Rentray verzuimt medicaties oorzaak Moeder moord.

Hoe is het mogelijk dat Bureau Jeugdzorg na schuldig bevonden te zijn aan 60 jaar misbruik van kinderen nog steeds macht blijft houden over kinderen gezinnen?

Vervolg Brief aan Minister Opstelten

14 augustus 2013

Geachte Minister Opstelten,

In mijn vorige brief ging ik er ten onrechte vanuit dat u spontaan uw excuses had aangeboden, bij wijze van hand in eigen boezem steken naar aanleiding van de onderzoeksresultaten  van de Commissie Samson, en was ik verontwaardigd dat uw excuses van 29 oktober 2012 over 60 jaar structureel misbruik van kinderen die onder verantwoordelijkheid van de regering door bureau jeugdzorg uit huis geplaatst waren halfslachtig en  zonder gevolgen waren[1]

Maar later las ik dat uw excuses helemaal geen spontane uiting van schaamte waren[2]

Terwijl wij allemaal opgejaagd en  afgemat afkeuring, boetes, onder toezichtstelling en uithuisplaatsing van onze kinderen vrezend ons aan de meest pietluttige regels houdend in bochten lopen te wringen om onze kinderen de best mogelijke scholing te geven, was alles wat er gevraagd werd van de regering na onweerlegbaar bewezen was dat het 60 jaar seksueel misbruik van door haar met dwang uit huis geplaatste  kinderen door bureau jeugdzorg gefaciliteerd had ,excuses van u? Dat was wat Rieke Samson een passende strafmaatregel vond voor het geweld wat deze kinderen aan gedaan is, het leed wat deze gezinnen aangedaan is, de onnodig vernielde levens, de ten onrechte uit elkaar gerukte gezinnen?

En zelfs die wilde u niet meteen geven?

Laten we het even op een rijtje zetten, want het begint me te duizelen:

In haar maidenspeech voor de eerste kamer 8 december 2007 had mr. dr. A.W. Duthler (VVD) al het structurele misbruik van door bureau jeugdzorg uit huisgeplaatste kinderen  in de pleeggezinnen waar ze werden geplaatst  aangekaart [3]

16 juli  2010 is de Commissie Samson in het leven geroepen om het misbruik van  door bureau jeugdzorg in opdracht van de overheid onder dwang uit huis geplaatste kinderen te onderzoeken.

Daar zaten in:

Mevrouw mr. H.W. (Rieke) Samson-Geerlings – voorzitter [4] voormalig procureur-generaal. Binnen de commissie was Rieke Samson de deskundige op het terrein van de strafrechtelijke consequenties van seksueel misbruik van kinderen.

Prof. dr. H.E.M. (Herman) Baartman [5] Hij is lid van de Raad van Toezicht van de Stichting Bureaus Jeugdzorg Haaglanden/Zuid-Holland, bestuurslid van de Stichting Voorkoming van Kindermishandeling en adviseur van de Augeo Foundation.

Binnen de commissie was hij de specialist op het gebied van preventie en hulpverlening inzake kindermishandeling..

Mevrouw prof. dr. mr. C.C.J.H. (Catrien) Bijleveld [6]Commissielid Catrien Bijleveld is hoogleraar methoden en technieken van criminologisch onderzoek aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Binnen de commissie was Catrien Bijleveld de deskundige ten aanzien van methodologische en criminologische vraagstukken.

Mevrouw dr. S. (Sietske) Dijkstra [7]lector hogeschool Avans Breda; Commissielid Sietske Dijkstra is lector ‘huiselijk geweld en hulpverlening in de keten’ aan de Hogeschool Avans. Daarnaast leidt ze sinds 1998 haar bureau Dijkstra, toegespitst op geweld in relaties en de rol van professionals daarbij. Met tal van samenwerkingspartners voert ze praktijkgericht onderzoek uit en richt ze zich op scholing en advisering..

Sietske Dijkstra was binnen de commissie de specialist om de gevolgen van seksueel misbruik op de verdere ontwikkeling van het slachtoffer goed te kunnen begrijpen.

De heer prof. dr. J. (Jan) Hendriks [8]professor jeugd criminologie. werkt sinds 2000 bij het centrum voor ambulante forensische psychiatrie De Waag in Den Haag. Hier is hij werkzaam als klinisch psycholoog en behandelt hij jeugdige en volwassen daders van seksuele delicten. Daarnaast is Jan Hendriks adviseur bij de Jeugdzorg Plus instelling Avenier. Commissielid Jan Hendriks is bijzonder hoogleraar forensische psychiatrie en psychologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam, en bijzonder hoogleraar forensische orthopedagogische diagnostiek en behandeling aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is gepromoveerd op het onderwerp: jeugdige zedendelinquenten: subtypen en recidive.

Sinds 1993 publiceert Jan Hendriks over jeugdcriminaliteit en vooral jeugdige zedendelinquenten. In het kader van deze onderzoeken heeft hij ook verschillende artikelen over meisjescriminaliteit gepubliceerd.

Jan Hendriks werkt sinds 2000 bij het centrum voor ambulante forensische psychiatrie De Waag in Den Haag. Hier is hij werkzaam als klinisch psycholoog en behandelt hij jeugdige en volwassen daders van seksuele delicten. Daarnaast is Jan Hendriks adviseur bij de JeugdzorgPlus instelling Avenier.

Binnen de commissie was Jan Hendriks de deskundige op het gebied forensische psychiatrie,  psychologie en orthopedagogiek en met name op het gebied van (jeugdige) zedendelinquenten.

Prof.dr. G.D. (Goos) Minderman  [9]Commissielid Goos Minderman is hoogleraar Public Governance aan de Faculteit der Economische Wetenschappen en Bedrijfskunde van de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij is directeur van het Jelle Zijlstra Center voor Public Control and  Governance waarbij zijn aandachtsgebied is gericht op bestuurlijke ontwikkelingen in het Nederlandse middenveld van non-profitorganisaties, tegen de achtergrond van de internationale governancetheorieën. Na een loopbaan bij de ministeries van Financiën en OCW, stapte hij in 1998 over naar de Vrije Universiteit. In 2000 promoveerde hij te Utrecht op een dissertatie, getiteld: ‘Tweede Kamer en Rijksfinanciën, een studie naar parlementaire sturing van rijksfinanciën’.

Goos Minderman maakt in 2006-2007 deel uit van de Eerste Kamer voor GroenLinks. Van 2007 tot 2009 was hij lid van de Raad van Toezicht van Stichting Rentray (Jeugdzorg). Hij is voorzitter van de monitoringscommissie governancecode voor woningbouwcorpraties, voorzitter van de geschillencommissie governance in het MBO, lid van het presidium van Conference of European Churches (Genève/Brussel) en lid van de Raad van Toezicht van het Westfriesgasthuis te Hoorn. Minderman is al vele jaren gastdocent public governance en openbare financien bij de Universiteit Leiden/Campus Den Haag, stuurgroeplid van het Sarphati Network for Public Leadership in Stellenbosch (Zuid-Afrika) en member of the advisory boerd van het Center for Executive Leadership van Rutgers University (New Jersey, USA).

Binnen de commissie is Goos Minderman de deskundige om de toezichthoudende taak van de overheidsorganisaties te kunnen beoordelen.[10]

Veel commissieleden waren gespecialiseerd in zedendelicten door jongeren, en degenen in de commissie die in zedendelicten tegen jongeren waren gespecialiseerd waren verbonden aan bureau jeugdzorg.

Het zal dus wel erg onverwacht zijn geweest dat dit niet echt op zedendelicten tegen kinderen en al helemaal niet op bureau jeugdzorg aanpakken gericht lijkende team toch tot de conclusie kwam dat kinderen 60 jaar structureel misbruikt waren onder verantwoordelijkheid van bureau jeugdzorg.

Mevrouw Samson heeft dan ook de conclusies geschrapt, met de woorden dat het niet aan de onderzoekers was conclusies te formuleren, maar dat ze alleen het onderzoek moesten doen. En dat bureau jeugdzorg niet in een hoekje moest kruipen, want wat moest er dan met al die kinderen gebeuren?[11]

Dus onze meester in de rechten was als laagst geschoolde minst deskundige op het gebied van onderzoek van het hele team, bijzonder hoogleraren aan het vertellen dat het niet aan hun was conclusies over hun eigen onderzoek te formuleren!

Iedereen die iets weet van wetenschappers en wetenschappelijk onderzoek weet ook dat het ongehoord is om aan conclusies van wetenschappers te komen. Dat doen hoger gekwalificeerde onderzoekers niet eens bij lager gekwalificeerde onderzoekers. Bij wetenschappers pur sang gaat de waarheid boven alles.

De onderzoekers waren dus woedend op  mw Samson.

Maar verandert dat iets? Welnee. En mevrouw Samson kan tevreden zijn Bureau jeugdzorg is inderdaad bepaald niet in een hoekje gaan zitten. In tegendeel.

Sinds de grondig onderzochte en bewezen feiten over de blind op frauderende scholen varende, blunderende, kindermisbruik faciliterende, zonder waarheidsvinding kinderen uit huis plaatsende bureau jeugdzorg naar buiten zijn gekomen, en onomstotelijk bewezen  is dat een kind in een pleeggezin twee en een half keer meer kans heeft om misbruikt te worden, is  bureau jeugdzorg alleen maar machtiger geworden, en de dreiging van uithuisplaatsing van kinderen alleen maar groter, omdat, tegen alle verontrustende cijfers in, scholen vanaf 2014 direct gaan samenwerken met jeugdzorg! Dan is er niet eens meer een handtekening van de ouders nodig voor een zorgtraject![12]

O ja, en laten we het ook nog even over de geldbedragen hebben die ermee gemoeid zijn

Onder toezicht stelling levert bureau jeugdzorg €50.000,- per jaar op. Uit huis plaatsing €80000,-! Wat gebeurt er met dat geld? Naar zorg gaat dat geld niet, ook niet naar onderzoek.

Ze maken indicatiebesluiten over kinderen die ze niet zien.Straks wordt het ook nog verboden om externe deskundigen in te schakelen! Onafhankelijke klachtencommissies zijn er ook niet. Het wordt ouders verboden  hun kinderen te zien. Ouders wie niets mankeert, want aan waarheidsvinding wordt niet gedaan. Ouders die hun kinderen terug willen worden als niet meewerkend gezien en mogen hun kinderen helemaal niet meer zien!

Waarom horen we hier niets over? Omdat ouders die dit meemaken zelfs door kinderrechters worden gechanteerd met dat ze als ze de publiciteit opzoeken en bekend maken wat hen overkomt ze hun kinderen nooit meer mogen zien.[13]

Bureau jeugdzorg maakt flink gebruik van het stilzwijgen van de overheid, [14]Er zijn meer uithuisplaatsingen en ondertoezichtstellingen dan ooit.[15]

En Rieke Samson zelf? Die is ook niet bepaald  in een hoekje gaan zitten. Zij is sinds januari 2013 aangesteld ALS NEDERLANDS LID BIJ DE EUROPESE COMMISSIE TEGEN RASICME EN INTOLERANTIE (ECRI) VAN DE RAAD VAN EUROPA. [16]

Wie zitten weer in het verdomhoekje?

Ouders, die hun kinderen thuisonderwijs willen geven, of ze naar door de onderwijsinspectie in de zin van de leerplicht  afgekeurde scholen laten gaan[17]

Waarom geldt bij het afkeuren van die scholen, wat nog steeds achter elkaar gebeurt,  niet het argument van Rieke Samson wat ze gebruikte om bureau jeugdzorg niet aan te pakken, namelijk wat er anders met die kinderen moet?

Want in tegenstelling tot bureau jeugdzorg misbruiken deze scholen kinderen niet. En in tegenstelling tot wat het geval is bij bureau jeugdzorg zijn de ouders en kinderen er blij mee en zijn de leeropbrengsten prima, alleen is de visie van de scholen niet wat de overheid goed vindt, want er is geen sprake van dwang.

Dus dwang is het criterium? En daarom is kindermisbruik van jeugdzorg minder ernstig dan scholen die kinderen respecteren, want bij kindermisbruik is tenminste sprake van dwang?

Scholen, die alleen maar goed onderwijs aan kinderen willen geven. Dat vindt iedereen prima, als die in een hoekje zitten. [18] Jasper van Dijk stelt kamervragen over de Steve Jobsschool, [19]maar de kamervragen over de grootscheepse door de overheid gefaciliteerde voortdurende kindermishandeling blijven uit.

Nee, mevrouw Samson heeft juist een precedent geschapen met onderzoeken negeren., of moet ik zeggen dat ze het nieuw leven heeft ingeblazen.?

Want het onderzoeken negeren is wel een rode draad in het Nederlandse beleid, vooral als het om kinderen gaat. Het Kohnstamm instituut wees in 2002 al uit dat Thuisonderwezen kinderen op alle fronten voorliepen op hun schoolgaande leeftijdgenoten, zowel intellectueel als sociaal emotioneel[20] Sindsdien heeft Nederland thuisonderwijs alleen lastiger gemaakt.

De Kinderombudsman raadt naar aanleiding van uitgebreid onderzoek ontschotting van de gelden en versoepeling van de gelden aan, wat wil Sander Dekker? Thuisonderwijs verbieden.[21]

En ook in het verdomhoekje zitten natuurlijk, helemaal op zijn Nederlands, de mishandelde kinderen zelf, die“een zware categorie jongeren”[22]genoemd worden, en zo nog eens een keer worden nagetrapt.

En de helden, de klokkenluiders, die ondanks de dreigingen van kinderrechters dat als ze iets zouden zeggen van wat ze overkwam ze hun kinderen nooit meer zouden mogen zien naar buiten zijn gekomen met hun verhaal. Waarom? Omdat ze hoopten op het moment dat het bewezen zou worden. Ze hoopten op u. Op eerherstel. Op een beloning van rechtvaardigheid, dat als het maar bekend zou worden gerechtigheid zou wederkeren en Nederland een veilig land zou worden voor kinderen en gezinnen.

Ze zullen wel gefantaseerd hebben over hoe deze misdadigers berecht zouden worden en zij zelf weer vrij zouden zijn Over hoe ondanks dat hun leven zich in een schaduw had afgespeeld, het voor hun kinderen en kleinkinderen beter zou zijn.

En wat kregen ze?

Een halfslachtig, afgedwongen, consequentieloos,”sorry”van u, de Minister van Justitie, en alles bleef bij het oude. Een overheid die kamelen doorslikt en muggen zift.Criminelen op hoge plekken met hoge salarissen, zij weer bloggend en verguisd achter de computer, leugenachtige dossiers corrigerend, voor het zoveelste jaar op rij niet op vakantie kunnend, omdat ze een overheid hebben die hun kind af probeert te pakken voor een flinke duit. En verliezend al winnen ze, want als ze niet vechten wordt hun kind afgepakt, en de tijd die ze wel vechten kunnen ze niet de leuke dingen als gezin doen die niet belaagden wel kunnen, en gaat alsnog de jeugd van hun kinderen voorbij zonder een zorgeloos moment.

Waarom is Nederland zo walgelijk?

In België zijn het de kindermisbruikers die monsters worden genoemd, niet de misbruikte kinderen zelf.

In België is er ontsteltenis over 1 crimineel die een aantal meisjes heeft misbruikt en vermoord.

Nederland blijft kindermisbruik faciliteren op grote schaal!

In België worden misbruikers gestraft en is er verontwaardiging als er iemand die kinderen misbruikt heeft vrij dreigt te komen.

In Nederland blijven ze de verantwoordelijkheid over kinderen die met geweld worden weggehaald bij hun eigen ouders houden.

De steeds voortschrijdende afname van macht van ouders en echte deskundigen gaat niet alleen lijnrecht  in tegen de UVRM , maar ook lijnrecht tegen wetenschappelijke bevindingen in.

Als overheid hoort uw prioriteit  niet te liggen bij misdadigers beschermen, maar bij weerloze kinderen en hardwerkende gezinnen. ondersteunen

U, als overheid heeft zich tegen ons gekeerd.

Ik denk dat ik al weet wat er aan de hand is.

Volgens mij wordt er een groot geloof gehecht aan wat de kinderverkrachters zeggen over de kinderen die ze misbruiken, en worden deze kinderen afgeschilderd als hopeloze gevallen die anders nergens terechtkunnen.

