CIZ VS Jeugdzorg BJAA (Purmerend)

Even voorstellen…

Andre Fleere CV

Purmerend:
Breaking News van uit Jeugdzorg Purmerend:

Jeugdzorg maar vooral (Teamleiders) krijgen voorlichting over de VN verdragen:
De verdragen zijn bij de Jeugdzorg instellingen niet zo bekend schijnbaar?
Dhr. xxx Teammanager BJAA heeft namens de directie van Bureau Jeugdzorg een brief laten uitgaan. We vragen dan aan de Teammanager, zonder nog even inhoudelijk op de brief in te gaan of hij volledig achter de waarheid staat.

Onder aan het bericht geef ik u analyse die tegenstrijdig is met de brief van de gemeente Purmerend , u kunt lezen dat de uitspraak van CIZ overgenomen werd door de Gemeente Purmerend.
Waarom denkt u dat het Raad van Bestuur zo moeilijk doet om een Dossier uit handen te geven, zelfs bedreigd om angst in te boezemen.
We zullen zien wie er angst heeft.

Uitspraak;

Democratie is niet voor bange mensen! 18 mei 2005 Minister Remkes van Binnenlandse Zaken.

We beginnen met hun eigen uitgegeven nieuws bulletins.

Pakketmaatregelen 2009

Nieuwe regels vanaf 1 januari

Vanaf 1 januari 2009 gaan het CIZ en de Bureaus Jeugdzorg nieuwe aanvragen.

afhandelen volgens de nieuwe beleidsregels indicatiestelling AWBZ.

De beleidsregels en een uitgebreide toelichting (de CIZ Indicatiewijzer)

worden door het CIZ op zijn website (www.ciz.nl) gepubliceerd.

Aanvragen die zijn ingediend vóór 1-1-2009 handelen de indicatiestellers af op basis van de regelgeving over 2008. Het jaar 2009 geldt als overgangsjaar. In dit jaar is er sprake van overgangsrecht voor mensen met een tot in 2009 (of later) doorlopende indicatie in termen van ondersteunende begeleiding (OB) en/of activerende begeleiding (AB). Bij de grondslag psychosociaal probleem (PS) geldt dit ook voor de functie persoonlijke verzorging (PV). De indicatie blijft geldig tot de einddatum van de indicatie, maar uiterlijk tot 1-1-2010.

Overgangsrecht

Mensen die nog een doorlopende indicatie hebben voor ondersteunende begeleiding (OB) en activerende begeleiding (AB) behouden hun aanspraak op deze functies zolang deze indicatie geldig is, maar uiterlijk tot 1-1-2010. Dit geldt ook voor PV op de grondslag PS. Mensen met een in 2009 doorlopende indicatie voor OB-algemeen met een somatische grondslag behouden ook in 2009 nog hun aanspraak, uiterlijk tot 1-1-2010. Het overgangsrecht van 2008 is voor deze mensen verlengd voor 2009. Als op verzoek van de cliënt of diens vertegenwoordiger een herindicatie wordt aangevraagd, wordt vervolgens onderzoek verricht naar de omstandigheden van de cliënt. Uiteindelijk volgt een indicatie voor de noodzakelijke zorg in termen van de AWBZ-aanspraken, die op het moment van aanvraag gelden. Als een nieuw indicatiebesluit wordt afgegeven, vervalt per definitie de geldigheid van het besluit waarvoor het overgangsrecht geldt. Dat betekent dat de cliënt zich ervan bewust moet zijn dat als hij een nieuw besluit in 2009 aanvraagt, dit gevolgen heeft voor zijn rechten op OB/AB op grond van het overgangsrecht.

Gewenningsregeling

Met de gewenningsregeling voorziet het ministerie van VWS in de wens van cliëntenorganisaties, gemeenten en Bureaus Jeugdzorg om voldoende voorbereidingstijd te hebben voor alternatieven als de AWBZ-begeleiding wegvalt. Cliënten met een geldige indicatie OB/AB komen bij een herindicatie in aanmerking voor gewenning als zij in 2009 geen indicatie voor begeleiding meer krijgen als gevolg van de per 1-1-2009 verscherpte toegangsmaatregel. Het is hierbij niet van belang om welke reden de indicatie voor OB en/of AB is beëindigd. Voor mensen die zijn aangewezen op langdurig verblijf (en niet zijn opgenomen) is geen gewenning aan de orde. Zij krijgen bij herindicatie een ZZP-indicatie waarin de noodzakelijke begeleiding is opgenomen.

Geen gewenning voor grondslag psychosociaal probleem.

Met ingang van 1-1-2009 worden de gemeenten verantwoordelijk voor de zorg aan cliënten met enkel een grondslag PS. Dit betekent dat het CIZ na die datum niet meer bevoegd is voor het afgeven van indicaties op basis van de grondslag PS. In het kader van overgangsrecht behouden deze cliënten wel hun aanspraak tot aan de einddatum van het indicatiebesluit, uiterlijk tot 1-1- 2010. Omdat cliënten zich tot de gemeenten kunnen wenden, is vanuit de AWBZ voor hen geen gewenningsregeling van toepassing.

Nieuwe aanvraag

Cliënten dienen zich uiterlijk zes weken voor het verstrijken van de indicatiedatum te melden voor een nieuwe indicatie. Als iemand zich veel eerder dan zes weken voor herindicatie meldt – zonder dat de omstandigheden van/voor de cliënt zijn gewijzigd breekt het CIZ de aanvraag af. Het CIZ zal dan geen nieuw indicatiebesluit afgeven: men heeft immers al toegang tot AWBZ-zorg. Als het CIZ een aanvraag in behandeling heeft genomen en constateert dat de cliënt niet in aanmerking komt voor de functie BG maar wel voor gewenning, dan zal het CIZ dit in een brief aan de cliënt duidelijk maken. Het gaat zowel om de hoeveelheid zorg als om de periode dat men recht heeft op gewenning. De cliënt hoeft dus bij een negatieve aanvraag voor BG niet opnieuw een verzoek in te dienen voor gewenning.

Toekenning van gewenning

Het CIZ zal de gewenning toekennen in termen van OB-algemeen, OB-dag, AB-algemeen en/of AB-dag. Het gaat dan om dezelfde omvang van OB-dag, OB-alg, AB-dag en AB-Alg zoals vermeld op de laatst geldige indicatie. Deze indicatie wordt geëxporteerd via de AZR. Alle toekenning en zorglevering in termen van OB en AB, stopt per 1-1-2010. Zorglevering op basis van de gewenningsregeling loopt dus niet door in 2010.

Herindicatietraject

Het CIZ zal alle mensen met een in 2010 doorlopende (extramurale) indicatie voor.

