, Universiteit van
Utrecht
– dhr. M. Noordegraaf, hoogleraar Publiek management, Universiteit van Utrecht
– dhr. P. Cuyvers, pedagoog gespecialiseerd in beleid
– dhr. H. Baartman, bijzonder hoogleraar Preventie en hulpverlening inzake
kindermishandeling
– dhr. J. Rietveld, voorzitter Raad van Bestuur Accare, instelling voor kinder- en
jeugdpsychiatrie voor het Noorden
Groep II: Onderzoekers/onderzoeksinstituten
– mw. S. Stuiveling, president van de Algemene Rekenkamer
– dhr. A. Brenninkmeijer, Nationale Ombudsman
– dhr. R. Paas, voormalig voorzitter van de VNG commissie Zorg om Jeugd, rapport
“Van Klein naar Groot”
– dhr. K. Diephuis, onafhankelijk adviseur van Partners in jeugdbeleid en auteur van
het handboek “Versnelling in de jeugd-GGZ” (doorbraakmethode)
Groep III: Bestuurders Jeugdzorg
Provincies/gemeenten
– dhr. E. xxxxx , voorzitter raad van bestuur Bureau Jeugdzorg Amsterdam
– dhr. J. Sprokkereef, directeur Bureau Jeugdzorg Friesland, voorzitter van de koepel
van Bureaus Jeugdzorg. Tevens namens de MO-groep
– dhr. S. Dekker, wethouder Onderwijs, Jeugd en Sport in Den Haag
– dhr. J. Bos, gedeputeerde Jeugdzorg Flevoland en voorzitter van IPO-commissie
Jeugdzorg
– mw. B. van Haaften-Harkema, gedeputeerde Jeugdzorg in Noord-Brabant
Jeugdzorgaanbieders
– dhr. E.M. d’Hondt, voorzitter GGD Nederland
– mw. E. Kalsbeek, voorzitter raad van bestuur Altra, Jeugdhulpverlening Amsterdam
– mw M. Verhoef, voorzitter raad van bestuur Spirit, jeugdhulpverlening Amsterdam.
– dhr. P. Kouwenberg, voorzitter raad van bestuur Willem Schrikker Groep
– dhr. A. van Rijen, directeur Humanitas DMH, Dienstverlening aan Mensen met een
Handicap
2
Lijst van deelnemers rondetafelgesprekken maandag 8 februari 20101
Blok I (in beslotenheid): Jongeren / ex-cliënten / ouders
Blok IIA: Vertegenwoordigers jongeren / (ex-cliënten) / ouders
– mw. K. Logtenberg, jeugdrechtadvocaat Advocatenkollektief Rotterdam.
– dhr. J. Zandijk en dhr. P. Roodenburg, stichting Landelijk Cliëntenforum Jeugdzorg
(LCFJ)
– mw. I. Glissenaar, directeur Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ).
– mw. M. de Vries, directeur Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP)
Blok IIB: Vertegenwoordigers jongeren / (ex-cliënten) / ouders
– mw. M. Greveling, belangenbehartiger van cliënten in de jeugdzorg
– mw. K. Bouchtaoui, bestuurslid van het Landelijk Platform Aanpak
Jeugdcriminaliteit
Blok III: Professionals jeugdzorg
– dhr. T. Moolenaar, gezinsvoogd en voorzitter van de Belangenvereniging
Medewerkers Bureaus Jeugdzorg (BMJ)
– mw. E. Zwaan, gezinsvoogd en OR-lid bij Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam.
– dhr. J. Puts, jeugdhulpverlener bij jeugdzorgaanbieder
– dhr. B. Veerbeek, crisisinterventieteam van Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam.