Maar kindermisbruikers zijn leugenaars, dus u moet zeker niet geloven wat ze over hun slachtoffers zeggen. Natuurlijk zullen ze die zo zwart mogelijk afschilderen. Zo winnen ze de sympathie van mensen als Rieke Samson

U moest eens weten wat louche scholen allemaal voor onzin uitkramen over kinderen om maar hun handen op die subsidiegelden te krijgen, ongecontroleerd geld. €4800, -per jaar krijgen ze voor een kind zonder zorg indicatie, en dat kan oplopen tot €20000, – voor kinderen met indicatie. Daar wil zelfs een van nature best rechtschapene leerkracht wel een leugentje voor vertellen.

En aangezien dit geld voor elk zorgtraject wordt gegeven, behalve voor hoogbegaafdheid, zijn het dus vooral hoogbegaafde kinderen die dit overkomt. Dus hoezo “zware gevallen”? We hebben het over lieve, begaafde kinderen met toegewijde ouders die met leugens zwartgemaakt zijn  en door de overheid met geweld bij hun ouders weggerukt zijn en vervolgens  misbruikt zijn door de pleeggezinnen waar ze geplaatst zijn!

Nee, natuurlijk niet uw kinderen. Maar stel dat u niet op uw 28ste al burgemeester was geworden. Stel uw leven was net wat anders gelopen, maar u had wel dezelfde vrouw en dezelfde 4 dochters. Dan was het u misschien wel overkomen dat een directrice van een school uw kinderen als manier om haar vakantie naar Ibiza te bekostigen had gezien, en ze daarom allerlei valse zorgtrajecten in had geduwd, waardoor er een rot dossier was gekomen, jeugdzorg om de hoek was komen kijken, uw dochters gedwongen uit huis had geplaatst, en uw dochters waren misbruikt.

Misschien had u dan wel dag en nacht gewerkt om dit alles aan het licht te brengen.

Hoe had u het dan gevonden, als de leidster van het onderzoek  de conclusies eerst had verdoezeld, en vervolgens de minister van justitie een halfbakken sorry genoeg had gevonden als compensatie voor uw om  geldzucht van een stel misbaksels  vernielde leven en verbrijzelde gezin?

Laat ik u eens iets vertellen waar u misschien nooit bij stil gestaan heeft.

Onderzoek op onderzoek bevestigt dat ouders goed voor kinderen zijn, en dat  in de nabijheid van de primaire verzorgers  opgroeien van het allergrootste belang is voor alle kinderen, niet alleen die van u. Sterker nog, er zijn bewijzen van de positieve invloeden die het heeft op de hersenontwikkeling als kinderen dichtbij de ouders opgroeien en bewezen negatieve invloeden op de hersenen als kinderen weg van de ouders opgroeien.[23]

Dus al waren de kinderen niet ook nog eens misbruikt bij de adressen die u als overheid beter geschikt vond dan de eigen ouders van deze kinderen, dan nog was het uit huis plaatsen alleen al schadelijk voor ze geweest.

Wees dus alstublieft een beetje consequent.

Het blijft vreemd dat Rieke  Samson, ook nadat  duidelijk was hoe ernstig fout bureau jeugdzorg is, niet overweegt kinderen gewoon bij hun ouders te laten blijven. Maar ze heeft wel degelijk vele maatregelen aangeraden die genomen zouden moeten worden tegen bureau jeugdzorg. (Zie bijlage 1) Waarom staan daar de kranten niet vol mee, maar blijven goedwillende ouders en scholen nog steeds wel negatief in het nieuws komen?

Als u zo vergevingsgezind en mild bent naar misdadigers, wees dat dan ook naar kinderen en gezinnen en naar scholen wiens visie u niet deelt omdat ze geen dwang op kinderen uitoefenen. Laat kinderen alstublieft gewoon bij hun ouders opgroeien, en laat ouders gewoon zelf bepalen wat voor onderwijs ze hun kinderen geven. En laat zorg en ook scholing op vraag van mensen zelf zijn,en niet opgedrongen worden door derden. Kortom, als u criminelen vrij laat, laat ons dat dan ook.[24] Alstublieft

Vriendelijke groeten,

Anna de Geus-de Heer



[4]Mevrouw mr. H.W. (Rieke) Samson-Geerlings – voorzitter voormalig procureur-generaal, tevens voorzitter; Rieke Samson heeft verschillende nevenfuncties vervuld. Binnen het Openbaar Ministerie was zij voorzitter van de adviserende Landelijke Selectiecommissie Opsporingsberichtgeving en voorzitter van de werkgroep aanpak zware milieucriminaliteit. Voorts was zij van april 1996 tot januari 1999 bestuurslid van de Otto Gerhard Heldringstichting te Zetten en de Dr. Wouter Laurensstichting “De Dreef” te Wapenveld. Ook was zij voorzitter van de Commissie seksuele intimidatie Justitie.

Binnen de commissie is Rieke Samson de deskundige op het terrein van de strafrechtelijke consequenties van seksueel misbruik van kinderen.

[5] Prof. dr. H.E.M. (Herman) Baartman Prof. dr. H.E.M. (Herman) Baartman

Commissielid Herman Baartman  studeerde van 1967 tot 1972 ontwikkelingspsychologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Van 1972 tot 2005  was hij werkzaam bij de afdeling Orthopedagogiek aan dezelfde universiteit. Hij promoveerde in 1983 op een proefschrift over psychotische kinderen.  Van 1988 tot 2005 bekleedde hij de bijzondere leerstoel  ‘preventie en hulpverlening inzake kindermishandeling’. En van 2000 tot 2005 was hij directeur van het Amsterdams Centrum voor Kinderstudies, een interfacultair samenwerkingsverband tussen onderzoekers aan de VU  die onderzoek doen naar uiteenlopende vraagstukken inzake ontwikkeling en opvoeding. In 2005 ging hij met vervroegd pensioen.

Hij is lid van de Raad van Toezicht van de Stichting Bureaus Jeugdzorg Haaglanden/Zuid-Holland, bestuurslid van de Stichting Voorkoming van Kindermishandeling en adviseur van de Augeo Foundation.

Zijn deskundigheid betreft onder meer geweld tegen en verwaarlozing en seksueel misbruik van kinderen, multi-problem gezinnen, ouderschap en jeugdzorgbeleid.

Binnen de commissie was hij de specialist op het gebied van preventie en hulpverlening inzake kindermishandeling.

[6] Mevrouw prof. dr. mr. C.C.J.H. (Catrien) Bijleveld hoogleraar criminologie aan de Vrije Universiteit; Commissielid Catrien Bijleveld is hoogleraar methoden en technieken van criminologisch onderzoek aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Zij werkt verder als senior onderzoeker bij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR). Haar loopbaan speelt zich af in het wetenschappelijk onderzoek. In 1986 studeerde zij cum laude af in methoden en technieken van sociaal wetenschappelijk onderzoek. In 1989 promoveerde zij op de analyse van categorische tijdreeksen. In 2002 studeerde zij cum laude af in de rechtsgeleerdheid aan de Universiteit Leiden.

Catrien Bijleveld is deskundig op het gebied van methoden en technieken van criminologisch onderzoek en criminele carrières, met name van zedendelinquenten en vrouwen.

Binnen de commissie was Catrien Bijleveld de deskundige ten aanzien van methodologische en criminologische vraagstukken.

[7] Mevrouw dr. S. (Sietske) Dijkstra lector hogeschool Avans Breda; Commissielid Sietske Dijkstra is lector ‘huiselijk geweld en hulpverlening in de keten’ aan de Hogeschool Avans. Daarnaast leidt ze sinds 1998 haar bureau Dijkstra, toegespitst op geweld in relaties en de rol van professionals daarbij. Met tal van samenwerkingspartners voert ze praktijkgericht onderzoek uit en richt ze zich op scholing en advisering.

Van 1991 tot 2000 was zij werkzaam bij de Universiteit Utrecht als onderzoeker en docent. In 2000 promoveerde zij op de biografische studie ‘Met vallen en opstaan, een onderzoek naar de invloed van geweld in de kindertijd op het latere relationele leven van vrouwen en mannen’.

Sietske Dijkstra was binnen de commissie de specialist om de gevolgen van seksueel misbruik op de verdere ontwikkeling van het slachtoffer goed te kunnen begrijpen.

[8] De heer prof. dr. J. (Jan) Hendriks professor jeugd criminologie. werkt sinds 2000 bij het centrum voor ambulante forensische psychiatrie De Waag in Den Haag. Hier is hij werkzaam als klinisch psycholoog en behandelt hij jeugdige en volwassen daders van seksuele delicten. Daarnaast is Jan Hendriks adviseur bij de Jeugdzorg Plus instelling Avenier. Commissielid Jan Hendriks is bijzonder hoogleraar forensische psychiatrie en psychologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam, en bijzonder hoogleraar forensische orthopedagogische diagnostiek en behandeling aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is gepromoveerd op het onderwerp: jeugdige zedendelinquenten: subtypen en recidive.

Sinds 1993 publiceert Jan Hendriks over jeugdcriminaliteit en vooral jeugdige zedendelinquenten. In het kader van deze onderzoeken heeft hij ook verschillende artikelen over meisjescriminaliteit gepubliceerd.

[9] Prof.dr. G.D. (Goos) Minderman  Commissielid Goos Minderman is hoogleraar Public Governance aan de Faculteit der Economische Wetenschappen en Bedrijfskunde van de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij is directeur van het Jelle Zijlstra Center voor Public Control and  Governance waarbij zijn aandachtsgebied is gericht op bestuurlijke ontwikkelingen in het Nederlandse middenveld van non-profitorganisaties, tegen de achtergrond van de internationale governancetheorieën. Na een loopbaan bij de ministeries van Financiën en OCW, stapte hij in 1998 over naar de Vrije Universiteit. In 2000 promoveerde hij te Utrecht op een dissertatie, getiteld: ‘Tweede Kamer en Rijksfinanciën, een studie naar parlementaire sturing van rijksfinanciën’.

Goos Minderman maakt in 2006-2007 deel uit van de Eerste Kamer voor GroenLinks. Van 2007 tot 2009 was hij lid van de Raad van Toezicht van Stichting Rentray (Jeugdzorg). Hij is voorzitter van de monitoringscommissie governancecode voor woningbouwcorpraties, voorzitter van de geschillencommissie governance in het MBO, lid van het presidium van Conference of European Churches (Genève/Brussel) en lid van de Raad van Toezicht van het Westfriesgasthuis te Hoorn. Minderman is al vele jaren gastdocent public governance en openbare financien bij de Universiteit Leiden/Campus Den Haag, stuurgroeplid van het Sarphati Network for Public Leadership in Stellenbosch (Zuid-Afrika) en member of the advisory boerd van het Center for Executive Leadership van Rutgers University (New Jersey, USA).

Binnen de commissie is Goos Minderman de deskundige om de toezichthoudende taak van de overheidsorganisaties te kunnen beoordelen.[9]

[13]John Taylor, leraar van het jaar die gestopt is met lesgeven omdat hij kinderen niet meer wilde beschadigen, vertelt wat de geschiedenis van het huidige schoolsysteem , en dat het bewust bedoeld is om mensen te verzwakken.. http://www.visionair.nl/wetenschap/john-taylor-gatto-de-waarheid-over-ons-onderwijssysteem/

[15] http://dokument.ncrv.nl/ncrvgemist/11-3-2013/ncrv-dokument-gezinsvoogd Oorverdovend-stil-rond-misbruik.dhtml?utm_source=RSSReader&utm_medium=RSS

[24]Veel kinderen die alleen maar een andere vorm van onderwijs nodig hebben juist omdat ze hoogbegaafd zijn. Ze zijn dus geen zware gevallen, ze zijn juist hoogsensitief en hoogbegaafd.schoolplicht is de voorportaal voor burau jeugdzorg Zie www.uvrm.wenst.nl en denk mee met de conceptpetitie vrijheid van onderwijs .

Bijlagen

I K.O.O.G. met alle geldbedragen en hun bronnen

II Rapport Commissie Samson http://www.commissiesamson.nl/documenten/index.aspx

III. Verantwoording commissie Samson http://www.commissiesamson.nl/documenten/index.aspx

IV Laatste bericht commissie Samson http://www.commissiesamson.nl/documenten/index.aspx

V Brief aan mw mr A.van der Plas

VI  Artikel Martin Vrijland over misstanden jeugdzorg:

Bijlage I

K.O.O.G (Kinder Optimale Ontwikkelings Garantie)

Kinder Optimale Ontwikkelings Garantie (K.O.O.G.): Voor vrijheid, veiligheid, kwaliteit en kosteloosheid van onderwijs:

Dat onderwijsvernieuwing nodig is in Nederland, is niet alleen duidelijk vanwege de 16500 thuiszitters, de 36250  vroegtijdige schoolverlaters en vanwege de vele misstanden in en rond het onderwijs, maar dat is ook al duidelijk als je kijkt naar de discrepanties in regelgeving die te zien zijn op de website van de Rijksoverheid.

Er zijn momenteel in Nederland vele onderwijsvernieuwingsbewegingen actief, maar echt iets veranderen is lastig, om niet te zeggen onmogelijk, zolang daar door de politiek geen ruimte voor wordt gemaakt.

Verschillende politici zeggen behoefte te hebben aan één geluid waar alle onderwijsvernieuwingsbewegingen achter staan zodat zij daar beleid van kunnen maken. Het rapport van kinderombudsman Marc Dullaert van 16 mei j.l. is hoopgevend ( zie http://www.dekinderombudsman.nl/ul/cms/fck-uploaded/KOM2.2013.OnderwijsThuiszitters.pdf.), maar het verleden bewijst dat feiten, onderzoeken, rapporten en aanbevelingen alleen niet genoeg zijn om beleid te veranderen, hoe vooraanstaand de onderzoekers ook zijn. De reactie van Sander Dekker laat dat ook weer zien. http://www.passendonderwijs.nl/nieuws/thuiszitters/ .

Hij baseert zijn mening op vooroordelen over thuisonderwijs alsof dat thuis zitten achter een boekje is , terwijl het juist de scholen zijn die kinderen opsluiten. Thuisonderwijs betekent erop uit kunnen gaan om je kind de plaatsten te laten zien waar hij over leert. En Sander Dekker kent blijkbaar ook het onderzoek van Dr Henk Blok van het Kohnstamm instituut niet, wat  uitwijst dat thuisonderwezen kinderen op alle fronten voorlopen op hun schoolonderwezen leeftijdgenoten, dus zowel intellectueel als sociaal emotioneel. http://www.kohnstamminstituut.uva.nl/pdf_documenten/effectiviteit.pdf

De vele strafzittingen tegen ouders die hun kinderen naar afgekeurde scholen hebben laten gaan nog steeds door, terwijl deze scholen als er gehoor zou worden gegeven aan het rapport van Marc Dullaert helemaal niet meer afgekeurd zouden mogen worden, en vaak zelfs volgens de huidige regels ten onrechte zijn afgekeurd

Pikant detail is dat Scholen waar kinderen van Europese Unie Ambtenaren naar toe gaan niet aan de absurde inspectie eisen hoeven te voldoen

http://www.onderwijsinspectie.nl/onderwijs/Internationaal+onderwijs/Europese+scholen

Het lijkt dus alsof de inspectie wordt gebruikt als middel om het volk eronder te houden, want de grootste angst van de Europese Unie is dat er een gewelddadige opstand zal komen.

Deze petitie is een poging tot dat ene geluid te komen waar de verschillende politici behoefte aan zeggen te hebben in de hoop dat de politiek eindelijk gehoor geeft aan de roep om verandering.

Het lijkt tegenstrijdig om achterom te kijken om vernieuwing te bewerkstelligen, maar het blijkt dat het een enorme vooruitgang zou betekenen als Nederland zich zou gaan houden aan de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en waar Nederland zich nog steeds aan zegt te houden, zoals te lezen is op de website van de Rijksoverheid (zie: http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/mensenrechten/vraag-en-antwoord/wat-is-de-universele-verklaring-van-de-rechten-van-de-mens.html)

Onze wens is dat de Nederlandse regering zich aan haar woord gaat houden,  en ook in het onderwijs zich houdt aan de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, zoals overeengekomen door alle landen van de Verenigde Naties op 10 december 1948.

Laat Nederland net als de rest van de wereld vrijheid van onderwijs krijgen, wat ondermeer betekent dat alle ouders met hun kind(eren) op elk moment vrijelijk mogen kiezen voor thuisonderwijs.