OB en of AB in 2009 actief benaderen voor een herindicatie. Dit geldt voor mensen met.

alle grondslagen, met uitzondering van de grondslag psychosociaal probleem.

“Ik citeer:

Hier uit blijkt dus dat CIZ wel degelijk indicatiebesluiten verzorgt voor Jeugdzorg , deze zijn vervalst omdat wij inzicht kregen dat Reinier nergens genoteerd stond hoe kon er dan een hulpverleningsplan worden opgesteld zonder enige indicatie ?

Einde Citaat: 

Commentaar

eindejaarsdrukte

Arjan Vermeulen: ’De onafhankelijke indicatiestelling moet

vanuit het cliëntperspectief blijvend inhoud krijgen.’

CIZ en de feestdagensluiten

Dit betekent niet dat het CIZ het, vergeleken met vorig jaar, rustiger aan kan doen. Hoewel we beter zijn voorbereid, zijn de wijzigingen die moeten worden doorgevoerd veel verstrekkender. De druk staat er bij ons dan ook goed op. De medewerkers worden geschoold, de systemen worden gewijzigd, ons informatiemateriaal wordt aangepast en niet te vergeten: als onze relaties worden bijgepraat en voorgelicht over wat er gaat gebeuren.

Sinds de oprichting in 2005 hebben wij het aan een einde van een jaar altijd extra druk. Niet met Sinterklaas of Kerstmis maar met de voorbereidingen van de invoering van beleidswijzigingen per 1 januari – of Pakketmaatregelen zoals die tegenwoordig heten. We hebben in vergelijking met vorig jaar wel een stap vooruit gezet. Toen werd op Prinsjesdag pas duidelijk welke wijzigingen in het indicatiebeleid aangebracht moesten worden. Daarnaast moest er toen veel gebeuren in eigenlijk te weinig tijd. Dit jaar gaat het beter. We zijn al vanaf de zomer in nauw overleg met het Ministerie van VWS over de voorgestelde wijzigingen in de AWBZ.

Doordat we al vroeg meedenken, dragen we er aan bij dat voorstellen op uitvoerbaarheid – ook voor ons – zijn getoetst.

Tegen over de indicatiestelling in het kader van de Pakketmaatregelen die niet door Postbus 51 beantwoord kunnen worden, kan iedereen terecht bij ons nieuwe Centraal Informatiepunt AWBZ-zorg: 0900 – 1404. Omdat voor velen buiten de wereld van echte kenners het niet altijd even duidelijk is op welke gronden een indicatiebesluit tot stand komt, publiceren we tegelijk met de nieuwe beleidsregels een toelichting. In dit – ik geef toe, uitgebreide – document valt precies te lezen hoe en volgens welke criteria zorg mag worden toegekend. We hebben, mede op verzoek van cliëntenorganisaties en brancheorganisaties, de toelichting ‘CIZ Indicatiewijzer’ gedoopt. Het CIZ moet open en helder zijn over zijn werkwijze en deze indicatiewijzer draagt daaraan bij.

Wij zijn wel erg benieuwd naar uw reactie! Opmerkingen en suggesties voor verbetering nemen we graag in ontvangst. Wanneer ik kijk naar de rol die het CIZ in 2009 en verder moet blijven vervullen, zie ik dat de ontwikkeling zoals deze in het SER-advies en in onze position paper ‘De Balans’ (zie http://www.ciz.nl) naar voren komt, de richting bepaalt. Er is een dringend verzoek om vanuit cliëntperspectief de onafhankelijke indicatiestelling blijvend inhoud te geven. Uniform en gestandaardiseerd met maatwerk waar dit nodig is. Voor de zorgaanbieders geldt dat zij snel zorg willen leveren en geen last willen hebben van (onnodige) bureaucratie.

Het enthousiasme van de zorgaanbieders voor onze Aanmeld-Functionaliteit is groot en geeft vertrouwen voor de toekomst. Door één gegevensopslag voor de AWBZ en de Wmo kan de weg naar zorg gemakkelijker worden afgelegd. Voor de overheid op gemeentelijk maar mijns inziens ook op landelijk niveau geldt dat zij vooral baat hebben bij een integrale cliëntbenadering. Voor alle ketenpartners hebben wij een prima aanbod voor de AWBZ, de Wmo en wellicht in de toekomst ook voor de Zvw. Ons aanbod zal overigens doorlopend aan de eisen van de tijd worden aangepast. Neem bijvoorbeeld de roep om steekproefsgewijs te indiceren. Wij nemen die roep serieus en onderzoeken mogelijke antwoorden vanuit het centrale perspectief van de cliënt. We gaan onderzoeken of het werken met cliënten risicoprofielen passend is.

Ik wens u prettige feestdagen.

Arjan Vermeulen,

Voorzitter Raad van Bestuur


We zullen u een juridische correspondentie laten zien wie pleegt er nou kenmerken van organisatiecriminaliteit in de Jeugdzorg in onze zaak ?

Wie staat er nou te liegen als zijnde CIZ en mag een ( el ) logo Burgermeester Dreigen ?

Hiermee ga ik u aantonen dat CIZ valsheid in geschriften heeft gepleegd. Men zo vast kwam te zitten dat men alles uit de kast probeerde te trekken om ons monddood te maken. 

Ik hoop dan ook dat de burgers moeite doen om hier kennis van te nemen.

Roep dan ook Burgers op om een brief uit te laten gaan om opheldering te vragen aan de minister van VWS, de tekortkoming van de raad van bestuursleden. http://jure.nl/bk1694 


LJN BK1694, Rechtbank Rotterdam, 339504 / J1 RK 09-1424

Datum uitspraak: 20-10-2009

Datum publicatie: 30-10-2009

Rechtsgebied: Personen-en familierecht

Soort procedure: Eerste aanleg – meervoudig

Zaaknummers: 339504 / J1 RK 09-1424

Inhoudsindicatie:
Machtiging gesloten jeugdzorg 18+.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht
Enkelvoudige kamer

Datumuitspraak: 20 oktober 2009
Zaak-/rekestnummer: 339504 / J1 RK 09-1424

Beschikking in de zaak van:

de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Diemen,
namens bureau jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,
hierna: de stichting,

met betrekking tot de jeugdige:

[naam jeugdige], geboren op [datum] 1991 te [geboorteplaats],

kind van [naam vader] en van de met het gezag belaste ouder
[naam moeder], wonende te [adres].

Het verloop van de procedure
Bij beschikking van 3 juni 2009 zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging om de jeugdige in gesloten jeugdzorg te doen opnemen en te doen verblijven verlengd tot 22 oktober 2009.

