Purmerend:
Breaking News van uit Jeugdzorg Purmerend:

Dhr. xxx Teammanager BJAA heeft namens de directie van Bureau Jeugdzorg een brief laten uitgaan. We vragen dan aan de Teammanager, zonder nog even inhoudelijk op de brief in te gaan of hij volledig achter de waarheid staat.

Ministerie van Justitie

T.a.v. de minister

De heer Dr. E.M.H. Hirsch Ballin

Postbus 20301

2500 EH Den Haag

Amsterdam, 20 december 2008

Betreft: reactie NVJ en Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren op conceptwetsvoorstel bronbescherming

Geachte heer Hirsch Ballin,

Hierbij reageren wij op uw brief van 3 november jl. waarin u ons het conceptwetsvoorstel ter consultatie voorlegt inzake een wettelijke regeling van het recht op bronbescherming bij vrije nieuwsgaring.

In ons commentaar willen wij ons beperken tot de hoofdlijnen van uw wetsvoorstel en daarbij behorende memorie van toelichting.

Het wetsvoorstel geeft een erkenning voor de bijzondere positie, die de beroepsgroep in de meest brede zin van het woord verdient. Daarbij hebben wij met instemming kennisgenomen van uw poging om onze eerdere aanbevelingen in de wettekst een plaats te geven. Toch zien wij zeker nog een aantal zaken, die wij liever in een andere vorm in de wettekst zouden zien opgenomen.

Drie hoofdlijnen zijn in onze visie in het wetsartikel en bijbehorende memorie van toelichting aan de orde:

 

Definitie-kwestie: Het feit dat u hebt willen aansluiten bij ons pleidooi om niet tot een nauwe definitie te komen van journalistiek werk, onderschrijven wij van harte. De omschrijving in het eerste lid van artikel 218a geeft een brede beschermingsgrond, die in onze ogen een goed uitgangspunt geeft voor de groep van personen, die redelijkerwijs voor een verschoningsrecht in aanmerking dienen te komen. Feitelijk gaat het niet alleen om beroepsmatig actieven, maar ook om anderen, wanneer deze deelnemen aan het publieke debat of betrokken zijn bij beroepsmatige berichtgeving of informatievergaring.

In de memorie van toelichting echter (pagina 9) wordt ons inziens onterecht een verband gelegd met de “beroepsethische” normen, die samen zouden hangen met het predikaat “beroepsmatig”. Juist omdat de journalistiek een vrij beroep betreft, waarvoor geen vastgelegde (ethische) toetredingseisen gelden, vinden wij de op pagina 9 gelegde koppeling met een aantal opgesomde normen ongelukkig.

Bovendien zijn ethische journalistieke normen per definitie dynamisch en dus niet in een aantal harde regels te vatten.

Om een koppeling met ethiek te voorkomen en toch aan een rechter in geval van twijfel houvast te kunnen bieden zou eerder gesproken kunnen worden van “beroepskenmerken”, waarbij de invulling gerust aan de rechter kan worden overgelaten. Overigens is ook de opsomming van voorbeelden van kenmerken in zoverre ongelukkig, dat het daar genoemde “recht op weerwoord” in onze visie volstrekt geen algemeen aanvaard kenmerk van het beroep betreft. Bij sommige vormen van de journalistiek is wederhoor een algemeen aanvaard beginsel, doch er bestaan ook journalistieke vormen (bijvoorbeeld opinie), waarbij dit niet aan de orde hoeft te zijn. Bovendien is er nooit sprake van een recht op weerwoord, dat eerder duidt op het droit de réponse, zoals dat bijvoorbeeld in het Belgische recht geldt, doch zeker niet in Nederland.

De verwijzing naar de Raad voor de Journalistiek en de opnieuw op pagina 10 genoemde koppeling van een beroep op bronbescherming aan en toetsing aan de beroepsethische normen, zien wij dan ook opnieuw graag geschrapt. (ook een in ethisch opzicht minder zorgvuldige publicatie zou een beroep op bronbescherming niet moeten kunnen uitsluiten. Voor de gehanteerde zorgvuldigheid geldt een ander toetsingskader, bijvoorbeeld dat van een onrechtmatige publicatie.