Laat Nederland daarnaast ook veiligheid, kwaliteit en kosteloosheid van onderwijs krijgen.

PETITIE

Wij

Iedereen die voor vrijheid, veiligheid, kwaliteit en kosteloosheid van onderwijs is, en iedereen die wil dat de fundamentele mensenrechten zoals opgesteld in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens in het onderwijs in Nederland worden gewaarborgd.

constateren

Dat de vrijheid,veiligheid, kwaliteit en kosteloosheid van onderwijs zoals die in artikel 26 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens beloofd is in het Nederlandse onderwijs ver te zoeken is, terwijl wel beweerd wordt dat Nederland zich houdt aan de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens zoals opgesteld in 1948. (zie http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/mensenrechten/vraag-en-antwoord/wat-is-de-universele-verklaring-van-de-rechten-van-de-mens.html). Tevens constateren wij dat de middelen en plannen er liggen om dit te verbeteren, maar als ze niet al door wetten die tegen de UVRM in gaan verboden worden, de ruimte die er al is in de wet om tot oplossingen te komen niet gebruikt kunnen worden vanwege interpretaties van die wetten  door de onderwijsinspectie (zie www.uvrm.wenst.nl hoofdstuk K.O.O.G.)

A.Punten waarop de vrijheid van onderwijs wordt aangetast zijn:

A.1.Schoolplicht: Nederland, Noord Korea ,Duitsland en sinds kort ook België zijn de enige vier landen ter wereld waar leerplicht gelijkgesteld wordt aan schoolplicht. Dit in zich is al een schending is van de fundamentele rechten van de mens, immers UVRM Artikel 20 lid 2  stelt “Niemand mag worden gedwongen om tot een vereniging te behoren.” Daarnaast worden zeer veel fundamentele mensenrechten op scholen geschonden.

A.2. Er kan niet op elk moment voor thuisonderwijs gekozen worden door kinderen met hun ouders, ook al is dit de beste en soms de enige optie voor het kind, omdat de wetten en bureaucratie die daarmee gemoeid zijn de keuze daarvoor schier onmogelijk maken, en zelfs mensen die deze mogelijkheid kiezen uit nood vaak gedwongen zijn het land uit te gaan als ze niet willen leven onder continue dreiging van onder toezichtstelling of uithuisplaatsing van kinderen door jeugdzorg. Zo’n 20.000 kinderen hebben we het dan over (http://www.antibjz.nl/page/articles.html/_/financieel-en-cijfers/19180-uithuisplaatsingen-tot-aan-eind-septembe-r1744)En dat terwijl onderzoek heeft uitgewezen dat thuisonderwezen kinderen op alle fronten voorlopen op hun schoolgaande leeftijdgenoten, zowel intellectueel als sociaal emotioneel. (Zie http://www.kohnstamminstituut.uva.nl/pdf_documenten/effectiviteit.pdf)

A.3. Scholen worden belemmerd in het naar eigen inzicht les geven, en scholen die dit toch doen worden door de inspectie gedwongen te veranderen zoals gebeurd is met de Tra, of worden afgekeurd als scholen in de zin van de leerplicht, zoals gebeurd is met de Koers en de Kampanje, en de schoolleiders gerechtelijk worden vervolgd, evenals de ouders van de kinderen die toch naar deze scholen blijven gaan, of per ongeluk ooit een dag zijn blijven gaan nadat de school niet meer als school erkend werd in de zin van de leerplicht (zie http://www.uvrm.wenst.nl hoofdstuk K.O.O.G)

A.4. Het op de basisschool al bepalen op welk niveau kinderen verder mogen en hier bindende adviezen over geven is naast zeer stressvol ook onrealistisch.Tests zijn daardoor  vaak meer klasse dan niveaubepalend . Bovendien is op zo’n jonge leeftijd al een bovengrens aangeven ook een vorm van kindermishandeling.Ook krijgen basisscholen hierdoor onevenredig veel macht. DIe bepalen nu immers welke vervolgopleiding een kind mag doen, en daarmee bepalen ze  de hele toekomst van een kind op een leeftijd  dat kinderen nig helemaal de mogelijkheid niet hebben gehad te ontdekken wat er allemaal in de wereld is, wat ze willen en wat ze kunnen.

B.Punten waarop de veiligheid van onderwijs wordt aangetast zijn:

B.1.De afwezigheid van toezicht op de terechtheid van zorgindicaties en de afwezigheid van toezicht op de besteding van de daartoe beschikbare gelden zet  de deuren naar corruptie wagen wijd open. (zie ook C.1) Dit zorgt voor groot leed bij kinderen en gezinnen.

B.2. Ouders van kinderen die buiten hun schuld om thuis komen te zitten worden vervolgd en school heeft de macht kinderen zonder medeweten van de ouders in zorgtrajecten te doen en bureau jeugdzorg heeft de macht kinderen uit huis te plaatsen.Jeugdzorg doet niet aan waarheidsvinding en vaart blind op het oordeel van  de school. School heeft er groot financieel belang bij om labels op te plakken, waarbij de deskundigheid tot het maken van de betreffende diagnoses ontbreekt. Kinderrechters varen blind op het oordeel van de gezinsvoogd, die bij rechtzittingen niet onder ede staat.Hoe respectloos jeugdzorg te werk gaat laat de volgende documentaire zien:: http://dokument.ncrv.nl/ncrvgemist/11-3-2013/ncrv-dokument-gezinsvoogd en hoe groot de ontsteltenis hierover is bij de Nederlandse bevolking laat de volgende petitie zien: http://petities.nl/petitie/stop-machtsmisbruik-door-wsj-en-jeugdzorg. Hoe onzorgvuldig bureau jeugdzorg te werk gaat is ook te zien op http://vimeo.com/25033553. Drs. N.J.M.Mul is een arts die zich inzet voor de slachtoffers van jeugdzorg. Onder toezichtstelling levert bureau jeugdzorg €50.000,- per jaar op. Uit huis plaatsing €80000,-.! Wat gebeurt er met dat geld? Naar zorg gaat dat geld niet, noch naar onderzoek. Ze maken indicatie besluiten over kinderen die ze niet zien.Straks wordt het ook nog verboden om externe deskundigen in te schakelen! Onafhankelijke klachtencommissies zijn er ook niet, Ook het Leger des Heils verbiedt ouders hun kinderen te zien. Ouders wie niets mankeert, want aan waarheidsvinding wordt niet gedaan.. Ouders die hun kinderen terug willen worden als niet meewerkend gezien en mogen hun kinderen helemaal niet meer zien! Waarom horen we hier niets over? Omdat ouders die dit bekendmaken zelfs door kinderrechters worden gechanteerd met dat ze als ze de publiciteit opzoeken en bekend maken wat hen overkomt ze hun kinderen nooit meer mogen zien.

B.3. a. De rechteloosheid van ouders en kinderen en het gebrek aan transparantie van het handelen van scholen geeft veel mogelijkheden tot manipulatie wat ten koste gaat van het geluk, de gezondheid en de ontwikkeling van kinderen.

B.3.b. Klachtencommissies hebben geen enkele zeggenschap,

B.3.c.Alle vergrijpen van school verjaren na een jaar.

B.3.d.Scholen zijn ook niet verplicht de school veilig te maken voor kinderen, maar ouders van kinderen die niet veilig zijn op school worden wel beboet door bureau leerplicht op het moment dat vermoed wordt dat ouders een kind uit veiligheidsoverwegingen thuishouden!

B.3.e. Discriminatie is bij wet toegestaan in scholen. Op de website van OCW staat zelfs: “Het is toegestaan om leerlingen en docenten te weigeren als hun overtuiging in strijd is met de grondslag van de school. Een gereformeerde school mag bijvoorbeeld een joodse leerling weigeren.” (http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/vrijheid-van-onderwijs/openbaar-en-bijzonder-onderwijs).

Dit is behalve strijdig met de fundamentele mensenrechten ook nog dom en racistisch, omdat jodendom niet alleen een godsdienst, maar ook een ras is.

En het gaat nog eens in tegen artikel 1 van onze eigen grondwet:

“Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.”

B.4. Schoolleiders hebben contact met elkaar bij schoolwisselingen, waardoor kwaadsprekerij alle ruimte krijgt en kinderen de mogelijkheid ontnomen wordt ergens anders een frisse start te maken.

C. Punten waarop de kwaliteit van onderwijs wordt aangetast zijn:

C.1.a De huidige wijze van bekostiging en de controlepunten van de onderwijsinspectie stimuleren dat scholen zoveel mogelijk zorgpunten signaleren bij kinderen en dat scholen hierdoor vaak de neiging kunnen hebben gericht te zijn op zorgsignalering in plaats van op talentontwikkeling. Normaal krijgen schole €4800,- per kind per jaar, met indicaties kan dat bedrag oplopen tot €22100,- per kind per jaar. Controle op de terechtheid vam de indicaties, alsmede op de besteding van de gelden ontbreekt.Gemiddeld komt het neer op €5700,- per leerling per jaar in het basisonderwijs. In het voortgezet onderwijs is het €7600.  (http://www.poraad.nl/content/cijfers-uit-de-sector ) (zie ook B.1)

C.1.b. Particuliere scholen nu nog een veilige haven zijn voor deze neiging, dus dat het ook nog bekostigen van particuliere scholen zonder dat school en zorg losgekoppeld worden en zonder dat  de schoolplicht opgeheven wordt niet wenselijk is, omdat er dan helemaal geen uitwijkmogelijkheid meer is om te ontkomen aan de opgedrongen zorg en het winstbejag ten koste van kinderen en gezinnen met alle ellendige gevolgen van dien.

D.Punten waarop de kosteloosheid van onderwijs wordt aangetast zijn:

D.1. a.Het is niet zo dat er in Nederland voor alle onderwijsbehoeften kosteloze  varianten bestaan. Daardoor zijn kinderen met bepaalde onderwijsbehoeften uitgesloten van bekostigd onderwijs, en soms zelfs van elk onderwijs. Voorbeelden van onderwijsbehoeften waaraan onvoldoende tegemoet wordt gekomen in het bekostigde onderwijs zijn hoogbegaafdheid, autisme, dyslexie, of combinaties hiervan, en zo zijn er vele onderwijsbehoeften te noemen waar bekostigde scholen niet aan voldoen waardoor kinderen buiten hun schuld of dat van hun ouders zonder school kunnen komen te zitten, of gedwongen zijn naar particulier onderwijs uit te wijken.

D.1.b.Ook tests om hoogbegaafdheid aan te tonen worden niet vergoed door de verzekeringen terwijl het enorme consequenties heeft als het niet herkend wordt. Dat is geen verschil tussen meer of minder succesvol, dat is een verschil tussen vliegen of crashen. Het wel bekostigen van de ene onderwijsbehoefte en niet de andere is een vorm van discriminatie met verregaande negative gevolgen voor de desbetreffende kinderen, de gezinnen waar ze in opgroeien en de samenleving als geheel, die met het huidige kindonvriendelijke beleid haar grootste talenten verminkt  in plaats dat het ze toestaat zich te ontwikkelen tot de lichten voor iedereen die ze anders zouden kunnen zijn.

D.2. Op het moment dat ouders en kinderen kiezen voor anders dan bekostigd onderwijs het geld bestemd voor het kind  tot wel anderhalf jaar of langer in maandelijkse termijnen blijft gaan naar de school waar het kind niet meer naar toe gaat, en daarna terugstroomt in de staatskas, en dit voor ouders grote financiële consequenties heeft, terwijl het beschikbaar stellen van de minimale subsidie aan ouders van kinderen die geen gebruik (meer) maken van bekostigd onderwijs zodat ze daarmee kunnen voorzien in de optimale ontwikkeling van hun kind enorme voordelen voor kind, maatschappij en gezinnen oplevert, en tegelijkertijd een enorme bezuiniging zal opleveren voor de samenleving.

D.3 Noodoplossingen door ouders bedacht om dit onrecht op te heffen worden ofwel door de onderwijsinspectie ofwel door schoolbesturen gedwarsboomd.

en verzoeken

De regels van artikel 26 van de Universele Verklaring van de Mens toe te passen op scholen, en Nederland eindelijk de vrijheid, veiligheid, kwaliteit en kosteloosheid van onderwijs krijgt die het al in 1948 beloofd is, en dat de fundamentele mensenrechten van kinderen, gezinnen en ieder mens zoals vastgesteld in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens overal en altijd worden gewaarborgd, en dat waar dit door regelgeving wordt verhinderd hogere wetgeving prevaleert boven lagere en de richtlijnen zoals aangegeven Universele Verklaring van de Rechten van de Mens opgevolgd worden, en hiervoor het plan te volgen wat staat op www. uvrm.wenst.nl bij het hoofdstuk K.O.O.G. om dit zonder extra onkosten voor elkaar te krijgen met middelen die al voorhanden zijn uit te voeren. Daarin staan onder meer de volgende verzoeken:

A.Voor de invoering van de Vrijheid van Onderwijs verzoeken wij dat:

A.1.a.Leerplicht niet meer gelijk gesteld wordt aan schoolplicht.

A.1.b.Leerplicht wordt veranderd in ontwikkelrecht, wat tevens niet gelijkgesteld wordt aan schoolplicht.

A.2.Ouders en hun kinderen, als die dat willen, op elk moment voor thuisonderwijs mogen kiezen.

A.3.Scholen vrij worden gelaten in welke methoden ze gebruiken, mits ze de fundamentele mensenrechten niet schenden en in overeenstemming zijn met de vrijheid, veiligheid, kwaliteit en kosteloosheid van onderwijs.

A.4. Dat tests niet bovengrens, maar ondergrens bepalend zijn en kinderen de mogelijkheid krijgen elk niveau op elk moment te proberen zonder hierin belemmerd te worden.

B.Voor de invoering van de Veiligheid van Onderwijs verzoeken wij dat:

B.1.Scholing en zorg los van elkaar komen te staan en los van elkaar worden gefinancierd: scholing door de overheid, zorg door de ouders via hun eigen zorgverzekering. Scholen mogen adviezen opvolgen, maar nooit opdringen en ze hebben ook geen zeggenschap over de zorg of over de gelden besteed aan zorg. Dat is aan de ouders en de professionals die zij daarvoor inschakelen, en de zorgverzekeringen hebben dat te vergoeden.

B.2. Alle ondertoezichtstellingen en sluitingen  van scholen en vervolgingen van ouders van kinderen die buiten hun schuld thuis zijn komen te zetten per direct stoppen en worden teruggedraaid.

B.3. a. Ouders ten allen tijden toegang hebben tot en inzicht hebben in de leerling gegevens van hun kind.

B.3.b. Er onafhankelijke klachtencommissies voor kinderen en ouders komen die bindende adviezen kunnen geven.

B.3.c. De verjaringstermijn van vergrijpen van school komt te vervallen.

B.3.d. Scholen de plicht hebben de veiligheid van leerlingen te garanderen, en dat als ze dat niet kunnen ouders het recht hebben hun kind thuis te houden.

B.3.e. Leerrecht moet inhouden dat scholen kinderen niet mogen weigeren op grond van hun levensovertuiging of ras.

B.4. Bij een schoolwisseling is het net wenselijk en niet toegestaan dat schoolleiders zonder uitdrukkelijk toestemming van de ouders onderling contact hebben om een kind te bespreken. Dit wel doen wordt gezien als ongwenste inmenging en schending van de privacy, en is niet zonder consequenties.

C.Voor de invoering van de Kwaliteit van Onderwijs verzoeken wij dat:

C.1.a. Er alleen toezicht wordt gehouden op de waarborging van de fundamentele mensenrechten in scholen.

C1.b. Dat in elk geval voor particulier onderwijs maar het liefst voor al het onderwijs scholing en zorg worden losgekoppeld, en dat het bedrag voor scholing voor alle kinderen gelijk wordt gesteld, en dat alles wat daar bovenop komt aan extra zorg of ondersteuning via de verzekering van de ouders wordt gefinancierd.

D.Voor de invoering van de Kosteloosheid van Onderwijs verzoeken wij dat:

D.1.a.Wanneer kinderen die voor thuisonderwijs of anders dan bekostigd onderwijs kiezen de overheid het minimale onderwijssubsidie bedrag overmaakt aan de ouders van de kinderen ten behoeve van hun optimale ontwikkeling. Dus waar het kind is, is het geld. Niet na maanden, maar meteen. En waar de regelingen dit belemmeren worden de oplossingen om dit onrecht op te heffen toegestaan.