De stichting heeft op 29 september 2009 een verzoekschrift ingediend strekkende tot het verlenen van een nieuwe machtiging om de jeugdige in gesloten jeugdzorg te doen verblijven. Verzoeker heeft verklaard dat zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 29b, derde lid van de Wet op de jeugdzorg . Met deze verklaring heeft de gedragswetenschapper die de jeugdige met het oog daarop kort geleden heeft onderzocht, ingestemd.

Van de stichting zijn faxberichten ingekomen d.d. 8 oktober 2009, met als bijlagen een instemmende verklaring van een gedragswetenschapper, het behandelplan en observatieverslag van Rentray en een CIZ-indicatiebesluit.

Van de stichting is een brief ingekomen d.d. 9 oktober 2009, met als bijlage het plan van aanpak.
Van de stichting zijn faxberichten ingekomen d.d. 16 oktober 2009, met als bijlage onder andere een indicatiebesluit voor gesloten jeugdzorg.

Aan de jeugdige is als advocaat toegevoegd mr. A.J.M. Vélu.
De zaak is behandeld op 20 oktober 2009.
De jeugdige is ter zitting bijgestaan door zijn advocaat.

De beoordeling: De stichting heeft aan haar verzoek het volgende ten grondslag gelegd.

Bij de jeugdige is sprake van een ernstige gedragsstoornis, welke samenhangt met een reactieve hechtingsstoornis en waarbij reeds aanwijzingen zijn voor de ontwikkeling van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale kenmerken. Daarbij functioneert de jeugdige op licht verstandelijk beperkt cognitief niveau. De jeugdige verblijft sinds maart 2009 in de gesloten behandelsetting Rentray, waar hij wordt behandeld.

De behandeling is echter, door de grote weerstand en het verzet van de jeugdige om mee te werken aan de behandeling, niet goed van de grond gekomen en hij is thans, hoewel hij [datum] 2009 achttien jaar wordt, (nog) niet in staat zelfstandig in de maatschappij te functioneren. Voor de jeugdige is een CIZ-indicatie afgegeven voor de duur van 5 jaar voor een verblijf in een SGLVG-instelling, een besloten instelling voor verstandelijk gehandicapten voor zeer intensieve behandeling en begeleiding.

De Bruggen, een SGLVG-instelling in deze regio en een van de vijf SGLVG-instellingen in Nederland, heeft zich, na een positief verlopen intake-gesprek, bereid verklaard zich alsnog te beraden over de opname van de jeugdige, nu De Bruggen feitelijk de enige instelling is die de jeugdige behalve een verblijf ook een behandeling kan bieden. Het enige alternatief voor een verblijf in De Bruggen is een verblijf in een LVG-instelling, een instelling voor licht verstandelijk gehandicapten.

In een LVG-instelling vindt echter geen behandeling plaats, terwijl de jeugdige deze wel behoeft. Daarbij komt dat de wachtlijsten voor een plaatsing in een LVG-instelling tussen de vijf en tien jaar bedragen. Op 3 november 2009 besluit De Bruggen of de jeugdige kan worden geplaatst. Indien De Bruggen een positief besluit neemt is er binnen enkele weken zo niet direct een plek voor hem beschikbaar.
Het terugplaatsen van de jeugdige naar de thuissituatie alwaar momenteel geen goede systeembegeleiding en dagbesteding voorhanden zijn, brengt forse risico’s mee voor de ontwikkeling en veiligheid van de jeugdige. De moeder is niet in staat hem de nodige structuur te bieden.

In de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper wordt gesteld dat het, gelet op het grote gevaar van recidiverend gedrag ten gevolge van zijn problematiek, van groot belang is voor de jeugdige dat zijn verblijf in gesloten jeugdzorg wordt voortgezet ter overbrugging naar een plek in een voor hem geschikte instelling. De jeugdige heeft volgens de gedragsdeskundige nog een lange behandeling en intensieve begeleiding nodig om op een veilige manier verder volwassen te worden.

De moeder van de jeugdige ondersteunt het verzoek van de stichting.

De jeugdige heeft ter zitting verklaard het eens te zijn met de plaatsing en behandeling in De Bruggen. Hij is het echter niet eens met een langer (gesloten) verblijf in de Rentray ter overbrugging naar een plaatsing in De Bruggen. Hij wil en kan ter overbrugging van de plaatsing in De Bruggen bij een vriend van hem wonen. Deze achttienjarige vriend woont in de buurt van de Maashaven te Rotterdam. Een precies adres van hem ontbreekt. Voorts heeft de jeugdige ter zitting verklaard dat hij de voorkeur geeft aan een langer verblijf in De Hunnerberg, waar hij thans in het kader van een correctieplaatsing verblijft,boven terugplaatsing naar Rentray.

De advocaat heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de jeugdige gemotiveerd is voor verblijf en behandeling in De Bruggen. De advocaat heeft daarbij, onder verwijzing naar art. 5 van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, hierna: het EVRM, gewezen op de uiterst beperkte mogelijkheid tot plaatsing in gesloten jeugdzorg van meerderjarigen.

Gelet hierop heeft de advocaat primair verzocht het verzoek van de stichting af te wijzen en subsidiair de machtiging voor kortere tijd dan verzocht te verlenen. Op grond van de aan het verzoek ten grondslag gelegde motivering, de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de wetsgeschiedenis van de Wet op de jeugdzorg (hierna: Wjz) blijkt dat de mogelijkheid om een jongmeerderjarige te plaatsen in een instelling voor gesloten jeugdzorg slechts toegepast kan worden, indien deze vorm van vrijheidsbeneming proportioneel subsidiair is. In verband met het proportionaliteitsbeginsel heeft de wetgever het van groot belang geacht hierbij aan te tekenen dat deze vorm van vrijheidsbeneming uitsluitend mogelijk is voor zover het gaat om voortzetting van jeugdzorg in een gedwongen kader die is aangevangen vóór het bereiken van de algemene meerderjarigheidsleeftijd én indien nog steeds sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren en nog steeds noodzaken tot verblijf in gesloten jeugdzorg.

De voortzetting van een gesloten plaatsing na het bereiken van de 18-jarige leeftijd dient om te voorkomen dat een hulpverleningstraject aan een jeugdige in een gedwongen kader abrupt wordt afgebroken doordat de jeugdige de meerderjarigheidsleeftijd bereikt. Daarbij dient steeds een afweging gemaakt te worden van alle betrokken belangen en ook dient te worden aangegeven welke vooruitzichten er op korte termijn bestaan ten aanzien van de voortzetting van het behandeltraject en wanneer het traject wordt afgerond, aldus de bedoelde Memorie van Toelichting.