– mw. W. van der Zand, traint jeugdhulpverleners
Blok IV: Professionals Jeugd-GGZ/LVG
– dhr. L. Gennissen, projectmanager Compact Jeugdteam Lievegoed Zorggroep
Bilthoven/Zeist
– mw. A. Storm, kinder- en jeugdpsychiater Accare Drenthe/Overijssel
– mw. W. Boumans, vangnet Haarlem, een gemeentelijk samenwerkingsverband
tussen GGD, RIAGG, BJZ, MEE en verslavingszorg
– mw. D. van Oosten, gezinsvoogd William Schrikker Groep/Jeugdbescherming
– mw. N. Douw, teamleider ambulante gezinsbegeleiding Lijn 5 Noord-Holland
– dhr. R. Beeloo, deskundige en zorgcoördinator Esloo Praktijkonderwijs in de wijk
Laak in Den Haag.
– mw. A. van ’t Sant, coördinator beleidszaken bij MEE Nederland
1 Kamerstuk 32 296, nr. 2: Verslag rondetafelgesprekken d.d. 8 februari 2010
3
Lijst van deelnemers rondetafelgesprekken maandag 15 februari 20102
Blok V: Jeugdbescherming en -reclassering
– mw. N. Quik-Schuijt, voormalig kinderrechter
– dhr. A. Zuijdwijk, jeugdreclasseerder Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam.
– mw. J. Calkoen, voorzitter van de Vereniging voor Kinderrechters
– dhr. A. Cardol, regiomanager Utrecht-Arnhem Reclassering Nederland
– mw. M. van Kleef, algemeen directeur Raad voor de Kinderbescherming
Blok VI: Wijk/buurt, school
– mw. J. Zondervan, projectleider regionale coördinatie jeugd politie
Amsterdam/Amstelland
– dhr. M. Hoefeijzers, voorzitter ROC Da Vinci College Zuid Holland Zuid
– mw. E. Tuijthof, leerplichtambtenaar Gemeente Amsterdam
– dhr. R. van Pagée, bestuurder Eigen Kracht Centrale Zwolle
Blok VII: Centra voor Jeugd en Gezin (CJG)
– dhr. B. Rensen, jeugdarts GG&GD.
– mw. L. Arntzenius, Vereniging van Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland (AJN)
– dhr. L. de Vries, directeur GGD Nederland
– mw. A. van Woudenberg, (voormalig) projectleider ouder- en kindcentra Amsterdam
en Onafhankelijk adviseur CJG
– dhr. R. Caubo, voorzitter partneroverleg Jong Centraal (CJG Amersfoort)
Blok VIII: Wetenschap en deskundigheid jeugdbeleid
– dhr. C. Schuengel, afdelingshoofd orthopedagogiek, Vrije Universiteit Amsterdam
– dhr. S. Meuwese, deskundige kinderrechten/jeugdbeleid en voormalig directeur
Defence for Children International Nederland
– dhr. P. Nota, hoofd Onderwijs en Jeugdzorg bij het Kenniscentrum Nederlands
Jeugdinstituut
– dhr. P. van der Laan, hoogleraar Reclassering ,Vrije Universiteit en bijzonder
hoogleraar Sociaal pedagogische hulpverlening, Universiteit van Amsterdam
2 Kamerstuk 32 296, nr. 3: Verslag rondetafelgesprekken d.d. 15 februari 2010
4
Lijst van deelnemers rondetafelgesprekken maandag 8 maart 20103
Blok IX: Bestuurders Bureaus Jeugdzorg
– dhr. R. Meuwissen, directeur Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam
– dhr. M. Dirkse, directeur Bureau Jeugdzorg Overijssel
– dhr. E. xxxxx , voorzitter raad van bestuur Bureau Jeugdzorg Amsterdam
– dhr. J. Sprokkereef, directeur Bureau Jeugdzorg Friesland, voorzitter van de koepel
van Bureaus Jeugdzorg
– mw. R. van Breugel, Bureau Jeugdzorg Brabant
Blok X: Bestuurders jeugdzorgaanbieders
– dhr. G. Besten, directeur programma Gezinshuis in jeugddorp De Glind
– dhr. F. Venus, directeur jeugdzorgaanbieder Jeugdformaat in Haaglanden
– dhr. H. Geerdink, voorzitter Raad van bestuur Hoenderloo Groep
– dhr. W. Cnossen, directeur van Elker Jeugd- en opvoedhulp
– dhr. B. Nitrauw, directeur van Stichting Gereformeerd Jeugdwelzijn (SGJ)
– mw. M. Verhoef, voorzitter Raad van bestuur Spirit, jeugdhulpverlening Amsterdam
– mw. M. Barth, voorzitter GGZ Nederland
Blok XI: Politieke bestuurders
– mw. R. de Wit, wethouder jeugdbeleid in Heerlen
– mw. M. Haak-Griffioen, gedeputeerde Jeugdzorg in Utrecht
– dhr. S. Dekker, wethouder Onderwijs, Jeugd en Sport in Den Haag
– mw. B. van Haaften-Harkema, gedeputeerde Jeugdzorg in Noord-Brabant
– dhr. J. Bos, gedeputeerde Zorg in Flevoland en voorzitter van IPO-commissie
Jeugdzorg
– dhr. B. Eigeman, wethouder Jeugdzorg in Den Bosch
Blok XII : Voormalig bewindspersoon Jeugdbeleid/-zorg
– mw. C. Ross-van Dorp, voormalig staatssecretaris VWS (2002-2003, 2003-2006,
2006-2007)
Lijst van deelnemers rondetafelgesprekken maandag 15 maart 20104
Blok XIII: Onafhankelijke deskundigen en onderzoeksorganen
– dhr. J. Hermanns, hoogleraar Opvoedkunde, Universiteit van Amsterdam, afdeling
pedagogiek en opvoedkunde
– mw. J. de Vries, Hoofdinspecteur Inspectie Jeugdzorg
– dhr. F. van der Reijt, voormalig kinderrechter
Lijst van deelnemers klankbordbijeenkomst maandag 19 april 2010 (in beslotenheid)
– dhr. S. van Eijck, voormalig commissaris jeugd- en jongerenbeleid, Operatie Jong
– dhr. A. Brenninkmeijer, Nationale Ombudsman
– dhr. R. Paas, voormalig voorzitter van de VNG commissie Zorg om Jeugd, rapport
“Van Klein naar Groot”
– dhr. P Winsemius, à titre personnel, medeauteur van WRR rapport “Vertrouwen in
de school”
3 Kamerstuk 32 296, nr. 4: Verslag rondetafelgesprekken d.d. 8 maart 2010
4 Kamerstuk 32 296, nr. 6: Verslag rondetafelgesprekken d.d. 15 maart 2010
5
Overige bijeenkomsten:
– woensdag 3 februari 2010: openbare technische briefing door het advies- en
managementbureau BMC over het evaluatieonderzoek Wet op de Jeugdzorg5
– woensdag 21 april 2010: besloten technische briefing door het programmaministerie
voor Jeugd en Gezin over de kabinetsreactie op het evaluatieonderzoek Wet op de
Jeugdzorg
5 Kamerstuk 32 296, nr. 5: Verslag technische briefing door het advies- en managementbureau BMC
over het evaluatieonderzoek Wet op de Jeugdzorg d.d. 3 februari 2010