D.1.b. Alle tests om te kijken welk onderwijs het meest geschikt is vergoed worden, en gezien de grote risico’s als hoogbegaafdheid niet erkend wordt en het feit dat er specialisten voor nodig zijn om het te herkennen ook die voor hoogbegaafdheid bij ECHA specialisten bijvoorbeeld.

D.2.Mogelijk wordt gemaakt dat altijd waar het kind is ook het geld bedoeld voor zijn of haar ontwikkeling is.

D.3. Tot dit gerealiseerd is noodoplossingen die ouders zelf bedenken om de optimale ontwikkeling van hun kinderen te garanderen door vrijheid, veiligheid, kwaliteit en kosteloosheid van onderwijs worden toegestaan.

Zou je deze petitie ondertekenen? Klik dan op interessant bij de open linked-in groep “OORvoorU”bij de discussie:”Conceptpetitie K.O.O.G”.

(Zie:http://www.linkedin.com/groups/OORvoorU-5043452?goback=.anp_5043452_1369908018172_1)

Zou je het niet ondertekenen, zet dan bij het commentaar wat je anders zou willen zien.

Alvast bedankt!

Als je het ook belangrijk vindt dat er aandacht komt voor de schendingen van de fundamentele mensenrechten in Nederland, stem dan op mijn droom voor Nederland op

https://deeljouwdroom.nl/participants/16237

Je kunt op zoveel dromen stemmen als je wilt!

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Tot zo ver de petitie. Hieronder de redenering en bronnen waarop het gebaseerd is, en tevens het plan om het waar te maken:

Plan voor her oplossen van de knelpunten in het Nederlandse Onderwijs wat kan met de middelen die er zijn, wat naast leedoplossend, geluk brengend  en talent stimulerend ook nog eens enorm kostenbesparend is.

Ik heb op grond van onze eigen ervaringen en dat van andere ouders, leerkrachten, schoolhoofden, bestuursleden en gesprekken met alle denkbare instanties (leerplichtambtenaren, ministerie van OCW, onderwijsinspectie, Ouders en Co LOBO etc) en met behulp van de input van discussies op linkedin een concept opgesteld met de problemen in het Nederlandse onderwijs en oplossingen die ervoor zouden kunnen zijn.

K.O.O.G. (Kinder Optimale Ontwikkelings Garantie) in het kort (K.O.O.G. is dus wat anders dan KOB, KOB gaat alleen over geld wat naar de staatskas terugstroomt, KO.O.G. gaat over een heel arsenaal aan plannen om ervoor te zorgen dat leerrecht gegarandeerd wordt voor alle kinderen in Nederland. KOB geeft zo’n garantie allerminst, en kan een hele verkeerde kant op gaan, waardoor particuliere scholen als laatste vlucht mogelijkheid voor de akelige zorgmoloch in het reguliere onderwijs verdwijnt, en dan zijn we nog verder van huis.

Plannen om van Nederland  een veilige haven maken voor gezinnen die alleen maar goed onderwijs willen voor hun kinderen en voor mensen die dat willen geven door ervoor te zorgen dat de in artikel 26 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens bepaalde vrijheid, veiligheid, kwaliteit en kosteloosheid van onderwijs eindelijk realiteit wordt!

Er zijn veel ideeën om het onderwijs in Nederland toekomstgerichter en kindvriendelijker te maken. Al die mooie plannen lopen echter stuk op belemmerende regelgeving, en belemmerende uitleg van regelgeving door de inspectie. De enige manier om iets van ademruimte te creëren is veelal het uitwijken naar particulier onderwijs, maar ook die is onderworpen aan strenge regelgeving, en ook de hoge kosten zijn problematisch voor veel mensen. En ook in die scholen zijn de fundamentele mensenrechten zoals opgesteld in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens niet gewaarborgd. En ook die scholen worden afgekeurd als scholen in de zin van de leerplicht, ook al erkennen de inspecteurs zelf dat de kinderen er goed worden voorbereid op de toekomst en dat de kinderen er gelukkig zijn. Scholen verbieden mag niet, maar de ouders die hun kinderen na zo’n vernietigende conclusie van de inspectie, hoe slecht onderbouwd ook, toch nog naar deze scholen laten gaan, ook al is het maar één dag, worden om deze reden strafrechtelijk vervolgd! Dit is ongehoord!

Heel veel is er niet voor nodig om alles in rechte banen te leiden.

De kosteloosheid van alle soorten onderwijs kan grotendeels geregeld worden door geld wat ongebruikt ligt bij scholen waar de kinderen niet meer naar toe gaan te krijgen bij de kinderen waar het voor bestemd is.

Door school en zorg te scheiden wordt het niet meer lucratief voor scholen om zorgtrajecten uit te delen, waardoor de schoolkosten enorm zullen dalen, en alle kinderen subsidiëren goedkoper zal zijn dan nu een deel inclusief alle loze zorgtrajecten.

De kwaliteit is er al in de leerkrachten en scholen, alleen door verkeerde interpretatie van regelgeving hebben ze niet de mogelijkheid het bij de kinderen te brengen zoals ze zouden willen.

De voorwaarden voor de vrijheid- en de veiligheid van onderwijs zijn al genoemd in de Universele  Verklaring van de Rechten van de Mens.

Het plan om dit alles voor elkaar te krijgen is, is hieronder opgesteld.

De oplossing voor  de 16500, en misschien zelfs 36250 leerplichtige kinderen die geen gebruik meer maken van het Nederlandse Onderwijs, en de onbekende aantallen die het land zijn uit gevlucht vanwege de kindonvriendelijke en mensonterende interpretatie van regelgeving rond onderwijs, en de onbekende aantallen kinderen die met onterechte indicaties ongelukkig zijn binnen het Nederlandse onderwijs is al gegeven in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens zoals opgesteld in 1948.

Als die regels toegepast worden krijgt Nederland eindelijk de vrijheid, veiligheid, kwaliteit en kosteloosheid van onderwijs krijgt die het al 65 jaar geleden beloofd is.  Hier een plan om dit zonder extra onkosten voor elkaar te krijgen met middelen die al voorhanden zijn.

K.O.O.G. (Kinder Optimale Ontwikkelings Garantie): suggesties om de in artikel 26 van de UVRM  beloofde Vrijheid, Veiligheid, Kwaliteit en Kosteloosheid van onderwijs waar te maken, en daarmee van Nederland een veilige haven te maken voor gezinnen die alleen maar goed onderwijs voor hun kinderen willen en de mensen die dat willen geven!

Er gebeuren vreselijke dingen met kinderen in Nederland. 

De dalende prestaties van kinderen op school zijn het minste van de problemen. http://www.cpb.nl/publicatie/nederlandse-onderwijsprestaties-in-perspectief.Wat ernstig is, is dat de mensenrechten van kinderen in Nederlandse scholen op geen enkele manier gegarandeerd zijn. Sterker nog, ouders die hun kind thuishouden omdat het niet veilig is op school, of waar het vermoeden ook maar van bestaat dat ze hun kinderen om die reden thuishouden, kunnen worden beboet door leerplichtambtenaren en riskeren dat hun kind door jeugdzorg onder toezicht wordt gesteld en uit huis wordt geplaatst! Hetzelfde geldt voor kinderen die buiten hun schuld of dat van hun ouders  om zonder school komen te zitten.

Noord Korea, Duitsland en Nederland zijn de enige drie landen ter wereld waar leerplicht gelijk wordt gesteld aan schoolplicht.

Veelal staat schoolplicht echter de leerplicht in de weg, doordat scholen vaak door hoe ze verplicht zijn te werk te gaan het leren belemmeren en de ontwikkeling tegenhouden in plaats van het te stimuleren.

Scholen zijn niet vrij om het soort onderwijs te geven wat ze willen, en als het aan de regering ligt, zijn ouders straks niet meer vrij om zelf de school te kiezen die ze willen, en mogen scholen zelfs bepalen welk zorgtraject kinderen gaan volgen zonder dat de ouders inspraak krijgen!

Scholen krijgen grote sommen geld voor zorgtrajecten, zonder dat er controle op is of ze ergens op slaan en hoe de gelden worden besteed. Wel worden scholen verplicht door de onderwijsinspectie zorgvragen zo vroeg mogelijk te detecteren, zonder dat er controle op is of dit wel terecht is. Scholen die hier niet aan mee willen doen worden uitgesloten van subsidie, gesloten of als zeer zwak bestempeld en onder dreiging van bovenstaande maatregelen gedwongen in het stramien te lopen.

Ouders die niet toestaan dat hun kinderen valse labels krijgen en in onterechte zorgtrajecten komen en met deskundigen rapporten komen om hun gelijk te bewijzen worden weggepest, en komen voor hoge kosten te staan voor privé scholen en onderzoeken die niet vergoed worden.

Voor hoogbegaafdheid, bijvoorbeeld, wordt geen extra subsidie gegeven, voor andere aanpassingen in het lesaanbod wel.

Om toch maar aan die extra subsidie te komen worden vaak andere diagnoses gesteld,

Normaal krijgen scholen namelijk €4800,- per jaar per kind. Met zorgindicaties kan dat oplopen tot wel €22000,- per jaar per kind. Scholen maakt het niet uit, in hun ogen gaat het om de individuele begeleiding, en onder welke noemer dat zal hun een zorg zijn.

Maar de hilariteit bij de klasgenoten is groot als het jongetje of meisje wat altijd alle antwoorden heeft opeens met de remedial teacher mee moet, en het daarop volgende gepest onverdraaglijk. Bij hoogbegaafde kinderen heeft dit het effect dat ze hun hoogbegaafdheid gaan verbergen om maar geen andere behandeling te krijgen, zeker als het een vernedering betekent zoals met de remedial teacher mee moeten.

Daarnaast zijn de bochten waarin de scholen zich wringen om de leugenachtige diagnoses te stellen ook akelig voor de hoogbegaafde kinderen en de ouders.
16500 leerplichtige kinderen zitten thuis, en 36.250 leerlingen verlieten in het jaar 2011/2012 school voortijdig (zie http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/aanval-op-schooluitval/feiten-en-cijfers-schooluitval )

Allen hebben het continue conflict met jeugdzorg en de dreigingen van uit huis plaatsing, of het nu hun schuld is of niet. Hoe respectloos jeugdzorg te werk gaat laat de volgende documentaire zien:: http://dokument.ncrv.nl/ncrvgemist/11-3-2013/ncrv-dokument-gezinsvoogd en hoe groot de ontsteltenis hierover is bij de Nederlandse bevolking laat de volgende petitie zien: http://petities.nl/petitie/stop-machtsmisbruik-door-wsj-en-jeugdzorg.  Daarbij zijn dus de talloze  kinderen die ongelukkig onder de valse labels en zorgtrajecten op scholen wegkwijnen niet meegerekend, en ook niet de gezinnen die in groten getale het land uit zijn gevlucht vanwege de wantoestanden in het onderwijs.

Vijfentwintigduizend is het aantal waarnaar ze schooluitval willen terugdringen in 2016. Dit jaar was het 36250, het jaar daarvoor 38600.In 2002 schijnt het nog om 71000 jongeren te zijn gegaan die zonder diploma van school gingen. (In totaal zitten er in Nederland twee en een half miljoen kinderen in het Basis- en Voortgezet onderwijs.)
( zie http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/aanval-op-schooluitval/feiten-en-cijfers-schooluitval en http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?VW=T&DM=SLNL&PA=03753&D1=a&D2=1-2,6,8-9,13,%28l-2%29-l&D3=0-2&D4=0&D5=a,!0-9&HD=130305-2018&HDR=T,G3,G4&STB=G2,G1)

De overheidsinitiatieven om schooluitval te voorkomen gaan ervan uit dat er op school geleerd wordt, terwijl dat lang niet altijd het geval is. Het scholen afrekenen op uitval heeft het averechtse effect van strengere selectie aan de poort. In plaats van meer ruimte te geven wordt de kramp steeds groter. (Zie http://www.aanvalopschooluitval.nl/)

Om thuisonderwijs te kunnen volgen, wat in Nederland verboden is, zeilen de broers Enrique en Hugo Claassen nu al bijna een jaar op de internationale wateren, terwijl de scholen waar ze wel terecht zouden kunnen gesloten worden of gedwongen worden te veranderen in scholen waar ze niet terechtkunnen.

Toch zijn de problemen  in het Nederlandse onderwijs niet onoverkomelijk. De kennis, het geld en de wetten of bepalingen om ze op te lossen zijn er al. Het wordt hoog tijd dat die eindelijk toegepast worden.

Officieel houdt Nederland zich aan de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (zie http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/mensenrechten/vraag-en-antwoord/wat-is-de-universele-verklaring-van-de-rechten-van-de-mens.html), maar op scholen is daar niet veel van te merken. Ook leerplicht is opgenomen in artikel 26 van de UVRM, maar dan is het wel ingebed in heel veel omstandigheden waar scholen nu al niet aan voldoen, en straks met de voorgenomen invoering van Passend Onderwijs worden de fundamentele mensenrechten in scholen nog meer geschonden.

Artikel 26 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens zegt het zo:

1.         Een ieder heeft recht op onderwijs; het onderwijs zal kosteloos zijn, althans wat het lager en basisonderwijs betreft. Het lager onderwijs zal verplicht zijn. Ambachtsonderwijs en beroepsopleiding zullen algemeen beschikbaar worden gesteld. Hoger onderwijs zal openstaan voor een ieder, die daartoe de begaafdheid bezit.

2.         Het onderwijs zal gericht zijn op de volle ontwikkeling van de menselijke persoonlijkheid en op de versterking van de eerbied voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het zal het begrip, de verdraagzaamheid en de vriendschap onder alle naties, rassen of godsdienstige groepen bevorderen en het zal de werkzaamheden van de Verenigde Naties voor de handhaving van de vrede steunen.

3.         Aan de ouders komt in de eerste plaats het recht toe om de soort van opvoeding en onderwijs te kiezen, welke aan hun kinderen zal worden gegeven.

http://www.ohchr.org/en/udhr/pages/Language.aspx?LangID=dut

De knelpunten in het Nederlandse onderwijs zijn daar waar het Nederlandse onderwijssysteem ofwel afwijkt van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, ofwel van de grondprincipes van democratie.

1.Om te beginnen is het niet zo dat er in Nederland voor alle onderwijsbehoeften kosteloze  varianten van onderwijs bestaan. Daardoor zijn kinderen met bepaalde onderwijsbehoeften uitgesloten van bekostigd onderwijs, en soms zelfs van elk onderwijs. Voorbeelden zijn hoogbegaafdheid, autisme, dyslexie, of combinaties hiervan, en zo zijn er vele redenen te noemen waarom kinderen buiten hun schuld of dat van hun ouders zonder school kunnen komen te zitten.

2.Thuisonderwijs is ook geen optie, omdat de wetten en bureaucratie die daarom heen zit de keuze daarvoor schier onmogelijk maken, en zelfs mensen die deze mogelijkheid kiezen uit nood vaak gedwongen zijn het land uit te gaan als ze niet willen leven onder continue dreiging van onder toezichtstelling of uithuisplaatsing van kinderen door jeugdzorg. Dat is een schending van UVRM Artikel 20 lid 2 “Niemand mag worden gedwongen om tot een vereniging te behoren.”