De rechtbank heeft in andere uitspraken ter zake verzoeken tot verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing in een instelling voor gesloten jeugdzorg voor een periode nadat een jeugdige 18 jaar is geworden – artikel 29a, eerste lid, van de Wjz – getoetst aan artikel 5 van het EVRM , welk artikel rechtstreekse werking heeft.

De strekking van deze uitspraken is dat plaatsing in een instelling voor geslotenjeugdzorg moet worden gezien als een vrijheidsbeneming op opvoedkundige gronden, hetgeen gelet op het bepaalde in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d, van het EVRM slechts toelaatbaar is ten aanzien van minderjarigen. In beginsel is artikel 29a, eerste lid, van de Wjz voor zover dit ziet op jeugdigen in de leeftijd van 18 tot 21 jaar – naar Nederlands recht meerderjarigen – derhalve in strijd met artikel 5 van het EVRM en moet mitsdien buiten toepassing worden gelaten, behoudens zeer bijzondere gevallen.

Ter adstructie verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het gerechtshof ‘s-Gravenhage van 26 maart 2009, waarin is overwogen dat tegen de achtergrond van de zaak Eriksen tegen Noorwegen van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) (EHRM, Eriksen v. Norway, arrest van 27 mei 1997, Recueil/Reports, 1997-III) het niet zo is dat “nimmer en onder geen enkele omstandigheid” voor toepassing van artikel 29a van de Wjz een uitzondering op het verbod van artikel 5 van het EVRM toelaatbaar is. In de Eriksen-zaak achtte het EHRM detentie voor een periode van korte duur in afwachting van verblijf elders met het EVRM in overeenstemming. In de zaak leidend tot haar uitspraak van 19 februari 2009 heeft deze rechtbank geen aanknopingspunten gevonden die analoge toepassing van deze uitspraak van het EHRM zouden kunnen rechtvaardigen.

De Raad van State heeft in het advies op de Wijziging van de Wjz onder verwijzing naar het arrest van het EHRM in de zaak Eriksen gesteld dat “niet uitgesloten behoeft te worden dat er enige ruimte kan worden gelaten voor een aansluitende periode van vrijheidsbeneming na het bereiken van de meerderjarigheidsleeftijd ingeval sprake is van een overbruggingsfase in afwachting van een daaropvolgende mogelijkheid van opvang of verblijf elders, doch dan dient op die mogelijke opvang concreet uitzicht op korte termijn te bestaan”.

De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige situatie sprake is van een ‘zeer bijzonder geval’ in de hiervoor bedoelde zin en overweegt hiertoe als volgt. Vaststaat dat er bij de jeugdige sprake is van ernstige opvoedingsproblematiek. De jeugdige is niet alleen een jongen met een cognitieve beperking, maar daarbij is een gedragsstoornis gediagnosticeerd en een persoonlijkheidsstoornis in wording. De jeugdige heeft ernstige gedragsproblemen naast een zwakke impuls -en agressieregulatie, zichtbaar in zowel verbale als fysieke agressie, dreigend gedrag naar anderen en zichzelf (waaronder diverse suïcidepogingen). Voorts is sprake van criminele activiteiten, een onrijpe gewetenontwikkeling en heeft hij moeite met het accepteren van regels en gezag. De jeugdige heeft de afgelopen drie jaar weliswaar verschillende vormen van behandeling ondergaan, maar zonder voldoende positief resultaat. Behandeling is nog steeds nodig.

Vooralsnog staat vast dat een behandeling binnen het SGLVG-circuit de enige vorm van behandeling is die er nog rest voor de jeugdige en dat De Bruggen de enige instelling binnen de regio is die aansluit op de behoeften mogelijkheden van de jeugdige. Plaatsing in een LVG-instelling is geen alternatief, vanwege het feit dat daar niet de noodzakelijke behandeling kan worden geboden en voorts ook gelet op de lange wachtlijsten.

Terugplaatsing van de jeugdige in de thuissituatie is niet mogelijk en brengt op dit moment onacceptabele risico’s voor zijn ontwikkeling en veiligheid met zich mee. De problematiek van de jeugdige is dermate zwaar dat van de moeder niet kan worden verwacht dat zij daarmee om kan gaan. Hetzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het verblijf bij de achttien-jarige vriend van de jeugdige.

De rechtbank zal gelet op het vorenstaande en nu – zij het op dit moment niet met honderd procent zekerheid – sprake is van een concreet uitzicht op een overplaatsing naar een SGLVG-instelling binnen korte en afzienbare tijd na het bereiken van de achttienjarige leeftijd, en aan het wettelijk criterium dat er sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van dejeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren nog steeds is voldaan, ter overbrugging naar een plaatsing in De Bruggen waar de jeugdige dagbesteding, groepsbehandeling en begeleiding zal ontvangen, machtiging verlenen voor verblijf van de jeugdige in een instelling voor gesloten jeugdzorg.

Nu ter zitting is gebleken dat op 3 november 2009 zal worden beslist of de jeugdige in De Bruggen terecht kan en ter zitting voorts is aangegeven dat er geen dan wel een minimale wachtlijst bestaat, zodat verwacht kanworden dat hij na acceptatie kort na 3 november 2009 zal worden geplaatst, zal de machtiging voor de duur van één maand worden verleend en zal het verzoek voor het overige worden aangehouden, met het verzoek aan de stichting de rechtbank schriftelijk op de hoogte te stellen over de stand van zaken.

Op grond van de overgelegde stukken, de afgelegde verklaringen en het vorenstaande is de kinderrechter van oordeel dat de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft, die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de verlenging van het verblijf in gesloten jeugdzorg voor de duur van één maand noodzakelijk is om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of door anderen daaraan zal worden onttrokken.

De beslissing: Verleent machtiging om de jeugdige in gesloten jeugdzorg te doen verblijven tot
20 november 2009. Verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

En alvorens verder te beslissen:
Bepaalt dat het verhoor van de jeugdige, zijn advocaat, de belanghebbenden en de stichting in deze zaak zal plaatsvinden op 18 november 2009 te 12.55 uur in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125.

De zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. Marseille, kinderrechter.

Bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de jeugdige, zijn advocaat, de belanghebbenden en de stichting.

Verzoekt de stichting uiterlijk één week voor de genoemde datum de kinderrechter de verzochte rapportage te doen toekomen.

Deze beschikking is gegeven door mr. Marseille, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. Van Driel en Holierhoek, kinderrechters, in bijzijn van Don-van Loopik, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

Bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr Van Driel.

“Ik citeer:

Gedragswetenschapper = geen psycholoog ?