Dhr Mr. drs. K.D. Meersma?

De William Schrikker Groep verklaart het volgende!.
Dhr. Mr. drs K.D. Meersma Lid van de Raad van Toezicht is werkzaam voor advocatenkantoor Boekel de Neree te Amsterdam .wat is de reden dat een advocaat die nota bene kinderen moet bijstaan ook plaats neemt in het bestuur van de William Schrikker Groep. Hoe staan ouders nu tegen advocaten aan te kijken, terwijl als we de statistieken er op nakijken de ouders en kinderen altijd aan het kortste eind trekken. Spreken wij hier nog wel van een eerlijke rechtsgang?

http://www.ggznederland.nl/beleid-in-de-ggz/beleidsthemas/financiering-ggz/financiering-ggz/vws-besluit-tot-het-handhaven-van-een-vermogensklem-in-een-aangepaste-vorm.html

28-04-2008 VWS besluit tot het handhaven van een vermogensklem in een aangepaste vorm

De minister van VWS heeft op 24 april 2008 een beslissing genomen op het bezwaar tegen de zogenaamde vermogensklem. Veel zorginstellingen hadden bezwaar aangetekend tegen de bestemming door de minister van het vermogen van de zorginstellingen.

Nieuwe beleidsregels

De minister trekt de beleidsregels van 9 juli 2007 in. In plaats daarvan stelt hij nieuwe beleidsregels vast over het behoud van waarde van onroerende zaken voor de zorg.

In de beslissing op het bezwaarschrift verbindt hij deze wederom als voorschrift aan de toelating van de instellingen. De aangepaste beleidsregels ex artikel 4 en 13 van de Wet Toelating Zorginstellingen (“de Beleidsregels”, zie ook Staatscourant 23 april 2008, nr. 79) kunt u vinden op GGZ Kennisnet.

Uitgangspunt vasthouden

Naar aanleiding van het advies van de Bezwaarcommissie moest de minister de beleidsregels wel aanpassen. De minister heeft er echter voor gekozen het uitgangspunt vast te houden. Het gaat hier om de waarborg dat de waarde van onroerende zaken die in een beschermde, risicoarme omgeving is opgebouwd, behouden wordt voor de zorg. Een aantal evidente strijdigheden met Europees recht zijn uit de beleidsregels gehaald. Ook de rol van het College Sanering wijzigt.

Complex

Al met al is het een tamelijk complexe regeling geworden, waarover GGZ Nederland en de andere brancheorganisaties eerst nog zullen overleggen met mr K.D. Meersma, voordat de instellingen die bezwaar hebben gemaakt verder worden geïnformeerd. Tegen het besluit van de minister staat beroep open bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn daarvoor loopt op 4 juni aanstaande af.

Je moet toch als burger begrijpen die de kleuterklas heeft doorlopen, dat dit een vreemde bijsmaak geeft in het juridische jargon, later krijgt u hier nog meer informatie over.

Contactpersoon
Henk Meppelink

Henk Meppelink
Telefoon: (033) 460 89 80
E-mail »

Senior beleidsadviseur Financiering en Arbeidszaken

Nu wordt het echt spannend kloppen deze bewering ?

Klaas Meersma nieuwe partner AKD
Advocaten- en notariskantoor AKD heeft mr. drs. K.D. (Klaas) Meersma per 16 september 2010 benoemd tot partner. Hij is afkomstig van Houthoff Buruma en komt de vakgroep Overheid & Onderneming in Amsterdam versterken.

Klaas Meersma houdt zich met name bezig met het adviseren van zorgaanbieders over financiering, samenwerking en vastgoed. Daarnaast staat hij veel zorgaanbieders bij in procedures tegen de overheid, met name over tarieven. Klaas Meersma publiceert sinds 2005 met grote regelmaat over zorggerelateerde kwesties in ondermeer het Nederlands Juristenblad, Zorg & Financiering en – als vaste columnist – in Zorgvisie.

“Zorg is een van de speerpunten van AKD. Met het oog op de toenemende vraag vanuit de markt zijn wij bezig ons team uit te breiden en we zijn dan ook erg blij met de komst van een specialist als Klaas Meersma.”, stelt Bert Heikens, bestuursvoorzitter van AKD.

Over AKD
AKD behoort met 230 advocaten en notarissen tot de grootste juridische dienstverleners van Nederland. Het kantoor helpt haar cliënten – vanuit een fullservice concept – op bijna alle rechtsgebieden met hoogwaardige dienstverlening en een persoonlijke benadering. AKD heeft vestigingen in Amsterdam, Breda, Eindhoven, Rotterdam en Brussel. Meer informatie kunt u vinden op http://www.akd.nl.foto van specialist

——————————————————————————————–

NOOT VOOR DE REDACTIE

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met:

AKD
Han Weegink
Directeur Marketing & Communicatie
Telefoon: 088 – 253 5384
E-mail: hweegink@akd.nl

AKD feliciteert Francia Simon uit de Dominicaanse Republiek met het winnen van de internationale kindervredesprijs 2010.