3.Het bekostigde primaire- (of basis-) onderwijs krijgt per kind per jaar in ieder geval €4800, – bedragen die met leerlinggebonden financiering kunnen oplopen tot wel €22.100, – per leerling per jaar! Gemiddeld komt het neer op €5700,- per leerling per jaar in het basisonderwijs. In het voortgezet onderwijs is het €7600.  (http://www.poraad.nl/content/cijfers-uit-de-sector )

Geld, dat voor tenminste 5500 van de 16500 kinderen die geen gebruik meer maken van het bekostigde onderwijs, blijft gaan naar scholen waar ze nog wel ingeschreven staan, terwijl daarvoor tijdelijk geen diensten worden verricht, en ze waarschijnlijk onder begeleiding of behandeling staan van andere maatschappelijke instellingen. (3)

Voor de overige 11000 leerlingen ontvangen de scholen, als de leerling na een bepaalde datum is uitgeschreven, in veel gevallen voor het lopende en soms het daaropvolgende schooljaar nog de volledige bekostiging, inclusief de leerlinggebonden financiering. (Deze cijfers zijn terug te vinden op https://mail-attachment.googleusercontent.com/attachment/u/0/?ui=2&ik=c32cd68f2c&view=att&th=13cb40e70063ea2c&attid=0.1&disp=inline&safe=1&zw&saduie=AG9B_P89-F8LVienTd0GHih_CyPw&sadet=1362513836463&sads=P-1o8YKyIfLCkaBQ1eSdNL1xOjs  en ophttps://mail-attachment.googleusercontent.com/attachment/u/0/?ui=2&ik=c32cd68f2c&view=att&th=13cb40e70063ea2c&attid=0.1&disp=inline&safe=1&zw&saduie=AG9B_P89-F8LVienTd0GHih_CyPw&sadet=1362513861816&sads=nCd_09aBXBjXcsRsXqtsvI7Xbuw (3)

Veel thuiszitters worden niet gemeld, zoals dit onderzoek ook laat zien, http://www.ouders.nl/pdf/rapport_de_dunne_lijn.pdf, en waardoor het aantal in werkelijkheid veel hoger kan liggen.

Er zijn  voorbeelden van reguliere scholen die dit zelf ook onredelijk vinden maar die toch geen geld mogen overhevelen naar door de inspectie goedgekeurde al of niet bekostigde scholen die de diensten wel verrichten. (3)

Dit kan leiden tot schrijnende situaties, als er bijvoorbeeld kinderen zijn die  de ene helft van het jaar in het ene gebied, en de andere helft in het andere wonen. De ene school krijgt dan vol geld, de ander niks, terwijl ze evenveel doen voor de leerlingen. , En toch mag de school die vol geld krijgt niets overhevelen naar de andere die niks krijgt. (3)

Of situaties waar bekostigde scholen geld krijgen voor leerlingen waar ze niets meer voor doen, terwijl ouders veel geld moeten betalen voor privé scholen. En als ze dat niet kunnen opbrengen komen de kinderen thuis te zitten. Niet rustig, maar met bergen bureaucratische ellende, en continue dreiging van uithuisplaatsing.(3)

Volgens het onderzoek onder thuiszitters zijn lang niet alle thuiszitters geregistreerd. De cijfers zijn in werkelijkheid dus nog hoger. (Zie http://www.ouders.nl/pdf/rapport_de_dunne_lijn.pdf) Schooluitval was voor 2011/2012 38600 ( http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/aanval-op-schooluitval/schooluitval-voorkomen) (3)

4.De ene leer-, en/of zorgbehoefte financieren en de andere niet is een vorm van discriminatie, en dat mag niet volgens artikel 7 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens “. Allen hebben aanspraak op gelijke bescherming tegen iedere achterstelling in strijd met deze Verklaring en tegen iedere ophitsing tot een dergelijke achterstelling.”” Achterstelling leidt tot ongelijke kansen, met alle ongewenste maatschappelijke gevolgen van dien.

Zo gaan alle subsidie kranen open op het moment dat een kind een leerachterstand heeft of zwakbegaafd is. De subsidies kunnen wel oplopen tot €22.000, – per jaar. Maar is een kind hoogbegaafd, dan mogen ouders alle onderzoeken en de scholing die daarvoor nodig is zelf betalen, terwijl het bekend is dat het heel erg mis kan gaan met hoogbegaafde kinderen die niet de scholing krijgen die bij ze past, terwijl als ze dat wel krijgen ze niet alleen zelf vliegen, maar voor heel veel mensen de oplossingen kunnen geven die we vandaag de dag zo hard nodig hebben. (4)

5.De excellentie programma’s zijn er maar voor een klein deel van de hoogbegaafden, want over het algemeen voldoen de gangbare tests niet om hoogbegaafdheid te signaleren, noch zijn leerkrachten vaak in staat het te herkennen, omdat hun training voornamelijk gericht is op het signaleren van leerproblemen. Maar er goed of niet goed mee omgaan betekent het verschil tussen vliegen of crashen, een tussenweg is er eigenlijk niet. (Zie www.ieku,nl en http://www.hoogbegaafdvlaanderen.be/03_Testen/vermoeden_tot_test.html)

6.Vrijheid van onderwijs (UVRM artikel 26 lid 3) wordt ook aangetast doordat  op jonge leeftijd gedane tests een veel te bindend karakter hebben, en een veel te grote invloed op de rest  van de schooltijd en dus de toekomst van het kind. Een kind op zijn of haar  twaalfde al een bovengrens  opleggen is ook een vorm mishandeling, en de stress en trauma die het veroorzaakt zijn voor niemand goed.

7.Er is geen scheiding en evenwicht van machten op scholen, want er zijn geen externe instanties die de veiligheid, en de handhaving van de mensenrechten binnen scholen en bij kwesties rond scholen garanderen, terwijl dat toch een democratisch grond principe is. Je kunt kinderen in een ondemocratische setting niet voorbereiden op het leven in een democratie.

8.Als de fundamentele mensenrechten op scholen geschonden worden, is er geen enkele manier om je kind te beschermen en er is  geen enkele manier om de school te dwingen deze na  te leven. Sterker nog, als je kan bewijzen dat je kind niet veilig is op school, dan word je nog door de leerplichtambtenaar gedwongen je kind naar school te brengen, terwijl er geen enkele actie wordt ondernomen je kind te beschermen! Zelf mag je als ouder ook niets doen om je kind te beschermen! Als je jouw kind toch thuis houdt krijgen de ouders boetes, niet de school.

9.Zelfs bij de meest grove schendingen van de mensenrechten waar de ombudsman wordt bijgehaald is de uitkomst slechts een advies wat de school naast zich neer mag leggen. Er is geen  enkele manier om schoolhoofden en leerkrachten die kinderrechten schenden aan te pakken. Dit is een overtreding van artikel 3 van de UVRM: “Een ieder heeft het recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid van zijn persoon,”.en artikel 8 van de UVRM: “Een ieder heeft recht op daadwerkelijke rechtshulp van bevoegde nationale rechterlijke instanties tegen handelingen, welke in strijd zijn met de grondrechten hem toegekend bij Grondwet of wet.” En het is  ook nog een schending van artikel 30 van de UVRM, “Geen bepaling in deze Verklaring zal zodanig mogen worden uitgelegd, dat welke Staat, groep of persoon dan ook, daaraan enig recht kan ontlenen om iets te ondernemen of handelingen van welke aard ook te verrichten, die vernietiging van een van de rechten en vrijheden, in deze Verklaring genoemd, ten doel hebben,” want één artikel van de UVRM, wordt gebruikt om een andere te schenden. In dit geval wordt de leerplicht van artikel 26 lid 1 gebruikt om niet alleen artikel 3, het recht op veiligheid te schenden.”Een ieder heeft het recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid van zijn persoon,” maar zoals we gezien hebben ook artikel 7 en artikel 20 lid 2 te schenden, en zoals we straks zullen zien ook artikel 12.

10.Daarnaast is er ook nog eens een verjaringstermijn van één jaar, waarna niet eens meer een klacht mag worden begonnen tegen een vergrijp van school.

11.Scholing en zorg worden op één hoop gegooid, terwijl leerkrachten opgeleid zijn om les te geven, en dat ook de taak van scholen is,  niet diagnoses stellen of zorgpunten signaleren. Alleen al het zoeken  naar zorgpunten bij kinderen  door leerkrachten, intern begeleiders of schoolhoofden zou uitgelegd kunnen worden als vallend onder de noemer “ongewenste inmenging”, hetgeen gezien kan worden als een schending van artikel 12 van de UVRM. Het is niet alleen ongepast en onaangenaam, maar ook erg ongezond en slecht voor het zelfvertrouwen en de ontwikkeling van een kind als er op die manier naar hem of haar gekeken wordt.

12.Daarnaast is de opleiding van leerkrachten gericht op het herkennen van leerproblemen, niet op het herkennen van hoogbegaafdheid, wat ook voor veel fout labelen zorgt, en ervoor zorgt dat hoogbegaafde kinderen worden gezien als kinderen met leerproblemen in plaats van dat ze extra uitdaging krijgen die ze nodig hebben, Dit is natuurlijk rampzalig voor hun ontwikkeling en voor hun slagingskansen. Het wantrouwen van scholen tegen echte experts maakt dat hier niet doorheen te komen is.

13.De Onderwijsinspectie is gericht op zorg, niet ontwikkeling. Het verwacht van scholen vroeg zorgpunten te signalen en handelplannen voor zorg te maken, maar er is geen enkele controle of dit wel conform de feiten is, en of het geld wat de school ervoor krijgt ook terechtkomt waar het moet terechtkomen. Dit maakt het lucratief voor scholen om zorgpunten te signaleren. (zie: http://www.onderwijsinspectie.nl/binaries/content/assets/Actueel_publicaties/2012/brochure-toezichtkader-voortgezet-onderwijs-2013 ) .Dit geeft belangenverstrengeling alle ruimte en zet aan tot een verkeerde gerichtheid, waar leerkrachten niet toe opgeleid zijn, en wat ongezond is voor het kind, en wat kan leiden tot schrijnende situaties waar kinderen in verkeerde zorgtrajecten worden geplaatst de ze schaden, wat duur is voor de maatschappij.

14.De druk op leerkrachten is te hoog.  Ze hebben veel te weinig vrijheid in hoe ze les mogen geven,  wat hun het plezier in het werk ontneemt.  Daarnaast zijn ze door alle eisen die aan ze worden gesteld 30% van hun tijd kwijt aan overhead, zoals administratie, leerlingvolgsystemen, besprekingen, etc. Tijd die afgaat van de tijd die ze les kunnen geven, of van hun vrije tijd. Het gaat dus of ten koste van de lessen of van de leerkrachten, en dat zorgt voor veel uitval door ziekte, en ook veel leerkrachten die helemaal ermee stoppen omdat ze niet geloven dat de eisen die de onderwijsinspectie stelt de ontwikkeling van kinderen ten goede komt (zie: http://www.stichtinghistos.nl/wg%20kleuters.html)

15.Scholen hebben geen vrijheid om les te geven zoals zij geloven dat het beste is, maar staan onder strenge controles van de Onderwijsinspectie, met een continue dreiging van verlies van subsidies en dwang om “verbetertrajecten”in te gaan, zoals de Tra in Uithoorn, en zelfs van verlies tot het recht van school zijn in de zin van de leerplicht, zoals de Koers in Beverwijk en de Kampanje in. http://www.dichtbij.nl/amstelland/regio/artikel/2631851/kind-volgen-niet-sturen.aspx, http://www.zelfontwikkelingsonderwijs.nl/, http://www.rechtspraak.nl/Actualiteiten/Nieuws/Pages/De-Koers-in-Beverwijk-is-geen-school.aspx, http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BX4695.  Scholen die zo lesgeven als waar de politiek aangeeft behoefte aan te hebben worden veelal net gefinancierd (zie de aflevering van Buitenhof van 9 december 2012 vanaf de 30.54 ste minuut:http://www.uitzendinggemist.nl/afleveringen/1311692 Het betreft een discussie met Anne-Wil Lucas, Tweede Kamerlid VVD, Gert de Wit van de St. Josephschool in Hooglanderveen en onderzoeker Hanno van Keulen van de Universiteit van Utrecht. Wat Anne-Wil Lucas hier beschrijft is exact de manier waarop particuliere scholen veelal te werk gaan)

16.Directies van scholen worden gecontroleerd door besturen, waarin weer toezichthouders worden benoemd, die weer verantwoording bij de inspectie moeten afleggen. Dit zijn verdeel en heers situaties die de sfeer op scholen niet ten goede komen.

17.Door de minimale leerlingengrens voor subsidie moeten in vele dorpen de scholen gesloten worden, wat slecht is voor het moraal en de economie  van de dorpen in kwestie, en voor de ontwikkeling van kinderen. Zo’n minimale leerlingengrens voor bekostiging is ook nog eens een handicap voor scholen wiens lesmethode juist kleinschaligheid nodig heeft.

18.Het gaat niet om wetten, maar om interpretaties van wetten door Inspecteurs van het Onderwijs, waardoor niemand weet waar hij staat. Het oordeel van de Inspectie is alles bepalend voor een school.

Het is dus een systeem waar iedereen in een wurggreep zit, directies, leerkrachten, ouders,  en hele gezinnen, en wat het aller ergste is, de kinderen zelf. (18)

19.Zoals. Enrique en Hugo Claassen het zeggen:“Wij willen naar school maar mogen niet. Laura Dekker mocht niet de wereld rond zeilen, ze moest naar school. Leerplicht  heet dat in Nederland. Dus wel leerplicht maar geen Recht op onderwijs.”

http://www.sailingforeducation.com/index_4.htm

20.De eerder genoemde aantallen thuiszitters zijn boven tafel gekomen door de onvermoeibare inspanningen van hun moeder Annelies Schillemans om wat te doen aan de misstanden in het Nederlandse onderwijs. Daarvoor werden die aantallen verborgen, en werd er gedaan of het maar zo’n 2000 leerlingen betrof die geen plek op school konden krijgen (http://www.ingrado.nl/actueel/news/wat_is_een_thuiszitter_en_hoeveel_zijn_er en http://www.google.nl/url?sa=t&rct=j&q=&esrc=s&source=web&cd=3&ved=0CEYQFjAC&url=http%3A%2F%2Fwww.rijksoverheid.nl%2Fbestanden%2Fdocumenten-en-publicaties%2Frapporten%2F2011%2F01%2F24%2Frapport-met-een-kwalitatieve-analyse-van-de-thuiszitterdossiers%2Fthuiszitters.pdf&ei=Yr0kUeifMKGx0AXM84GYDw&usg=AFQjCNEJHuIjb7alzb1aUsHDfVLDJgaQ3Q&sig2=AD3jmB_8PJ8G0dZAlQ5i-w&bvm=bv.42661473,d.d2k). Dit gebrek aan transparantie is ondemocratisch en een enorm probleem in zichzelf wat de deur naar corruptie wijd open zet, en wat betekent dat de werkelijkheid nog wel eens veel hoger dan de genoemde 16500 liggen, De cijfers van voortijdig schooluitval liggen voor 2011-2012 op36.250  (ziehttp://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/aanval-op-schooluitval/feiten-en-cijfers-schooluitval )

21.En daarin zijn nog steeds de kinderen niet meegerekend die binnen de schoolmuren vermangeld worden, fout gelabeld worden zonder dat iemand daar iets tegen kan beginnen of giftige medicijnen krijgen via zorgtrajecten, waar ze aan mee moeten werken want anders worden ze van school gegooid.

22.En als ze dan van school worden gegooid, kunnen ze bureau leerplicht en bureau jeugdzorg op de stoep verwachten, en rechterlijke bevelen tot onder toezichtstelling en uit huis plaatsing. Instanties waarvan je toch zou mogen verwachten dat ze er zijn om fatsoenlijke gezinnen te steunen keren zich juist vol tegen ze.

23.Vanaf 2014 is er niet eens meer een handtekening van ouders nodig om kinderen in zorgtrajecten te plaatsen, dan mag de school elk willekeurig moment elk kind elk label geven en de daaraan gekoppelde maatregelen nemen, tot en met uithuisplaatsing toe. Dus gaven ouders met de inschrijving in een school voorheen 51% van hun ouderlijke macht op, straks wordt dat 100% als er niets tegen ondernomen wordt.

24.De steeds voortschrijdende afname van macht van ouders en echte deskundigen gaat niet alleen lijnrecht  tegen de UVRM in, maar ook lijnrecht tegen wetenschappelijke bevindingen in. Sinds de verhalen over de blunderende jeugdzorg naar buiten zijn gekomen, en bekend is dat een kind in een pleeggezin twee en een half keer meer kans heeft om misbruikt te worden, is jeugdzorg alleen maar machtiger geworden, en de dreiging van uithuisplaatsing van kinderen alleen maar groter, omdat, tegen alle verontrustende cijfers in, scholen vanaf 2014 direct gaan samenwerken met jeugdzorg! http://www.rtl.nl/components/actueel/rtlnieuws/2012/10_oktober/29/binnenland/excuses-kabinet-aan-slachtoffers-misbruik-jeugdzorg.xml en http://www.nrc.nl/nieuws/2012/10/29/kabinet-biedt-excuses-aan-voor-seksueel-misbruik-in-jeugdzorg/ .29 oktober 2012, was dat. En krijgt jeugdzorg dan een minder grote rol? Welnee! Het krijgt een nog veel grotere rol!In haar maidenspeech voor de eerste kamer 8 december 2007 had mr. dr. A.W. Duthler (VVD) al de chaos in de jeugdzorg aangekaart.
http://www.eerstekamer.nl/maidenspeech/_196 Dus kon een school ouders in het verleden gezinnen alleen maar van school pesten met het proberen op te dringen van valse zorgtrajecten, nu krijgen ze de macht tot kinderen uit huis plaatsen zonder controle mogelijkheid tot de terechtheid daarvan, want een handtekening is niet meer nodig! En was de schoolkeuze al beperkt, straks met Passend Onderwijs gaan scholen ook nog eens bepalen waar de kinderen geplaatst worden en hebben ouders helemaal geen stem meer.