Mag deze een indicatie stelling uitbrengen ?

Einde Citaat:

Kijk nou:

Naar art. 5 van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, hierna: het EVRM, gewezen op de uiterst beperkte mogelijkheid tot plaatsing in gesloten jeugdzorg van meerderjarigen. één maand worden verleend.

“Ik citeer:

Dat is geen 2 jaar zoals bij Reinier wat heeft het CIZ te verbergen om geen Dossier af te geven ?

Einde Citaat:

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2009-3501.html

Officiële Bekendmakingen


Besluit van 23 februari 2009 van de Minister van Financiën houdende aanpassing van de bijlagen A en B bij het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie (Tweede wijzigingsbesluit Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie).

De Minister van Financiën,

Gelet op artikel 4 van het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie;

In overeenstemming met de Ministers van Justitie, Verkeer en Waterstaat, Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en voor Jeugd en Gezin;

Besluit:

ARTIKEL I

In onderdeel 1 van bijlage A bij het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie worden de volgende rechtspersonen opgenomen:

Ministerie van Financiën

·Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars (NBM);

·De Nederlandsche Bank N.V, uitsluitend voor de liquide middelen in het kader van het deposito-garantiestelsel (DNB);

Ministerie van Verkeer en Waterstaat

·Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO).

ARTIKEL II

Uit onderdeel 2 van bijlage A bij het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie worden de volgende rechtspersonen verwijderd:

Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

·Stichting Borgstellingsfonds voor de Landbouw;

·  Stichting Ontwikkelings- en saneringsfonds voor de landbouw;

·Stichting Ontwikkelings- en saneringsfonds voor de visserij.

ARTIKEL III

In onderdeel 2 van bijlage A bij het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie wordt de volgende wijziging aangebracht:

Het opschrift ‘Ministerie van Justitie’ boven de categorie particuliere justitiële jeugdinrichtingen komt te luiden: Ministerie van Justitie en Minister voor Jeugd en Gezin.

ARTIKEL IV

Uit onderdeel 1 van bijlage B bij het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie worden de volgende rechtspersonen verwijderd:

Ministerie van Justitie

·Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO);

·De particuliere justitiële jeugdinrichtingen:

o    * Stichting Frentrop Jongerenhuis Harreveld (in Harreveld, betreffende het onderdeel in Harreveld);

o    * Stichting Frentrop Teylingereind (in Sassenheim);

o    * Stichting Justitieel Pedagogisch Centrum de Sprengen (in Zutphen, betreffende de onderdelen te Zutphen en Wapenveld);

o    * Stichting Rentray (te Eefde, betreffende de onderdelen in Rekken en Lelystad);

o    * Stichting Spirit (in Amsterdam, betreffende het onderdeel Jongeren Opvang Centrum);

o    * Stichting Het Poortje Justitiële Jeugdinrichting (in Groningen, betreffende het onderdeel De Veenpoort te Veenhuizen);

o    * Stichting Jeugdzorg St. Jozeph (in Cadier en Keer, betreffende het onderdeel JJI Het Keerpunt);

tenzij de betrokken jeugdinrichting behoort tot de categorie particuliere justitiële jeugdinrichtingen als bedoeld in onderdeel 2 van bijlage A bij het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie.

Ministerie van Verkeer en Waterstaat

·Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO).

ARTIKEL V

In onderdeel 1 van bijlage B bij het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie worden de volgende rechtspersonen opgenomen:

Ministerie van Justitie

·     De particuliere justitiële jeugdinrichtingen:

o    * Stichting Frentrop Teylingereind (in Sassenheim);

tenzij de betrokken jeugdinrichting behoort tot de categorie particuliere justitiële jeugdinrichtingen als bedoeld in onderdeel 2 van bijlage A bij het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie.

Ministerie van Justitie en Minister voor Jeugd en Gezin

·  De particuliere justitiële jeugdinrichtingen:

o  * Stichting Frentrop Jongerenhuis Harreveld (in Harreveld);

o  * Stichting Justitieel Pedagogisch Centrum de Sprengen (in Zutphen);

o  * Stichting Rentray (in Eefde);

o  * Stichting Spirit (in Amsterdam);

o  * Stichting Het Poortje Justitiële Jeugdinrichting (in Groningen);

o  * Stichting Jeugdzorg St. Jozeph (in Cadier en Keer);

Tenzij de betrokken jeugdinrichting behoort tot de categorie particuliere justitiële jeugdinrichtingen als bedoeld in onderdeel 2 van bijlage A bij het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie.

 

Minister voor Jeugd en Gezin

·Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO).

·De particuliere justitiële jeugdinrichtingen:

o  * Stichting Orthopedagogisch Centrum Ottho Gerhard Heldring (in Zetten);

o  * Stichting Horizon, Instituut voor Jeugdzorg en Onderwijs (in Rotterdam);

o  * Stichting Tender (in Breda);

o  * Stichting BJ Brabant (in Deurne);

o  * Stichting de Hoenderloo Groep (in Hoenderloo);

o  * Stichting Jeugdformaat-De Jutters Combinatie (in Den Haag);

o  * Stichting PARLAN (in Alkmaar);

Tenzij de betrokken jeugdinrichting behoort tot de categorie particuliere justitiële jeugdinrichtingen als bedoeld in onderdeel 2 van bijlage A bij het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie.

ARTIKEL VI

1. Voor de op grond van artikel I aangewezen rechtspersonen geldt, tenzij artikel VII, eerste lid, onder b, op een betrokken rechtspersoon van toepassing is, dat de toepassing van artikel 45, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001 zodanig in de tijd gefaseerd zal geschieden, dat de op het moment van inwerkingtreding van dit besluit nog op een andere wijze uitgezette liquide middelen van de betrokken rechtspersonen, op een naar het oordeel van de Minister van Financiën doelmatige wijze in ’s Rijks schatkist zullen worden opgenomen.

2. De Minister van Financiën stelt binnen zes maanden na de inwerkingtreding van dit besluit na overleg met de in het eerste lid bedoelde rechtspersonen voor elke rechtspersoon een tijdschema vast ter uitvoering van het eerste lid. Zo nodig geeft de Minister van Financiën een rechtspersoon een aanwijzing voor de uitvoering.

ARTIKEL VII

1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, met dien verstande dat:

o    a. voor de particuliere justitiële jeugdinrichtingen die voor de eerste keer worden opgenomen in bijlage B in samenhang met de werkingssfeer van het onderdeel 2 van bijlage A bij het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie, en

o    b. voor de rechtspersonen die worden opgenomen in onderdeel 1 van Bijlage A bij het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie;

het besluit terugwerkt tot en met de datum waarop deze rechtspersonen daadwerkelijk aan het schatkistbankieren zijn gaan deelnemen.