Weet u inmiddels hoeveel kinderen worden misbruikt in de Cariben? en Zuid-Amerika?”
Dan moet u even vragen aan mvr. Janny Nab die 17 keer toegeeft dat er fouten zijn gemaakt met Reinier. Maar schuld bekennen, ho maar. Wij zullen u stap voor stap laten zien met beeld en geluid, dat er ernstige mistoestanden zijn gepleegd tegen het gezin.


Dan dreigt de William Schrikker Groep dat als wij te veel naar buiten brengen zij maatregelen zullen nemen. Dat is natuurlijk niet zo verwonderlijke met zulke bestuursleden. Wij denken er over om een rekening open te stellen, zodat wij voor de kinderen een eerlijke processen kunnen voeren.

Dhr. A.A.R.G. Poppelaars

Mijn vraag blijft overeind: dit bestuurslid wel dat hij medeverantwoordelijk is voor het opsluiten van kinderen in een isoleercel?

http://www.gogcz.nl/gogcz/index.php?option=com_content&view=article&id=54&Itemid=60

 Ad Poppelaars

Naam: A. A. R. G. (Ad) Poppelaars
Functie: Directeur
Mail: apoppelaars@cg-raad.nl
Organisatie CG-Raad
Achtergrond Ad Poppelaars is sinds juli 2006 directeur van de CG-Raad. Hij is van oorsprong psycholoog en werkte eerder in de culturele sector, de politiek en in de jeugdzorg. Poppelaars was zakelijk directeur bij United in Music en het Robodockfestival. Daarna was hij interim zakelijk directeur bij Politiek en Cultureel Centrum De Balie, directeur Fractiebureau van de VVD-Tweede Kamerfractie en directeur van het Advies- en Klachtenbureau voor de Jeugdzorg Amsterdam.

“Ja natuurlijk, meneer is van het Advies-en Klachtenbureau voor de Jeugdzorg Amsterdam. Hoe zat dat ook alweer met het indicatiebesluit van Reinier waar geen bezwaar meer tegen openstond., de slager keurt zijn eigen vlees.

Dan als laaste de heer  Mr.C.L.M.Meuwese Lid Raad van Toezicht ?

http://jure.nl/af4218

Afscheid van Stan Meuwese, directeur van
Defence for Children International – ECPAT
28 juni 2007: de dag van het afscheid van Stan
Meuwese als directeur van Defence for Children
International. Naar aanleiding hiervan organiseert
Defence for Children International – ECPAT een
studiemiddag met als thema ‘Kinderrechten en
kinderrechtenorganisaties’. Sprekers uit binnen- en
buitenland schenken aandacht aan de rol die nongouvernementele
organisaties (NGO’s) spelen in de
bescherming en promotie van de rechten van
kinderen.
Stan Meuwese ontving tijdens de studiemiddag
mooie en dankbare woorden van sprekers als Jo de
Linde (president ECPAT van 1999 tot en met 2005)
en Jaap Doek (lid en voorzitter van het Comité
inzake de Rechten van het Kind van 1999 tot en
met 2007). De dag werd bekroond met een
koninklijke onderscheiding die werd uitgereikt door
de burgemeester van Amstelveen: Stan is nu
Officier in de Orde van Oranje-Nassau. Deze
onderscheiding ontving hij voor zijn jarenlange inzet
voor kinderrechten op zowel nationaal als
internationaal niveau.

http://jure.nl/af4218

LJN AF4218, Raad van State, 200205812/1
Datum uitspraak: 29-01-2003
Datum publicatie: 10-02-2003
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Soort procedure: Hoger beroep
Zaaknummers: 200205812/1
Vindplaats:
JV ; 2003, 105 ; mr. H. Battjes