25..Dat de wereld zo absurd zou worden dat er in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens iets vermeld zou moeten worden over willekeurig van je kinderen beroofd worden hebben ze in 1948 duidelijk niet voorzien, al zou dat goed te scharen zijn onder een combinatie van artikel 3 “Een ieder heeft het recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid van zijn persoon”en artikel  17 lid 2 “Niemand mag willekeurig van zijn eigendom worden beroofd.”

26. Samen met Noord Korea en Duitsland is Nederland één van de enige drie landen waar leerplicht gelijk is gesteld aan schoolplicht. Dat is een schending van artikel 20 lid 2 van de UVRM, waarin staat dat niemand gedwongen mag worden lid te worden van een vereniging.

27.Het koppelen van leerplicht met de plicht om naar een schoolgebouw  gaan en vervolgens geen interesse te hebben in wat er binnen die schoolmuren gebeurt is een schending van vele mensenrechten, en  helemaal in tegenspraak met de bedoeling van de leerplicht, wat eigenlijk beter ontwikkelingsrecht zou kunnen heten.

28.Leerplicht gelijkstellen aan schoolplicht is tevens een schending van artikel 30 van de UVRM, wat stelt dat “Geen bepaling in deze Verklaring zal zodanig mogen worden uitgelegd, dat welke Staat, groep of persoon dan ook, daaraan enig recht kan ontlenen om iets te ondernemen of handelingen van welke aard ook te verrichten, die vernietiging van een van de rechten en vrijheden, in deze Verklaring genoemd, ten doel hebben.”

29.Vrijstelling van leerplicht mag alleen op basis van levensovertuiging voor het 5de jaar, wat weer een schending is van artikel 18 van de UVRM waarin onder meer staat: “Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, “

30.Subsidies worden uitgedeeld op grond van levensovertuiging die een school vertegenwoordigd, of onderwijsmethode, wat maakt dat scholen vaak in methodes blijven hangen waar ze allang niet meer in geloven om maar subsidie te blijven krijgen.

31. Scholen krijgen door de levensovertuiging of de onderwijsmethode op grond waarvan ze hun bestaansrecht hebben vaak iets krampachtigs en sektarisch. Ook bij particuliere scholen is er geen garantie dat je daaraan ontkomt, want ook die staan onder streng toezicht van de inspectie met continue dreiging van hun status als school kwijt raken. Dat gecombineerd met het Stanford gevangenis experiment van Zimbardo effect wat absolute macht op mensen heeft, en waar geen enkel bewijs van is dat schoolleiders daar immuun voor zijn, en gecombineerd met het gebrek aan transparantie maakt dat je in alle scholen met de meest krankzinnige vormen van machtsmisbruik te maken kan hebben (Zie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Stanford-gevangenisexperiment).. Dossier vervalsing, gerommel met leerlinggegevens, niets is ondenkbaar in scholen. Er is dus geen manier om eraan te garanderen dat je kind niet onder moreel zeer abjecte omstandigheden verkeert in school

31.a. Discriminatie mag op scholen. Bij de rijksoverheid informatie staat gewoon ongegeneerd: “Het is toegestaan om leerlingen en docenten te weigeren als hun overtuiging in strijd is met de grondslag van de school. Een gereformeerde school mag bijvoorbeeld een joodse leerling weigeren.” (http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/vrijheid-van-onderwijs/openbaar-en-bijzonder-onderwijs). Hoeveel mensenrechten dit schendt behoeft geen betoog lijkt me. Tussengevallen worden niet benoemd, zoals wanneer ze er pas later achter komen dat iemand best Joodse opvattingen heeft. De ervaring leert  helaas dat scholen die achteraf toch vinden dat kinderen niet passen bij hun idee genadeloos hard kunnen zijn en kinderen wegpesten hoe zij ook hun best doen.

32.Door waar ze op beoordeeld worden is het voor scholen lastig mee te gaan met de eisen en ontwikkelingen van de tijd, en de behoeftes van de maatschappij, waardoor ze eigenlijk altijd achter de feiten aanlopen en kinderen niet goed op de maatschappij worden voorbereid.

33.Niet alle levensovertuigingen zijn vertegenwoordigd in kosteloos onderwijs. De belangrijkste scheidslijn tussen levensovertuigingen is niet benoemd door onderscheid te maken tussen katholiek, protestant, joods,  Islamitisch of openbaar. Zelfs holistisch dekt de lading niet. De levensovertuiging die dwars door alle geloven en stromingen heen loopt is die waarin de ziel als heilig en kwetsbaar wordt gezien, en het maar op los peuteren en wroeten erin  als zeer schadelijk wordt beschouwd. De levensovertuiging dat je kinderen niet mag oordelen naar hun zogenaamde zwakheden of beperkingen, en dat zelfs al het zoeken er naar beschadigend is, is niet vertegenwoordigd in het kosteloze onderwijs, terwijl er toch een substantieel aandeel van de bevolking is die er zo over denkt. Voor deze groep is scheiding van school en zorg cruciaal. Het niet tegemoet komen aan deze wens zou als een schending van heel veel fundamentele mensenrechten kunnen worden beschouwd. Met name artikel 12 van de UVRM  “Niemand zal onderworpen worden aan willekeurige inmenging in zijn persoonlijke aangelegenheden, in zijn gezin, zijn tehuis of zijn briefwisseling, noch aan enige aantasting van zijn eer of goede naam. Tegen een dergelijke inmenging of aantasting heeft een ieder recht op bescherming door de wet.” Maar ook artikel 18 van de UVRM:”Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst.”

34. Zonder zorgindicatie is er helemaal nergens hulp te krijgen. Dit impliceert dat er dus iets met een kind mis zou moeten zijn als het wordt gepest op school. Daarentegen kunnen pesters wel zonder label geholpen worden. De boodschap die hier vanuit gaat is dat niet de pester verkeerd bezig is, maar dat er iets mis  met iemand moet zijn als hij of zij het slachtoffer is van pesterij. Dit heeft  verregaande negatieve consequenties voor kinderen en de maatschappij als geheel.

35.Al in 2002 had Dr. Henk Blok van het Kohnstamm Instituut geconstateerd dat thuisonderwijs minstens net zo goed was als schoolonderwijs, en dat de wet op primair onderwijs van 1969 nodig moest worden herzien http://www.kohnstamminstituut.uva.nl/pdf_documenten/effectiviteit.pdf

Het is eigenlijk vreemd dat daar nu, 11 jaar later, nog steeds geen gehoor aan gegeven is, maar beter laat dan nooit. Misschien dat het rapport van kinderombudsman Marc Dullaert van 16 mei 2013 helpt ( zie http://www.dekinderombudsman.nl/ul/cms/fck-uploaded/KOM2.2013.OnderwijsThuiszitters.pdf.)  Ook hij wil van leerplicht naar leerrecht..

Ook Coen Free pleit voor een totale herziening van het onderwijssysteem (zie http://www.profielactueel.nl/content/coen_free_schotschrift_mei_2013.pdf)., evenals iedereen die  ogen en oren heeft en ook maar 8 seconden nadenkt over wat er in het Nederlandse onderwijs gebeurt.

Middels dit plan hopen wij dat de Tweede Kamer de regelgeving zo aanpast  dat artikel 26 van de in 1948 opgestelde Verklaring van de Rechten van de Mens werkelijk doorgang vindt, en er werkelijk vrijheid van onderwijs komt en veiligheid binnen scholen.

De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is wat het Nederlandse onderwijs betreft in het jaar dat zij volwassen had horen te worden op non actief gesteld.  Dan mag zij op haar pensioengerechtigde leeftijd hopelijk toch eindelijk eens aan de slag:

1.Hier de ideeën om de in UVRM artikel 26 lid 1 bepaalde kosteloosheid van onderwijs waar te maken: (oplossing voor punt 3,4,5, 31,32,34 en 35)

a.Alle in Nederland woonachtige kinderen in de leer- of kwalificatieplichtige leeftijd die geen gebruik (meer) maken van een vorm van bekostigd primair- (basis-) of voortgezet (middelbaar-) onderwijs, zouden, ten behoeve van hun optimale ontwikkeling, in aanmerking moeten komen voor een door de ouders of verzorgers voor hen aan te vragen Kinder Ontwikkelings Garantie (KOOG), ter hoogte van het bedrag dat ook beschikbaar is voor het onderwijs van hun leeftijdgenoten in het bekostigde onderwijs in Nederland, voor zolang als zij redelijkerwijs nodig hebben om hun lagere- en middelbare schoolopleiding te voltooien, en/of totdat zij een studiebeurs ontvangen. (zie: http://petities.nl/petitie/kindgebonden-onderwijs-budget)

b.Ook voor kinderen in de leer- of kwalificatieplichtige leeftijd in vervolgopleidingen die verder voor geen enkele regeling in aanmerking komen zou hier aanspraak op kunnen worden gedaan, zodat geen enkel kind meer tussen wal en schip valt.

c. Indien een bekostigde school waar het kind geen gebruik (meer) van maakt bekostiging voor het kind ontvangt, kan die bekostiging met inhouding van 5% administratiekosten ten behoeve van de “detacherende school” of organisatie, overgedragen worden aan de ouders of verzorgers middels een door de bekostigde school en de ouders of verzorgers te ondertekenen “detacheringsovereenkomst”, zodat het geld ingezet kan worden op de plaats waar het kind op dat moment zijn of haar onderwijs ontvangt. Dit om zowel dubbele bekostiging als oneerlijke verdeling te voorkomen.

d. Mocht de detacherende school nog wel enkele door ouders en leerling gewenste diensten verlenen aan de niet meer aanwezig zijnde leerling kan dat verrekend worden met een percentage boven op de administratie kosten wat ingehouden wordt op de bekostiging, uiteraard weer met toestemming van de ouders.

e. Kort gezegd: waar het kind is, of waar er diensten voor het kind verleend worden, hoort het geld te zijn, en als dat niet al zo is horen regelingen om dat mogelijk te maken niet alleen toegestaan te worden, maar moeten ze zelfs verplicht worden.

f. Niet scholen, maar kinderen moeten worden gesubsidieerd. (zie 3h)

g. Er moet ten alle tijde volledige transparantie zijn over alle cijfers en geldstromen.

h. Ter controle kunnen ouders gevraagd worden een aparte bankrekening te openen voor de KOB die alleen voor de ontwikkeling voor het kind gebruikt wordt, dus voor plusklassen, schoolgeld bij een particuliere school, leermaterialen  of begeleiding die niet door de verzekering wordt vergoed. Ontwikkeling mag ruim opgevat worden, maar moet wel uitgelegd kunnen worden.

2.Hier de ideeën om de in artikel 26 lid 3 van de UVRM bepaalde vrijheid van onderwijs waar te maken: (oplossing voor punt 1,2,6,13,14, 15, 16,19,20,22, 23, 25,26, 27, 28,29, 30, 31 2de  maal, 32 2de  maal, 33, 34,35 2de  maal)

a. De keuze voor bekostigd, niet bekostigd of thuisonderwijs, met als doorslaggevende argument het aller beste belang van het kind, mag op elk moment door kind en ouders of verzorgers samen genomen worden, en er mag ook ten allen tijde tussen gewisseld worden mocht dat gewenst zijn door kind en ouders of verzorgers.

b. Scholen en ouders dienen de ruimte te krijgen samen te bepalen welke aanpak het beste is voor een kind. De inspectie dient daar geen belemmerende rol in te spelen.

c. Toezichthouders horen buiten de school, niet binnen het bestuur van de eigen school. Dat geeft scheve verhoudingen en komt de sfeer niet ten goede.

d. Scholen dienen vrij te zij hun eigen lesmethodes toe te passen. De inspectie dient er alleen op toe te zien dat de UVRM gehandhaafd wordt. In de lesmethodes dienen leerkrachten vrij te zijn datgene te doen wat binnen de UVRM het beste past bij het kind. Ook de mogelijkheid tot deelcertificaten halen moet mogelijk worden gemaakt, zodat kinderen niet op beperkingen worden afgerekend, maar in hun krachten worden aangemoedigd.

e. Tests horen beschouwd te worden als ondergrens aangevend, niet als bovengrens aangevend. Kinderen horen vrij te zijn elk niveau te proberen wat ze ambiëren, en de taak van scholen is daar ondersteunend en aanmoedigend in te zijn. Ook dat hoort bij vrijheid van onderwijs: de vrijheid voor kinderen zelf het niveau van onderwijs te bepalen wat ze willen volgen, en als dat hoger ligt dan wat er uit tests komt mogen ze dat toch ten allen tijde proberen.

3.Hier de ideeën om de in UVRM artikel 26 lid 2bepaalde waarden, welbevinden en veiligheid van onderwijs waar te maken: [oplossing voor punt 7, 8. 9,10,11,12,13 (2e maal).14 (2de maal), 15 (2de maal),16 (2de maal), 17, 18, 19 (2de maal), 21,23,24, 25 (2de maal), 30(3de maal), 31 (3de maal) , 32 (3de maal), 33 (2de maal)]

a. We leven in een democratie, en daar zouden scholen een voorbereiding op horen te zijn, doordat kinderen en ouders daar ook inspraak en een stem hebben.

b. Op scholen dienen de in 1948 opgestelde bepalingen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens gehandhaafd te worden en alle kinderen dienen zich er veilig en gelukkig te kunnen voelen.

c. Als de onderwijsinspectie of het bureau leerplicht maar het geringste signaal ontvangt dat kinderen op school niet veilig zijn, ook al betreft het maar één kind, zou dat direct onderzocht moeten worden, en dienen die maatregelen genomen te worden die nodig zijn om de school weer veilig te maken, en mag het kind per direct thuisgehouden worden. Als de onderwijsinspectie of bureau leerplicht  dat onderzoek en die garantie niet op zich willen nemen moet de mogelijkheid bestaan een instantie op te richten die laagdrempelig en kosteloos of in elk geval makkelijk betaalbaar voor iedereen overal de fundamentele mensenrechten bewaakt voor elk gezin. Indien de school zelf niet voor thuisonderwijs zorgt zouden de gelden die de school krijgt voor het onderwijs van dat kind naar de ouders of verzorgers moeten gaan zodat die het kunnen inzetten om het kind thuisonderwijs te geven. Het  kind zou dan pas weer naar school moeten hoeven gaan als de maatregelen genomen zijn die nodig zijn om er voor te zorgen dat de in de UVRM gemelde omstandigheden ook heersen, en het kind daar werkelijk emotioneel en fysiek veilig is en optimaal gelukkig kan zijn.

d. Daarnaast moet er een onafhankelijke instantie komen die met kracht de fundamentele mensen rechten kan verdedigen van elk kind en elk gezin, en die bij elke melding van elke schending daarvan net zo snel ter plekke is als de brandweer bij een brand, en het grondig aanpakt. Het UVRM bewakingsteam, oftewel het U-team.

e. Waar kinderen en/ of ouders of scholen de dupe worden van regelgeving die de UVRM in de weg staat, zou hogere wetgeving moeten prevaleren boven lagere, en horen de rechten zoals beschreven in de UVRM  gehandhaafd te worden.

f. De verjaringstermijn van een jaar voor klachten zou moeten vervallen. Terecht bevonden klachten zouden bindende consequenties voor de school moeten hebben.

g. Als scholen zich alleen bezig kunnen houden met lesgeven en niet met zorg coördineren  geeft dat duidelijkheid en rust en houdt dat de gerichtheid van scholen gezond en op datgene waar ze voor bedoeld zijn, namelijk talentontwikkeling.

h. Zorg is aan ouders of verzorgers en de deskundigen die zij daarvoor willen raadplegen, via hun eigen zorgverzekeraar. Als ouders ervoor kiezen om dit toch door te school te laten doen en de school wil dat mag dat, ook maar ouders mogen er nooit toe verplicht worden of onder druk gezet worden, en mogen er ook op elk moment weer vanaf zien als het een kant op gaat die ze niet bevalt

i. Niet scholen, maar leerlingen moeten bekostigd worden, en

j. zodoende moet de minimale leerlingen grens voor bekostiging ook losgelaten worden.

k. Ouders dienen ten allen tijde toegang tot leerlingendossiers te hebben, en daar mag geen enkele ontmoedigende maatregel tegen genomen worden.

l.Alle cijfers en dossiers dienen ten allen tijde transparant en toegankelijk te zijn voor alle direct betrokkenen.