Concluderend op dit punt zouden wij u willen meegeven dat de toelichting op het wetsvoorstel juist op het punt van de definitie een nogal dubbele boodschap geeft:

enerzijds de erkenning in de bovenste paragraaf van pag. 8 dat het niet aan de rechter is om een oordeel uit te spreken over de door de journalist/publicist gehanteerde technieken en vervolgens ook erkennend dat er geen breed erkende vaststaande ethische regels bestaan in de journalistiek, om vervolgens op pagina 9 en 10 toch weer enige betekenis te verbinden aan de ethische regels bij de beoordeling van de vraag wie zich op bronbescherming kan beroepen. Maar ook daar wordt gekozen voor de conclusie:“doorslaggevend is dat met berichtgeving openbaarmaking in ruimere kring is beoogd” . Wij houden ons dus vast aan deze conclusie dat het hanteren van ethische regels geen doorslaggevende betekenis heeft, maar zouden dat graag eenduidiger in de memorie verwoord zien.

In dat verband zouden wij willen aanbevelen om u tot de algemene uitgangspunten, die het EHRM hanteert (pag. 8 bovenaan) te beperken; “a manner consistent with its obligations and responsibilities to impart information and ideas on all matters of public interests”.

Reikwijdte van het wetsartikel ten opzichte van andere wetgeving: In het wetsartikel en memorie ontbreekt in onze ogen een duidelijke koppeling met de verderstrekkende doorwerking van het nieuwe wetsartikel naar verwante inbreuken op de bronbescherming. Daarmee doelen wij op alle handelingen van de zijde van de overheid, die effectief het doorbreken van de bronbescherming tot resultaat hebben. Alhoewel op pagina 17 van de memorie hier wel op wordt gewezen (actief of passief meewerken aan strafrechtelijk onderzoek), zou een meer concrete koppeling naar relevante wetgeving op dit gebied zeker gewenst zijn. In ons gesprek in januari noemden wij in dat verband een aantal voorbeelden, zoals telefoon- of computertaps, (dataretentie), invallen bij redactieburelen en inbeslagname van journalistiek (bronnen)materiaal. In de Belgische wet is er voor gekozen deze voorbeelden expliciet in de wet op te nemen. In uw wetsvoorstel zouden op zijn minst in de memorie de relevante voorbeelden genoemd kunnen worden.

Uitzonderingsgronden in het kader van de erkenning dat het recht op bronbescherming geen absoluut karakter heeft:  U constateert in de memorie bij het wetsvoorstel terecht dat ook de beroepsgroep accepteert dat bronbescherming geen absoluut recht betreft. Opheffing van dit recht kan in onze visie echter slechts in zeer uitzonderlijke gevallen, ter voorkoming van ernstige misdrijven aan de orde zijn. Vervolgens constateert u ons inziens ten onrechte dat voornoemde formulering, die ook in de Belgische en Duitse wet staat opgenomen, niet in een Nederlandse wet zou kunnen worden opgenomen en dat wij -althans de NVJ- dit ook niet zouden ambiëren. (pagina 12 MvT) Een wettelijke omschrijving van de grens van het beschermingsbeginsel is heel wel mogelijk en zouden wij dan ook krachtiger en duidelijker vinden dan de nu gekozen formulering in het tweede lid van art. 218a. Uw redenering dat bij ernstige vergrijpen het verval van het beschermingsrecht aan de orde zou zijn, ook als deze vergrijpen reeds gepasseerd zijn, onderschrijven wij niet. Voor zover deze vergrijpen nog gaande zijn (voortdurende kaping of gijzeling) volgen wij uw redenering wel, doch deze zou wat ons betreft in de MvT onder de formulering “voorkomen van (voortduren van) ernstige delicten” kunnen vallen. Een alternatief zou kunnen zijn: “het voorkomen van ernstig onrecht” waaronder logischerwijs ook voortdurende ernstige delicten vallen.

Tot zover onze opmerkingen. Wij houden ons uiteraard gaarne beschikbaar voor een nadere toelichting, mocht hieraan behoefte zijn.

Met vriendelijke groet,

mr. Thomas Bruning                                         Arendo Joustra

algemeen secretaris NVJ                                 Voorzitter Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren

Advertenties

Reacties zijn gesloten.