Uitspraak

Raad van State
200205812/1.
Datum uitspraak: 29 januari 2003
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten 1,2,3 en 4]
appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te ‘s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 25 oktober 2002 in het geding tussen:

appellanten

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 18 september 2002 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 25 oktober 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de voorzieningenrechter), voorzover hier van belang, de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 1 november 2002, hoger beroepingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 november 2002 heeft de minister een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 januari 2003, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. G.E.M. Later, advocaat te
Den Haag, en mr. C.L.M. Meuwese, directeur van Defence for Children International Nederland, en de minister, vertegenwoordigd door
mr. E. Bervoets, ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel3, vierde lid, van de Overeenkomst betreffende de vaststelling van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij een van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen wordt ingediend (Dublin, 15 juni 1990, hierna: de OvD), voor zover thans van belang, heeft elke Lid-Staat het recht om een door een vreemdeling bij hem ingediend asielverzoek te behandelen, ook al is hij op grond van de in deze overeenkomst vastgestelde criteria daartoe niet verplicht, op voorwaarde dat de asielzoeker daarmee instemt.
Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan de aanvraag zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten ofomstandigheden worden vermeld.

2.2. Indien een aanvraag, als bedoeld in voormeld artikel 4:6 van de Awb , wordt ingediend, ertoe strekkende dat de minister terugkomt van een in rechte onaantastbaar geworden besluit, berust bij de minister de bevoegdheid, als bedoeld in het tweede lid van dat artikel, bij de aanwending waarvan artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 mede wordt betrokken. Komt de minister tot het oordeel dat er geen termen zijn het verzoek in te willigen, dan verzet het bepaalde in artikel 8:1 van de Awb , gelezen in verband met artikel 6:7 van die wet, zich ertegen dat door het instellen van beroep tegen dat besluit wordt bereikt dat de rechter de zaak beoordeelt, als ware het beroep gericht tegen het eerdere besluit.
De door appellanten ingestelde beroepen konden dan ook slechts leiden tot de beoordeling of zich na de eerdere, in rechte onaantastbaar geworden besluiten van 10 januari 2000, waarbij door of namens appellanten ingediende aanvragen om toelating als vluchteling niet-ontvankelijk zijn verklaard, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden hebben voorgedaan, die tot heroverweging noopten.

2.3. In de grieven 1, 2 en 4, in onderlinge samenhang bezien, en de daarop ter zitting gegeven nadere toelichting, hebben appellanten zich, voorzover hier van belang, op het standpunt gesteld dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de minister terecht met toepassing van artikel 4:6 van de Awb hun aanvragen heeft afgewezen, aangezien volgens hen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van dat artikel. Zij hebben daartoe betoogd dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat appellanten in 2000 alleen zijn achtergebleven nadat hun moeder tezamen met twee broers en een zus is overgedragen aan Duitsland en hun vader met onbekende bestemming is vertrokken, een ontwikkeling die appellanten als zeer ingrijpend hebben ervaren. Voorts heeft de voorzieningenrechter ten onrechte overwogen dat de minister terecht de gevolgen van de keuze om zich te onttrekken aan overdracht aan Duitsland voor hun rekening en risico heeft geacht, nu deze keuze niet door hen zelf maar door hun ouders is gemaakt, aldus appellanten.

2.4. De grieven slagen in zoverre. De overdracht van de moeder en twee broers en een zus van appellanten aan Duitsland en het met onbekende bestemming vertrekken van hun vader zijn nieuwe, want na de eerdere afwijzende beschikkingen opgekomen, omstandigheden. Het moet er voor worden gehouden dat tijdens de eerste asielprocedure tot begin 2000 het gezin Ekinci als eenheid optrad en is bejegend en dat de beslissingen over de te volgen gedragslijn binnen het gezin door de ouders werden genomen. Nadat de moeder met drie van de kinderen op 23 mei 2000 aan Duitsland is overgedragen en, naar door de minister niet bestreden is, zeer kort daarna naar Turkije is uitgezet – haar verblijfplaats is appellanten, naar zij stellen, onbekend – en de vader appellanten op 21 juni 2000 heeft achtergelaten door met onbekende bestemming te vertrekken, was die eenheid verbroken en waren appellanten – te dien tijde op de oudste na minderjarig – aan zichzelf overgelaten. Met deze situatie, die het gevolg was van beslissingen waarvoor de ouders van appellanten verantwoordelijk waren, zullen appellanten zich in Duitsland opnieuw geconfronteerd zien, nu overdracht aan Duitsland niet zal leiden tot hereniging van het gezin.
De Afdeling is van oordeel dat de ontwikkelingen sedert mei 2000 ten opzichte van de situatie ten tijde van de eerste asielprocedureals veranderde omstandigheden moeten worden aangemerkt, waarvan het belang voor de toepassing van artikel 3, vierde lid, van de OvD niet op voorhand kan worden ontkend. Dit betekent dat de minister ten onrechte onder verwijzing naar de afwijzende beschikkingen van 10 januari 2000 betreffende het gezin, bestaande uit vader, moeder en acht kinderen, de aanvragen van appellanten heeft afgewezen. De voorzieningenrechter heeft dit miskend.