Ben je het met deze tekst eens, en zou je de  voorgaande conceptpetitie ondertekenen, klik dan op interessant bij de open linked in groep “OORvoorU” bij de discussie:”Conceptpetitie K.O.O.G”.

(zie:http://www.linkedin.com/groups/OORvoorU-5043452?goback=.anp_5043452_1369908018172_1)

Zou je het niet ondertekenen, zet dan bij het commentaar wat je anders zou willen zien.

Bijlage II Rapport Commissie Samson Omringd door zorg,
toch niet veilig

http://www.commissiesamson.nl/documenten/index.aspx

Omringd door zorg,
toch niet veilig
Seksueel misbruik van
door de overheid uit huis
geplaatste kinderen,
1945 tot heden
Rapport commissie-Samson,
8 oktober 2012
Boom Amsterdam
Omslag: Bart van den Tooren
Binnenwerk: Hannie Pijnappels
© 2012 commissie-Samson
Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van
1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze
uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in
een geautomatiseerd gegevensbestand, of
openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige
wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door
fotokopieën, opnamen of enig andere manier,
zonder voorafgaande schriftelijke toestemming
van de uitgever.
isbn978 94 6105 325 1
nur680
http://www.commissiesamson.nl
http://www.uitgeverijboom.nl
Inhoud
Deel 1 Het rapport
Voorwoord
1. Inleiding
1.1 Opdracht
1.2 Kindperspectief
1.3 Opbouw van het rapport
1.4 Waarover gaat dit rapport?
2. Context en kader
2.1 Formeel kader
2.2 Beeld van de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg in de tijd
2.3 Sociale achtergrond van uit huis geplaatste kinderen
2.4 Aandacht van de overheid voor veiligheid van kinderen
2.5 Conclusie
3. Aard, omvang en gevolgen van seksueel kindermisbruik
3.1 Aard en omvang van seksueel misbruik
3.2 Gevolgen van seksueel misbruik
3.3 De slachtoffers die zich bij de commissie gemeld hebben
3.4 Conclusie
4. Plegers van seksueel kindermisbruik
4.1 Kenmerken van plegers
4.2 Achtergronden en kenmerken van veroordeelde daders
4.3 Mechanismen
4.4 Conclusie
5. Reactie van de overheid op signalen van seksueel kindermisbruik
5.1 Reactie 1945-1990
5.2 Reactie 1990-2010
5.3 Conclusie
13
19
19
20
22
27
30
38
40
44
46
52
56
57
59
61
63
66
68
70
76
6. Huidige bescherming van het kind
6.1 Residentiële jeugdzorg en de pleegzorg: taken en risico’s
6.1.1 Residentiële jeugdzorg
6.1.2 De pleegzorg
6.2 Beschermingsconstructies voor kinderen in de residentiële jeugdzorg
en de pleegzorg
6.3 De praktijk: gebreken, dilemma’s en knelpunten
6.3.1 Gebreken, dilemma’s en knelpunten in de voorzorg
6.3.2 Gebreken, dilemma’s en knelpunten bij signaleren en melden
6.4 Conclusie
7. Conclusies
7.1 Inleiding
7.2 Aard en omvang van seksueel kindermisbruik
7.3 Bekendheid bij de overheid van signalen van seksueel kindermisbruik
7.4 De reactie van de overheid op signalen van seksueel kindermisbruik
7.5 Huidige mechanismen voor signalering van seksueel misbruik van uit
huis geplaatste minderjarigen
7.6 Samenvattende conclusies
8. Aanbevelingen
8.1 Aanbevelingen
8.2 En verder
8.3 Ten slotte
9. Samenvatting
10. Summary
Literatuur
Lijst van afkortingen
77
78
81
83
86
87
90
93
96
97
98
100
101
105
106
124
125
129
142
155
159
Deel 2 Verantwoording
1. De commissie
2. Werkwijze
3. Contacten met slachtoffers
4. Overdracht van zaken
5. Wetenschappelijk onderzoek
6. Internationale afstemming
7. Contact met de commissie-Deetman
8. Professionals
9. Rondetafelgesprekken
10. Communicatie
11. Archivering
Bijlagen
1. Instellingsbesluit d.d. 16 augustus 2010
2. Wijzigingsbesluit d.d. 13 oktober 2011
3. Wijzigingsbesluit d.d. 9 februari 2012
4. Samenstelling begeleidingscommissies
5. Deelnemers internationale expertmeeting
6. Overzicht gesprekken met professionals en autoriteiten
7. Deelnemers rondetafelgesprekken
8. Formulier voor het meldpunt van de commissie-Samson
9. Onderzoeksplan
10. Gedragscode voor het onderzoek van de commissie-Samson
11. Brief van prof. dr. F. Lamers-Winkelman en drs. B. Tierolf
d.d. 23 april 2012
12. Brief prof. dr. P.G.M. van der Heijden d.d. 18 juni 2012
13. Brief prof. dr. A.J.A. Felling d.d. 23 juni 2012
14. Uit de brief van drs. W. van Berlo d.d. 29 juni 2012
15. Uit het verslag van drs. W. van Berlo, gevoegd bij de brief van
29 juni 2012
163
166
173
184
188
209
212
214
216
220
224
229
235
237
240
245
247
257
260
269
303
322
325
328
331
332
Deel 3 Deelonderzoeken en bijlagen
De deelonderzoeken en bijlagen zijn op de bijgevoegde cd-rom geplaatst
Inleiding
1.Deelonderzoek 1: Jeugdzorg in Nederland, 1945-2010.
Rapport Rijksuniversiteit Groningen, prof. dr. J.J.H. Dekker
2.Deelonderzoek 2a: Onderzoek naar seksueel misbruik van kinderen die onder
verantwoordelijkheid van de overheid zijn geplaatst in instellingen en bij
pleegouders. Beschrijving van het relevante juridische kader.
Rapport mr. J.J. Wiarda
3.Deelonderzoek 2b: Seksueel misbruik in de jeugdzorg. Governance vanuit het
kindperspectief.
Rapport Verwey-Jonker Instituut en VU, dr. mr. K.D. Lünnemann en dr. F.E. Six
4.Deelonderzoek 3a: Prevalentie Seksueel Misbruik in de Nederlandse Jeugdzorg in
2008-2010.
Rapport Universiteit Leiden, prof. dr. L.R.A. Alink
5.Deelonderzoek 3b: Literatuurstudie, interviews en dossierstudie seksueel misbruik
in pleeggezinnen en instellingen voor jeugdzorg.
Rapport Verwey-Jonker Instituut, prof. dr. F. Lamers-Winkelman en drs. B. Tierolf
6.Deelonderzoek 4: Aard en omvang van seksueel misbruik in de residentiële
jeugdzorg en reacties op signalen van dit misbruik (1945-2008).
Rapport Rijksuniversiteit Groningen, prof. dr. M.C. Timmerman
7.Deelonderzoek 4: Seksueel misbruik van kinderen in pleegzorg.
Rapport Rijksuniversiteit Groningen, prof. dr. H.W.E. Grietens
8.Deelonderzoek 5a: Prevalentie Seksueel Misbruik bij Kinderen met een Lichte
Verstandelijke Beperking in de Nederlandse Jeugdzorg in 2008-2010.
Rapport Universiteit Leiden, prof. dr. L.R.A. Alink
9.Deelonderzoek 5b: Seksueel Grensoverschrijdend Gedrag en Misbruik bij Kinderen
en Jongeren met een (Licht) Verstandelijke Beperking.
Rapport Universiteit van Amsterdam, dr. I.B. Wissink
10.Daders van seksueel misbruik van onder toezicht gestelde kinderen: een
verkennende studie.
Rapport R. de Jong MSc
11.Seksueel misbruik in de jeugdzorg. Onderzoek op basis van politieregistraties
in opdracht van de commissie-Samson.
Rapporten Bureau Beke, dr. mr. A.Ph. van Wijk en dr. H.B. Ferwerda
12.Onderzoek OM-afdoeningen van seksueel misbruik in de residentiële jeugdzorg en
pleegzorg.
Rapport mr. S.J. van Klaveren, mr. R.S.T. van Rossem-Broos en mr. L.A.J.M. de Wit
13.Overheid en gedwongen jeugdzorg: een nader onderzoek naar toezicht en
inspectie in de periode na de Tweede Wereldoorlog tot midden jaren tachtig.
Rapport Rijksuniversiteit Groningen, prof. dr. J.J.H. Dekker
14.Samenvatting commissiegesprekken
15.Meldingen buiten het onderzoeksbereik
16.Statistische analyse Meldpunt
17.‘Soms kun je het alleen maar fout doen’
Artikel D. van den Berg en S. van der Goot
18.Verslag internationale expertmeeting
19.Verslag rondetafelgesprek professionalisering
20.Verslag rondetafelgesprek toezicht pleegzorg
21.Verslag rondetafelgesprek pleegzorg
Literatuuroverzicht