2. Dit besluit wordt aangehaald als: Tweede wijzigingsbesluit Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Financiën,

W.J. Bos.


TOELICHTING

Algemeen

Artikel 4, eerste lid, van het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie biedt de Minister van Financiën de – gedelegeerde – mogelijkheid om in overeenstemming met betrokken andere ministers andere rechtspersonen als bedoeld in artikel 45, eerste en tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001 (CW 2001) aan te wijzen (bedoeld worden: andere rechtspersonen dan die bij het aanwijzingsbesluit zijn aangewezen).

 

Het tweede lid van artikel 4 biedt de Minister van Financiën de – gedelegeerde – mogelijkheid een aanwijzing in te trekken. Van besluiten tot aanwijzing en intrekking moet mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

Sinds de inwerkingtreding van het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie is het besluit vier maal aangepast door middel van een koninklijk (wijzigings)besluit (amvb) en één maal door middel van een ministerieel wijzigingsbesluit, te weten het Eerste wijzigingsbesluit Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie (Stcrt. 2007, 245).

 

De wijzigingen bij Koninklijk besluit zijn de besluiten van:

1. Aanpassingsbesluit zorgverzekeringswet, 15 december 2005

2. Besluit van 28 november 2006, houdende wijziging van een aantal besluiten in verband met de invoering van de Wet marktordening gezondheidszorg;

3. Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden, van 5 september 2007.

4. Besluit van 29 december 2008 tot wijziging van het Besluit SUWI en enkele andere besluiten in verband met de evaluatie van de Wet SUWI en deregulering.

 

Thans is het noodzakelijk een vervolgwijziging van het aanwijzingsbesluit door te voeren, onder meer omdat een aantal rechtspersonen is opgeheven of gefuseerd. Ook voldoet een aantal rechtspersonen, dat eerder niet aan de financiële criteria voldeed, daaraan thans wel; verder is er sprake van een aantal nieuwe rechtspersonen dat aan de criteria voldoet.

Voor de relevante criteria wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij de Eerste wijziging van de Comptabiliteitswet 2001 (Kamerstukken II, 2001/02, 28035, nr. 3) en naar de Nota van toelichting bij het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie. Voor de financiële criteria wordt ook verwezen naar de Nota van toelichting bij het Eerste wijzigingsbesluit Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie (Stcrt. 2007, 245).

De lijsten In het aanwijzingsbesluit is de aanwijzing van rechtspersonen geconcretiseerd door plaatsing van de rechtspersonen op een lijst, die als bijlage bij dat aanwijzingsbesluit hoort. Het betreft steeds rechtspersonen met een wettelijke taak (zogenaamde RWT’s, rechtspersonen ex artikel 91, eerste lid, CW 2001) of met een publieke taak. In het onderhavige wijzigingsbesluit wordt bij die lijsten aangesloten. Er zijn drie lijsten operationeel.

Op de A1-lijst staan de rechtspersonen die verplicht worden met hun publieke liquide middelen te schatkistbankieren. Zij ontvangen daarvoor een marktconforme rente. Tevens verkrijgen zij de mogelijkheid om onder voorwaarden bij de schatkist te lenen voor de financiering van investeringen die benodigd zijn voor de uitvoering van hun wettelijke taak.

Op de A2-lijst staan de rechtspersonen met een publieke taak die te kennen hebben gegeven met hun publieke liquide middelen ‘vrijwillig’ te willen schatkistbankieren; ook zij verkrijgen daardoor de mogelijkheid om onder voorwaarden bij de schatkist te lenen voor de financiering van investeringen die benodigd zijn voor de uitvoering van hun publieke taak.

Op de B1-lijst staan de rechtspersonen die niet verplicht of vrijwillig schatkistbankieren, maar die op grond van artikel 45, tweede lid, CW 2001 zijn aangewezen om hun tijdelijk niet voor de wettelijke taak benodigde liquide middelen risico-arm uit te zetten; zij zijn daarbij gehouden financiële producten te kiezen die voldoen aan door de Minister van Financiën gestelde eisen. Dit zijn de zogenaamde fido-eisen (zie artikel 6 van de Regeling rekening-courant- en leningenbeheer derden, Stcrt. 2007, 77).

In de bijlage 1 bij deze Nota van toelichting is een totaaloverzicht opgenomen van de rechtspersonen die na de inwerkingtreding van het onderhavige besluit op de A1-, de A2- of de B1-lijst staan.

Overzicht geïntegreerd middelenbeheer

Onder geïntegreerd middelenbeheer wordt verstaan de combinatiemogelijkheid van schatkistbankieren en lenen bij de schatkist door instellingen/organisaties die publieke gelden/middelen beheren. Naast de mogelijkheid die RWT’s hebben op grond van de artikelen 45 tot 49a CW 2001, bestaat voor bepaalde (andere) rechtspersonen en voor zogenaamde baten-lastendiensten de mogelijkheid om op grond van andere wettelijke bepalingen te schatkistbankieren. Bijlage 2 bij deze Nota van toelichting bevat een totaal-overzicht van de mogelijkheden.

Inwerkingtreding

Het is noodzakelijk dat voor een aantal rechtspersonen voldoende terugwerkende kracht aan de inwerkingtreding van het onderhavige besluit wordt verleend, omdat die rechtspersonen inmiddels daadwerkelijk schatkistbankieren en soms al gebruikmaken van de leenfaciliteit. Daartoe hebben die rechtspersonen inmiddels een overeenkomst gesloten met de Staat (het Ministerie van Financiën). De datum van die overeenkomst bepaalt van geval tot geval in feite tot hoever de terugwerkende kracht plaatsvindt.

De Minister van Financiën,

W.J. Bos.

BIJLAGE 1

Deze bijlage bevat het totaaloverzicht, per de datum van inwerkingtreding van het onderhavige Tweede wijzigingsbesluit Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie, van de rechtspersonen met een wettelijke of publieke taak die zijn aangewezen voor het zogenaamde schatkistbankieren op grond van artikel 45, eerste en derde lid, CW 2001 (A1-, respectievelijk A2-lijst) en van de rechtspersonen met een wettelijke taak die zijn aangewezen voor risico-arm kas- (of treasury)beheer op grond van artikel 45, tweede lid, CW 2001 (B1-lijst).