2.5. Gelet op het vorenstaande behoeft hetgeen overigens tegen de aangevallen uitspraak is aangevoerd geen bespreking.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen alsnog gegrond verklaren. De bestreden besluiten komen wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb voor vernietiging in aanmerking nu deze niet zijn voorzien van een deugdelijke motivering omtrent de toepasselijkheid van artikel 4:6 van de Awb . De minister dient nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.7. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te ‘s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle van 25 oktober 2002 in zaak nr. AWB 02/73718, 02/73735, 02/73731 en 02/73723;
III. verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond;
IV. vernietigt de besluiten van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 18 september 2002, kenmerk 9904.03.2001, 9904.03.2002, 0209.15.8002 en 0209.15.8003;
V. draagt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie op met inachtneming van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen;
VI. veroordeelt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in de door appellanten in verband met de behandeling van de beroepen en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot eenbedrag van € 2254,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) te worden betaald aan de Secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091 onder vermelding van het zaaknummer).

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Kallan
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2003

15-345.
Verzonden:

Voor eensluidend afschrift
de Secretaris van de Raad van State
voor deze,

Raad
van State
200205812/1.
Datum uitspraak: 29 januari 2003

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appelant 1, 2, 3 en 4]
appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te ‘s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 25 oktober 2002 in het geding tussen:

appellanten

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 18 september 2002 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 25 oktober 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de voorzieningenrechter), voorzover hier van belang, de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 1 november 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 november 2002 heeft de minister een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 januari2003, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. G.E.M. Later, advocaat te Den Haag, en mr. C.L.M. Meuwese, directeur van Defence for Children International Nederland, en de minister, vertegenwoordigd door mr. E. Bervoets, ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

3. Overwegingen

3.1. Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de Overeenkomst betreffende de vaststelling van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij een van de Lid-Staten van deEuropese Gemeenschappen wordt ingediend (Dublin, 15 juni 1990, hierna: de OvD), voor zover thans van belang, heeft elke Lid-Staat het recht om een door een vreemdeling bij hem ingediend asielverzoek te behandelen, ook al is hij op grond van de in deze overeenkomst vastgestelde criteria daartoe niet verplicht, op voorwaarde dat de asielzoeker daarmee instemt.
Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.
Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan de aanvraag zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld.

3.2. Indien een aanvraag, als bedoeld in voormeld artikel 4:6 van de Awb , wordt ingediend, ertoe strekkende dat de minister terugkomt van eenin rechte onaantastbaar geworden besluit, berust bij de minister de bevoegdheid, als bedoeld in het tweede lid van dat artikel, bij de aanwending waarvan artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 mede wordt betrokken. Komt de minister tot het oordeel dat er geen termen zijn het verzoek in te willigen, dan verzet het bepaalde in artikel 8:1 van de Awb , gelezen in verband met artikel 6:7 van die wet, zich ertegen dat door het instellen van beroep tegen dat besluit wordt bereikt dat de rechter de zaak beoordeelt, als ware het beroep gericht tegen het eerdere besluit.
De door appellanten ingestelde beroepen konden dan ook slechts leiden tot de beoordeling of zich na de eerdere, in rechte onaantastbaar geworden besluiten van 10 januari 2000, waarbij door of namens appellanten ingediende aanvragen om toelating als vluchteling niet-ontvankelijk zijn verklaard, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden hebben voorgedaan, die tot heroverweging noopten.