A1. Rechtspersonen met een wettelijke taak die zijn aangewezen voor het zogenaamde schatkistbankieren op grond van artikel 45, eerste lid, Comptabiliteitswet 2001 (A1-lijst)

Ministerie van Justitie

·Centraal orgaan opvang asielzoekers (COA);

·Raden voor de rechtsbijstand, gevestigd in Amsterdam, Arnhem, ’s-Hertogenbosch, Den Haag en Leeuwarden;

·Stichting Reclassering Nederland (SRN).

.Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

·Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie, Politie onderwijs- en kenniscentrum (LSOP/Politieacademie);

·Politieregio’s, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Politiewet 1993;

·Stichting Administratie Indonesische Pensioenen;

·Voorziening tot samenwerking Politie Nederland (vtsPN);

·Nederlandse instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding (Nibra);

·Onderzoeksraad voor Veiligheid.

·Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

·Commissariaat voor de Media;

·Informatie Beheer Groep;

·Koninklijke Bibliotheek;

·Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen;

·Mondriaan Stichting;

·Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek en de daaraan geliëerde rechtspersoonlijkheid

      bezittende instellingen;

·Stichting fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst;

·Stichting Fonds voor Amateurkunst en Podiumkunsten;

·Stichting Fonds voor de Letteren;

·Stichting Fonds voor Podiumprogrammering en Marketing;

·Stichting fonds voor de scheppende toonkunst;

·Stichting Nederlands fonds voor de film;

·Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs;

·Stichting stimuleringsfonds voor de architectuur;

·Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs;

·Stichting Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepproducties (Stifo).

 Ministerie van Financiën

·Stichting Autoriteit Financiële Markten;

·Stichting Waarborgfonds Motorverkeer.

·Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars (NBM);

·De Nederlandsche Bank N.V, uitsluitend voor de liquide middelen in het kader van het

     deposito garantiestelsel (DNB).

·Ministerie van Defensie

·Stichting Ziektekostenverzekering Krijgsmacht.

·–  Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

·Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting;

·Dienst voor het kadaster en de openbare registers.

·Ministerie van Verkeer en Waterstaat

·Dienst Wegverkeer;

·Luchtverkeersleiding Nederland;

·ProRail B.V.;

.Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen;

·Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO).

·Ministerie van Economische Zaken

·Centraal Bureau voor de Statistiek;

·Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten;

·Stichting Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling en Ruimtevaart;

·TenneT BV;

·Onafhankelijke Post- en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA).

·Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

·Bureau beheer landbouwgronden;

·Staatsbosbeheer;

·Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO).

·Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

·Stichting Inlichtingenbureau.

·Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

·Organisatie Zorg Onderzoek Nederland;

·Pensioen- en Uitkeringsraad;

·Stichting Uitvoering Omslagregelingen;

·Centrum indicatiestelling zorg (CIZ);

·Nederlandse Zorgautoriteit (NZa).

A2. Rechtspersonen met een publieke taak die zijn aangewezen voor het zogenaamde schatkistbankieren op grond van artikel 45, derde lid, Comptabiliteitswet 2001 (A2-lijst)

Ministerie van Justitie en Minister voor Jeugd en Gezin

De particuliere justitiële jeugdinrichtingen, genoemd in onderdeel 1 van bijlage B bij het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie, die bij de Minister van Financiën schriftelijk het verzoek indienen om voor de toepassing van artikel 45, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001 in aanmerking te komen en waarvan de Minister van Financiën dit verzoek heeft gehonoreerd.

·Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

·Stichting Nationaal Restauratiefonds;

Bekostigde onderwijsinstellingen, bedoeld in de onderwijswetgeving , die bij de Minister van Financiën schriftelijk het verzoek indienen om voor de toepassing van artikel 45, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001 in aanmerking te komen en waarvan de Minister van Financiën dit verzoek heeft gehonoreerd;

Kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, die bij de Minister van Financiën schriftelijk het verzoek indienen om voor de toepassing van artikel 45, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001 in aanmerking te komen en waarvan de Minister van Financiën dit verzoek heeft gehonoreerd;

Verzelfstandigde rijksmusea, genoemd in onderdeel 1 van bijlage B bij het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie, die bij de Minister van Financiën schriftelijk het verzoek indienen om voor de toepassing van artikel 45, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001 in aanmerking te komen en waarvan de Minister van Financiën dit verzoek heeft gehonoreerd.

 Ministerie van Financiën

·Stichting Joods Humanitair Fonds (SJHF);

·Stichting Afwikkeling Maror-gelden Overheid (SAMO).

 Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

·Centrale Organisatie voor Radioactief Afval N.V. (COVRA).

 – Ministerie van Verkeer en Waterstaat

·Stichting Participatiefonds Gemeentelijke Vervoerbedrijven;

·NV Westerscheldetunnel.

  Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

·Stichting Nationaal Groenfonds.

·Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

·Stichting Afwikkeling Het Gebaar ;

·Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma;

·Stichting Fonds Patiënten, Gehandicapten en Ouderen (PGO).

B1. Rechtspersonen met een wettelijke taak die zijn aangewezen voor risico-arm kasbeheer op grond van artikel 45, tweede lid, Comptabiliteitswet 2001 (B1-lijst)

Ministerie van Justitie

·Stichting HALT Nederland;

·Stichting Slachtofferhulp Nederland;

·De particuliere justitiële jeugdinrichting:

o    * Stichting Frentrop Teylingereind (in Sassenheim);

Tenzij de betrokken jeugdinrichting behoort tot de categorie particuliere justitiële jeugdinrichtingen als bedoeld in onderdeel 2 van bijlage A bij het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie.

Ministerie van Justitie en Minister voor Jeugd en Gezin

·De particuliere justitiële jeugdinrichtingen:

o  * Stichting Frentrop Jongerenhuis Harreveld (in Harreveld);

o  * Stichting Justitieel Pedagogisch Centrum de Sprengen (in Zutphen);

o  * Stichting Rentray (in Eefde);

o  * Stichting Spirit (in Amsterdam);

o  * Stichting Het Poortje Justitiële Jeugdinrichting (in Groningen);

o  * Stichting Jeugdzorg St. Jozeph (in Cadier en Keer);

Tenzij de betrokken jeugdinrichting behoort tot de categorie particuliere justitiële jeugdinrichtingen als bedoeld in onderdeel 2 van bijlage A bij het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie.

Minister voor Jeugd en Gezin

·Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO);

·De particuliere justitiële jeugdinrichtingen:

o  * Stichting Orthopedagogisch Centrum Ottho Gerhard Heldring (in Zetten);

o  * Stichting Horizon,Instituut voor Jeugdzorg en Onderwijs (in Rotterdam);

o  * Stichting Tender (in Breda);

o  * Stichting BJ Brabant (in Deurne);

o  * Stichting de Hoenderloo Groep (in Hoenderloo);

o  * Stichting Jeugdformaat-De Jutters Combinatie (in Den Haag);

o  * Stichting PARLAN (in Alkmaar);

Tenzij de betrokken jeugdinrichting behoort tot de categorie particuliere justitiële jeugdinrichtingen als bedoeld in onderdeel 2 van bijlage A bij het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie.

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Nederlands Bureau Brandweer Examens (NBBE).

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

De verzelfstandigde Rijksmusea:

o  * Stichting tot Beheer van Museum Boerhaave;

o  * Stichting Museum Catharijneconvent;

o  * Stichting het Geld- en Bankmuseum;

o  * Stichting Kröller Müller;

o  * Stichting Museum Slot Loevestijn;

o  * Stichting Paleis het Loo Nationaal Museum;

o  * Stichting Koninklijk Kabinet van Schilderijen Mauritshuis;

o  * Stichting Museum van het Boek/Museum Meermanno;

o  * Stichting Rijksmuseum Muiderslot;

o  * Stichting Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis;

o  * Stichting Rijksmuseum van Oudheden;

o  * Stichting het Rijksmuseum;

o  * Stichting Nederlands Scheepvaart Museum Amsterdam;

o  * Stichting Rijksmuseum Twenthe;

o  * Stichting van Gogh Museum/Museum Mesdag;

o  * Stichting Rijksmuseum voor Volkenkunde;

o  * Stichting Rijksmuseum het Zuiderzeemuseum;

Tenzij het betrokken museum behoort tot de categorie musea als bedoeld in onderdeel 2 van bijlage A bij het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie.

·Ministerie van Financiën

·Waarderingskamer.

·Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

·Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening;

·Stichting Bureau Architectenregister (SBA).

·Ministerie van Verkeer en Waterstaat

·Stichting VAM, Opleidingsinstituut voor het Motorvoertuig-, Tweewieler- en Aanverwant Bedrijf ;

·Stichting inschrijving Eigen Vervoer;

·Stichting Scheepsafvalstoffen Binnenvaart;

·Stichting Vaarbewijzen- en Marifoonexamens (Vamex).

·Ministerie van Economische Zaken

·Edelmetaal Waarborg Nederland BV;

·Nederlands Meetinstituut;

·Waarborg Platina, Goud en Zilver N.V.

·Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

·College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (CTGB);

·Faunafonds;

·Stichting Bloembollenkeuringsdienst (BKD);

·Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel (COKZ);

·Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiproducten (CPE);

·Stichting Kwaliteitscontrolebureau voor Groenten en Fruit (KCB);

·Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst Tuinbouw (Naktuinbouw);

·Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor Zaaizaad en Pootgoed voor Landbouwgewassen (NAK);

·Stichting Skal.

·Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

·Centraal Administratiekantoor Bijzondere Zorgkosten bv;

·College bouw ziekenhuisvoorzieningen (CBZ);

·College sanering ziekenhuisvoorzieningen (CSZ).

BIJLAGE 2

Overzicht Geïntegreerd middelenbeheer

Onder geïntegreerd middelenbeheer wordt verstaan de combinatiemogelijkheid van schatkistbankieren en lenen bij de schatkist door instellingen/organisaties die publieke gelden/middelen beheren.

Lenen bij de schatkist is slechts mogelijk als daartoe een wettelijke basis bestaat en wordt beperkt tot de financiering van investeringen in vaste activa ten behoeve van de bedrijfsvoering van de betrokken instelling/organisatie.

Onder schatkistbankieren wordt verstaan het rentedragend aanhouden van publieke gelden/middelen in de schatkist door instellingen/organisaties die publieke gelden/middelen beheren. Ook schatkistbankieren is slechts mogelijk als daartoe een wettelijke basis bestaat.

Onder RC-krediet wordt verstaan het tijdelijk roodstaan op een rekening-courant bij de schatkist.

De uitgaven en ontvangsten van het Rijk die samenhangen met het geïntegreerd middelenbeheer worden in beginsel ten laste, respectievelijk ten gunste van de begroting van Nationale Schuld (IXA) van het Rijk gebracht.

Categorieën instellingen

Wettelijke basis

Schatkist-bankieren bij IXA

RC-krediet bij IXA

Lenen bij IXA

RWT’s Aangewezen op A1- of A2-lijst * Art. 45-49a Comptabiliteitswet 2001 * Regeling rekening-courant- en leningenbeheer derden (Stcrt. 2007, 77 en 79) ja ja ja
           
UWV en SVB Sociale fondsen * Artt. 119 en 120 Wet financiering sociale verzekeringen * Regeling Wfsv (Stcrt. 2005, 242) ja ja nee
           
CVZ Sociale fondsen * Idem als UWV; ja ja nee
* Art. 39 en 40 Zorgverzekeringswet      
* Regeling zorgverzekering (Stcrt. 2005, 203)      
           
BLS-diensten (juridisch geen derden) ca. 40 aangewezen rijksdiensten Regeling Baten-lastendiensten 2007 (Stcrt. 2007, 42) ja ja ja
           
Gesubsidieerde derden met publieke voorschotten geen natuurlijke personen * Art. 24, lid 6 Comptabiliteitswet 2001 ja ja nee
* Regeling verlening voorschotten 2007 (Stcrt. 2007, 233)      
* specifieke subsidieregelingen;      
* Regeling rekening-courant- en leningenbeheer derden (Stcrt. 2007, 77 en 79)      
           
Derden (incidenteel) met publieke eigen middelen geen natuurlijke personen * Art. 24, lid 6 Comptabiliteitswet 2001 ja ja nee

Vrijwillig houdt in dat in het algemeen de betrokken rechtspersoon bij het Ministerie van Financiën te kennen geeft deel te willen nemen aan het geïntegreerd middelenbeheer, waarna, indien de Minister van Financiën daarmee instemt, de betrokken rechtspersoon op de A2-lijst wordt geplaatst. Vanaf dat moment is deelname verplicht tot aan het moment waarop in overleg wordt besloten tot intrekking van die plaatsing.

Betreft de volgende wetten: Wet op het primair onderwijs, Wet op het voortgezet onderwijs, Wet op de expertisecentra, Wet educatie en beroepsonderwijs, Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

Per 24-12-2008 is de naam van de Stichting Het Gebaar gewijzigd in: Stichting Afwikkeling Het Gebaar.

De aanwijzing heeft concreet betrekking op het organisatie-onderdeel zonder rechtspersoonlijkheid: Innovam Branchekwalificatie-instituut.


E-overheid bouwt mee aan betere dienstverlening met minder regeldruk

Overheid.nl werkt samen met: Antwoord voor bedrijven | Postbus 51

Advertenties

Reacties zijn gesloten.