3.3. In de grieven 1, 2 en 4, in onderlinge samenhang bezien, en de daarop ter zitting gegeven nadere toelichting, hebben appellanten zich, voorzover hier van belang, op het standpunt gesteld dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de minister terecht met toepassing van artikel 4:6 van de Awb hun aanvragen heeft afgewezen, aangezien volgens hen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van dat artikel. Zij hebben daartoe betoogd dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat appellanten in 2000alleen zijn achtergebleven nadat hun moeder tezamen met twee broers en een zus is overgedragen aan Duitsland en hun vader met onbekende bestemming is vertrokken, een ontwikkeling die appellanten als zeer ingrijpend hebben ervaren. Voorts heeft de voorzieningenrechter ten onrechte overwogen dat de minister terecht de gevolgen van de keuze om zich te onttrekken aan overdracht aan Duitsland voor hun rekening en risico heeft geacht, nu deze keuze niet door hen zelf maar door hun ouders is gemaakt, aldus appellanten.

3.4. De grieven slagen in zoverre. De overdracht van de moeder en twee broers en een zus van appellanten aan Duitsland en het met onbekende bestemming vertrekken van hun vader zijn nieuwe, want na de eerdere afwijzende beschikkingen opgekomen, omstandigheden. Het moet er voor worden gehouden dat tijdens de eerste asielprocedure tot begin 2000 het gezin Ekinci als eenheid optrad en is bejegend en dat de beslissingen over de te volgen gedragslijn binnen het gezin door de ouders werden genomen. Nadatde moeder met drie van de kinderen op 23 mei 2000 aan Duitsland is overgedragen en, naar door de minister niet bestreden is, zeer kort daarna naar Turkije is uitgezet – haar verblijfplaats is appellanten, naar zij stellen, onbekend – en de vader appellanten op 21 juni 2000 heeft achtergelaten door met onbekende bestemming te vertrekken, was die eenheid verbroken en waren appellanten – te dien tijde op de oudste na minderjarig – aan zichzelf overgelaten. Met deze situatie, die het gevolg was van beslissingen waarvoor de ouders van appellanten verantwoordelijk waren, zullen appellanten zich in Duitsland opnieuw geconfronteerd zien, nu overdracht aan Duitsland niet zal leiden tot hereniging van het gezin.
De Afdeling is van oordeel dat de ontwikkelingen sedert mei 2000 ten opzichte van de situatie ten tijde van de eerste asielprocedure als veranderde omstandigheden moeten worden aangemerkt, waarvan het belang voor de toepassing van artikel 3, vierde lid, van de OvD niet op voorhand kan worden ontkend. Dit betekent dat de minister ten onrechte onder verwijzing naar de afwijzende beschikkingen van 10 januari 2000 betreffende het gezin, bestaande uit vader, moeder en acht kinderen, de aanvragen van appellanten heeft afgewezen. De voorzieningenrechter heeft dit miskend.

3.5. Gelet op het vorenstaande behoeft hetgeen overigens tegen de aangevallen uitspraak is aangevoerd geen bespreking.

3.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen alsnog gegrond verklaren. De bestreden besluiten komen wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb voor vernietiging in aanmerking nu deze niet zijn voorzien van een deugdelijke motivering omtrent de toepasselijkheid van artikel 4:6 van de Awb . De minister dient nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

3.7. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

VII. verklaart het hoger beroep gegrond;
VIII. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te ‘s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle van 25 oktober 2002 in zaak nr. AWB 02/73718, 02/73735, 02/73731 en 02/73723;
IX. verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond;
X. vernietigt de besluiten van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 18 september 2002, kenmerk 9904.03.2001, 9904.03.2002, 0209.15.8002 en 0209.15.8003;
XI. draagt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie op met inachtneming van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen;
XII. veroordeelt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in de door appellanten in verband met de behandeling van de beroepen en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 2254,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) te worden betaald aan de Secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091 onder vermelding van het zaaknummer).

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Kallan
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2003

15-345.
Verzonden:

Voor eensluidend afschrift
de Secretaris van de Raad van State
voor deze,

Stay tuned.

Advertenties

Reacties zijn gesloten.