Deel 1
Het rapport

13
Voorwoord
Seksueel misbruik van kwetsbare kinderen die juist beschermd
moeten worden. Het is moeilijk voor te stellen. De laatste jaren
zijn verschillende zeer ernstige verhalen naar buiten gekomen. In
april 2010 besloten de ministers voor Jeugd en Gezin en van Justi-tie onderzoek te laten doen naar mogelijke signalen van seksueel
misbruik van minderjarigen die op gezag van de overheid in
instellingen of pleeggezinnen waren geplaatst, en ze vroegen mij
dat onderzoek te leiden. Het is een ingrijpende ervaring geweest.
De volstrekte eenzaamheid van vaak heel jonge kinderen, die dik-wijls nog jaren later het leven beheerst, heeft mij diep getroffen
in de verhalen van de slachtoffers. Door de jaren heen zijn er altijd
veel mensen geweest die zich al dan niet beroepsmatig bekom-merden om het lot van kinderen. Kinderen zijn, met andere woor-den, al die tijd omringd geweest door zorg. We hebben in een
tekening (zie 6.2) zichtbaar gemaakt hoeveel mensen nabij en
verder weg het kind omringen, betrokken zijn bij het kind. Uit ons
onderzoek blijkt dat dat voor (te) veel kinderen ook vandaag de
dag nog niet heeft mogen leiden tot veiligheid.
De opvattingen over hoe om te gaan met kinderen mogen dan
vanaf 1945 erg veranderd zijn, de gevoelens van deze kinderen zijn
dat niet. Misbruikte kinderen van nu zijn misschien assertiever,
maar nog steeds zijn ze even kwetsbaar, voelen ze zich in de steek
gelaten, als een pakketje heen en weer geschoven, niet serieus
genomen, niet gewenst, verraden en gebruikt. Net als de mensen
die jaren geleden zijn misbruikt, hebben zij, kort gezegd, het
gevoel er als mens niet toe te doen.
Ruim 800 mensen hebben bij de commissie melding gemaakt van
seksueel misbruik van kinderen. Het merendeel is zelf slachtoffer
geweest. De gevolgen van het misbruik en van de daarbij komen-
de omstandigheden, zo vertelden zij, duren tot op de dag van
vandaag voort. Het leven van velen is buiten hun schuld verwoest.
‘Wij hebben levenslang’ is een opmerking die we vaak hebben
gehoord.
Gelukkig hebben we ook mensen gesproken die er desondanks
in geslaagd zijn hun leven op de rit te krijgen. Dat ging niet van-zelf. Het kostte hun veel inspanning en doorzettingsvermogen om
na het leed dat ze hebben ondergaan hun verdere leven hierdoor
niet te laten bepalen.
Het Meldpunt is ook vaak benaderd door mensen die niet strikt
tot de doelgroep van de commissie behoorden. Eén derde van de
meldingen viel niet binnen onze opdracht. Maar ook van wat zij
hebben gemeld, hebben we uitdrukkelijk nota willen nemen. In
deze gevallen ging het eveneens om ernstig misbruik en ernstige
mishandeling. Gaandeweg hebben we geconstateerd dat ook de
veiligheid van andere dan door de rechter uit huis geplaatste
kinderen onvoldoende is en dat ook diegenen behoefte kunnen
hebben aan erkenning van wat hun als kind is aangedaan. Daar-om wil ik hier de behoefte aan een breed meldpunt, na de ophef-fing van het onze, nogmaals benadrukken.
Even terug naar het begin van de commissie. Al vrij snel na het
openstellen van het Meldpunt hebben we contact gezocht met
Slachtofferhulp Nederland (SHN) om de slachtoffers die daaraan
behoefte hadden hulp te kunnen bieden of indien nodig door te
verwijzen. Want als iets vanaf de eerste meldingen duidelijk was,
was dat wel dat slachtoffers het gevoel hadden dat ze nergens
terechtkonden met hun verhaal of hulpvraag. Hen nogmaals in
de kou laten staan, was wat ons betreft niet aan de orde. Vandaar
dat SHN werd gevraagd die ‘achtervang’ op zich te nemen.
Het vele onderzoek dat voor en door ons is gedaan heeft geleid
tot een groot aantal bevindingen. Voordat u het rapport leest,
hecht ik eraan het volgende op te merken.
We moeten ons realiseren dat uit huis geplaatste kinderen
behoren tot de kinderen met de allerzwaarste problemen. Zij
hebben vaak al op heel jonge leeftijd zeer ingrijpende gebeurte-nissen meegemaakt. Al lange tijd is bekend dat dergelijke gebeur-tenissen kinderen extra kwetsbaar maken voor misbruik. Ook uit
14
Voorwoord
15
Voorwoord
ons onderzoek komt naar voren dat deze groep kinderen een (aan-zienlijk) grotere kans maakt om slachtoffer van seksueel misbruik
te worden. Daarnaast is het een groep kinderen die vaak extreem
moeilijk en onaangepast gedrag vertoont. Het opvangen en
opvoeden van deze kinderen is dus vele malen moeilijker dan het
opvoeden van het ‘gemiddelde’ kind.
In dit kader de volgende opmerking. Onze opdracht was onder-zoek te doen naar seksueel misbruik in de gedwongen jeugdzorg,
waardoor onze focus automatisch gericht was op waar het niet
goed ging of gaat in de jeugdzorg. Als wij in ons rapport hier en
daar hard oordelen, dan moeten we daar steeds bij bedenken dat
de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg staan voor een zeer
zware taak en dat ondanks de geconstateerde tekortkomingen de
inzet van eenieder respect afdwingt. Steeds hebben wij in ons ach-terhoofd gehouden met welke vaak gecompliceerde jongeren
gewerkt moet worden. Desondanks hebben we gemeend helder
en zonder verhullende termen tot conclusies te moeten komen en
aanbevelingen te moeten doen. In het belang van het kind.
Een aantal uitkomsten van ons onderzoek heeft mij verbaasd. De
eerste is het grote aantal zelfstandige instellingen in de jeugdzorg
dat zonder centrale regie of eindverantwoordelijkheid opereert in
een zo cruciale sector in onze samenleving: het opvoeden van kin-deren met vaak ernstige problematiek. Zo heeft het kunnen
gebeuren dat een aantal instellingen geweigerd heeft aan het
onderzoek mee te werken. Deze door de commissie geconsta-teerde vrijblijvendheid leidt in de praktijk tot kwalitatief verschil-lende prestaties. Daardoor zullen onze conclusies en aanbevelin-gen op de ene zorgverlener meer van toepassing zijn dan op de
andere. Wie de schoen past, trekke hem aan.
Een ander verbazingwekkend fenomeen dat we tegenkwamen,
is de ‘systeem- of stelselverantwoordelijkheid’ van het verantwoor-delijke ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).
Dit houdt in dat het ministerie vooraf heldere eindtermen moet
formuleren voor wat van de uitvoering verwacht wordt en moet
zorgen voor een deugdelijke financiering en toereikende capaci-teit. Naar ons oordeel heeft het ministerie van VWS zijn eigen bij-zondere verantwoordelijkheid gedelegeerd zonder vooraf heldere
eindtermen te formuleren. Evenmin is voorzien in een toereiken-de, onafhankelijke controle op het naar behoren nakomen van die
verantwoordelijkheid. Dit heeft geleid tot een mate van vrijblij-vendheid die niet bijdraagt aan de veiligheid van het kind. Een
volgend punt van verbazing betreft het nog steeds bestaande
taboe rond seksualiteit en de grote handelingsverlegenheid als
het erop aankomt seksualiteit en seksueel grensoverschrijdend
gedrag bespreekbaar te maken. In de opleiding en op de werkvloer
mag niet langer om het thema seksualiteit en seksueel misbruik
heen gelopen worden alsof het iets bijzonders is; het hoort bij het
dagelijks leven.
Tot slot was ik verrast over het feit dat uit de onderzoeken is
gebleken dat iets meer dan de helft van het misbruik in instellin-gen is gepleegd door groepsgenoten. Gelet op de problematiek
van deze doelgroep hadden we dit misschien kunnen verwachten,
maar onze focus lag aanvankelijk toch vooral op de misbruikende
groepsleider. Het is zaak daarop beleid te voeren.
De commissie had tot opdracht onderzoek te doen naar de aard
en omvang van seksueel misbruik van – kort gezegd – door de
overheid uit huis geplaatste kinderen over de periode van 1945 tot
en met 2010. De opdracht was dus niet individuele gevallen van
seksueel misbruik te onderzoeken. Dit zou in de relatief korte
periode die ons gegund is ook niet mogelijk zijn geweest.
Voor veel slachtoffers is het waarschijnlijk teleurstellend dat
wij niet aan waarheidsvinding hebben kunnen doen. Mij is echter
ook gebleken dat veel slachtoffers daarvoor begrip hebben. Voor
beide groepen geldt dat zij ons geholpen hebben het probleem in
kaart te brengen en aanbevelingen te doen voor de toekomst.
Laten we hopen dat over een aantal jaren zal blijken dat we er
samen een bijdrage aan hebben kunnen leveren seksueel mis-bruik van kinderen terug te dringen.
Ik dank de bewindslieden van Veiligheid en Justitie (VenJ), de
staatssecretaris van VWS en de Tweede Kamer voor hun voortdu-rende belangstelling voor de voortgang van het onderzoek, onze
onafhankelijkheid daarbij steeds respecterend. Ik dank de com-missie Deetman voor de goede samenwerking.
Dank ook aan de leden van de commissie, die ieder vanuit
haar/zijn eigen deskundigheid, maar allen met dezelfde bevlogen-16
Voorwoord
17
Voorwoord
heid en persoonlijke betrokkenheid ten aanzien van het lot van
misbruikte kinderen, hun bijdrage aan het onderzoek en niet te
vergeten het eindrapport leverden.
Zoals in deel 2 van dit rapport is te lezen zijn alle wetenschap-pelijk onderzoeken door een eigen commissie begeleid. Dit heeft
gemaakt dat wij optimaal van vrijwel alle in Nederland op het
betreffende terrein aanwezige deskundigheid hebben kunnen
profiteren. Allen die daaraan hebben bijgedragen wil ik hier dank-zeggen. Een speciaal woord van dank betreft Wim Slot, die, naast
zijn voorzitterschap van een van de begeleidingscommissies,
optrad als voorzitter tijdens de bijeenkomst met de buitenlandse
experts, en daarnaast ook inhoudelijk heeft bijgedragen aan het
eindrapport.
De medewerkers van het secretariaat ben ik veel dank verschul-digd voor het vele werk dat zij hebben verzet en de goede externe
contacten die zij hebben onderhouden. Hoewel ze in het begin
onwennig en onbekend met het onderwerp waren, waren zij al
snel geraakt door het leed van de slachtoffers dat via het Meld-punt van de commissie naar buiten kwam. Dit heeft hen extra
gemotiveerd het onderzoek tot een goed eind te brengen. Een
extra woord van dank is op zijn plaats voor de medewerkers van
het Meldpunt. Zij hebben alle ruim 800 melders – de meesten
slachtoffer – met veel geduld en compassie te woord gestaan. De
gesprekken lieten hen niet onberoerd en maakten het werk emo-tioneel zeer belastend.
Zonder de bezielende leiding van de secretaris van de commis-sie, Christiaan Ruppert, was dit alles beslist niet zo goed verlopen.
Met voortdurende persoonlijke aandacht voor de medewerkers
heeft hij het secretariaat tot een hecht team gesmeed, waarbij
het onderzoek en de slachtoffers steeds voorop bleven staan.
Maar bovenal dank ik de slachtoffers die de moed hebben
gehad hun verhaal aan ons te vertellen. Velen van hen zijn door
ons onderzoek opnieuw geconfronteerd met hun pijnlijke erva-ringen op jonge leeftijd.
Allen hebben eraan bijgedragen dat wij ons voortdurend reali-seerden hoe dringend er iets moet gebeuren om de kinderen en
jeugdigen van nu zo veel mogelijk tegen seksueel misbruik te
beschermen.
Ik wens allen die aan de slag gaan met onze aanbevelingen veel
sterkte, wijsheid en doorzettingsvermogen toe, en spreek de ver-wachting uit dat de Kinderombudsman na zijn monitor zal con-cluderen dat ‘onze kinderen’ niet alleen omringd zijn door zorg,
maar ook veilig zijn.
Rieke Samson
18
Voorwoord
19
1. Inleiding
1.1 Opdracht
De opdracht aan de commissie was onderzoek te doen naar:
a. signalen van seksueel misbruik van minderjarigen die onder
verantwoordelijkheid van de overheid zijn geplaatst in
(rijks)instellingen en pleeggezinnen
b. bekendheid bij de overheid van signalen als bedoeld onder a
c. de reactie van de overheid op signalen als bedoeld onder a
d. huidige mechanismen voor signalering van seksueel misbruik
van minderjarigen als bedoeld onder a.
Daarbij is bepaald dat dit onderzoek betrekking zou hebben op
de periode 1945-2010.
1.2 Kindperspectief
De behoeften, de rechten en de belangen van de kinderen en jon-geren zijn voor de commissie nadrukkelijk het uitgangspunt
geweest voor haar onderzoek.
1
Er wordt daarbij geredeneerd
vanuit de positie van en het concrete contact met kinderen. Met
behulp van een concentrisch model met het kind in het middel-punt en daaromheen de personen en instanties op wier bescher-ming het is aangewezen, is dit zogenoemde kindperspectief
verder uitgewerkt (zie 6.2). Het gaat hierbij om de bescherming
van kinderen, om daadwerkelijke oplossingen voor de problemati-sche positie waarin het kind is komen te verkeren en om de rol die
het kind, diens directe omgeving en professionals die het kind
omringen, daarin kunnen spelen. Het gaat dus niet over de nale-1 Verenigde Naties (1989):Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
ving van wetten of protocollen, maar om een individugerichte
benadering waarin behoeften, rechten en belangen van het kind
richtinggevend zijn voor onder meer professioneel gedrag, me-thodieken, klachtenprocedures, sancties, ondersteuning en hulp.
De commissie is van mening dat dit perspectief het uitgangs-punt zou moeten zijn om tot aanbevelingen voor de toekomst te
komen.
1.3 Opbouw van het rapport
Het eindrapport van de commissie bestaat uit drie verschillende
delen.
Deel 1 van het rapport geeft de samenvatting van de resultaten
van het onderzoek van de commissie weer. Het eindigt met de
conclusies en aanbevelingen die de commissie hieraan verbindt.
Deel 2 betreft een uitgebreide verantwoording van het werk
van de commissie. Een van de onderwerpen is de werkwijze van
de commissie in het licht van de haar gegeven taakopdracht. Ook
de afbakening van de taak van de commissie wordt in dit deel
behandeld.
Deel 3 bevat de inhoudelijke informatie die de commissie heeft
gebruikt om tot haar eindoordeel te komen. Dat zijn de rapporta-ges van de onderzoeken, de verslagen van rondetafelgesprekken
en de internationale expertmeeting, evenals de eigen analyses
van de meldingen die bij de commissie zijn gedaan. De onderzoe-ken die in opdracht van de commissie zijn uitgevoerd, hebben
betrekking op:
• een historische schets van de jeugdzorg, in het bijzonder de
residentiële jeugdzorg en de pleegzorg over de periode 1945-2010
• het juridisch kader
• de governance (bestuur, bevoegdheden en verantwoordelijk-heden)
• de aard en omvang van seksueel misbruik en de reacties op
signalen daarvan in de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg,
1945-2008
• de aard en omvang van en reacties op seksueel misbruik in de
residentiële jeugdzorg en de pleegzorg, 2008-2010
20
1. Inleiding
21
1. Inleiding
• de aard en omvang van en reacties op seksueel misbruik van
kinderen met een licht verstandelijke beperking, 2008-2010
• het handelen van politie en Openbaar Ministerie (OM) 1990-2010
• de achtergronden en kenmerken van veroordeelde daders
• het feitelijk toezicht op de residentiële jeugdzorg en de pleeg-zorg in de periode na de Tweede Wereldoorlog tot midden
jaren tachtig.
De diverse onderzoeken vullen elkaar aan, en soms is nader, ver-diepend onderzoek noodzakelijk gebleken. Twee jaar lang heeft de
commissie op systematische wijze informatie over de residentiële
jeugdzorg en de pleegzorg ontsloten.
De commissie heeft een onderzoeksterrein betreden dat groten-deels nieuw is in Nederland. Tot nu toe is er in Nederland weinig
of geen onderzoek gedaan dat specifiek gericht is op seksueel mis-bruik van kinderen in instellingen en pleeggezinnen. Er is lange
tijd geen maatschappelijke behoefte geweest om hier onderzoek
naar te doen, evenmin als er behoefte is geweest aan onderzoek
naar kindermishandeling in het algemeen in deze settings. Er zijn
weinig databronnen beschikbaar en ook is er weinig systemati-sche kennis opgebouwd. Pas na de start van de commissie-Deetman in 2010 ontstond de behoefte aan meer inzicht. De
Tweede Kamer stelde toen de vraag naar de aard en omvang van
seksueel misbruik van door de overheid uit huis geplaatste kinde-ren, omdat de overheid voor die kinderen een bijzondere, eigen
verantwoordelijkheid heeft.
Het onderzoeksveld is voor de commissie uiterst weerbarstig
gebleken. Seksueel misbruik laat zich per definitie moeilijk onder-zoeken, omdat het een heikel onderwerp is waarover niet gemak-kelijk gesproken wordt. Praten over dit onderwerp is nog steeds
met taboes omgeven. Seksueel misbruik is moeilijk te ‘meten’,
omdat veel kinderen
2
er niet over praten, signalen van kinderen
geen officiële meldingen worden, opvattingen en praktijken ver-anderen in de tijd, archieven er weinig informatie over bevatten
2 Waar in dit rapport over ‘kinderen’ wordt gesproken, wordt met deze term gedoeld
op alle minderjarigen. Dus zowel kinderen als jongeren.
enzovoort. Bovendien wordt het beeld naarmate het zoeklicht van
het onderzoek verder teruggaat in de tijd steeds zwakker.
3
Wat
betreft de periode vóór 1990 hebben de onderzoekers zich groten-deels moeten baseren op sporadisch aanwezige en dan nog vaak
onvolledige archieven en op getuigenissen van personen die de
commissie hebben verteld over het misbruik waarvan ze toen
slachtoffer waren, dan wel van personen die toen werkzaam
waren in de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg.
Het totaal van de door de commissie ontvangen rapportages
van de deelonderzoeken, gecombineerd met haar eigen bevindin-gen, maakt het voor de commissie mogelijk om in samenhang de
hoofdvragen van het onderzoek te beantwoorden. Het resultaat
is een deels kwalitatief, deels kwantitatief beeld van de aard, de
ernst, en de omvang van seksueel misbruik in de residentiële
jeugdzorg en de pleegzorg, en van de mechanismen en de wer-king daarvan binnen de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg
om kinderen tegen dit misbruik te beschermen.
1.4 Waarover gaat dit rapport?
In 2010 zijn ongeveer 10.000 kinderen door de kinderrechter onder
toezicht gesteld. Veel van deze kinderen kunnen gewoon thuis
blijven wonen. Dan kijkt en helpt de gezinsvoogd mee. Als dat niet
het geval is en het voor het kind beter is dat het niet thuis woont,
kan de overheid (de kinderrechter op vordering van de Raad voor
de Kinderbescherming (RvdK) en advies van het Bureau Jeugdzorg
(BJZ)) het kind uit huis plaatsen. In 2010 verbleven in totaal 46.826
kinderen in de Nederlandse residentiële jeugdzorg en de pleeg-zorg.
Aan de uithuisplaatsing van een kind liggen doorgaans één of
meer van de volgende redenen ten grondslag: bescherming van
het kind, bescherming tegen het kind en behoefte aan specifieke
22
1. Inleiding
3 Bij het historisch onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen is de metafoor
gebruikt van het zoeklicht dat zwakker wordt naarmate de gebeurtenissen verder weg
in de tijd plaatsvonden om de problemen te duiden bij onderzoek naar feiten in het
verleden.
23
1. Inleiding
hulpverlening. Als een kind thuis niet veilig is en het ondanks
inspanningen daartoe de ouders niet lukt die veiligheid in vol-doende mate te bieden, zal die veiligheid elders geboden moeten
worden. Is bescherming van een kind de primaire reden, dan ligt
plaatsing in een pleeggezin het meest voor de hand.
4
Daarnaast
zijn er kinderen die zelf een bedreiging vormen voor de veiligheid
van anderen en om die reden elders geplaatst worden waar ze
‘minder kwaad kunnen’. Gebeurt dat op basis van een strafrechte-lijke maatregel, dan wordt de jongere geplaatst in een justitiële
jeugdinrichting (JJI). Jongeren met gedragsproblemen van zeer
ernstige aard kunnen op civielrechtelijke gronden geplaatst en
behandeld worden in een instelling voor gesloten jeugdzorg.
5
In
deze twee gevallen gaat het om een mix van bescherming en
hulpverlening.
Als de uithuisplaatsing gebeurt op last van de overheid, dan
draagt die overheid een bijzondere verantwoordelijkheid voor de
zorg voor veiligheid van deze kinderen, in termen van toezicht op
hun veiligheid en in termen van zorg voor de professionaliteit van
degenen die de veiligheid moeten waarborgen en voor voldoende
middelen om dat te doen.
Uit de verhalen van de slachtoffers blijkt dat de kinderen zich in
de periode van uithuisplaatsing vaak ontheemd, ontredderd,
eenzaam, wantrouwig en machteloos voelen. Het is van groot
belang dat deze kinderen zich in hun nieuwe omgeving – een
instelling of een pleeggezin – veilig kunnen voelen. De residenti-ele jeugdzorg en de pleegzorg staan voor de opgave het leven van
deze kinderen weer op het goede spoor te krijgen. Voorwaarde
daarvoor is dat zij de bescherming en de veiligheid bieden waar-aan het deze kinderen eerder veelal ontbroken heeft. Uit het
onderzoek van de commissie blijkt echter dat het daar regelmatig
4 Binnen de pleegzorg zijn vier hoofdcategorieën te onderscheiden: netwerkpleeg-zorg (het pleeggezin maakt deel uit van het eigen sociale netwerk van het kind en
diens gezin) en bestandspleegzorg (het pleeggezin maakt geen deel uit van genoemd
netwerk), en daarnaast de hulpverleningsvariant (het accent ligt op hulp aan het kind
en diens ouders; de duur is beperkt) versus de opvoedingsvariant (pleegzorg met langer
perspectief en in principe van onbeperkte duur).
5 Een tussenvorm van residentiële jeugdzorg en pleegzorg is een gezinshuis waar
een (echt)paar, met of zonder eigen kinderen, dat in dienst is van een zorgaanbieder
(zie noot 7) enkele jongeren verzorgt en opvoedt en opneemt in het eigen gezin.
aan schort, ook in hun nieuwe situatie. Relatief veel kinderen
worden in juist die situatie die bij uitstek veilig zou moeten zijn
het slachtoffer van seksueel misbruik.
Om te verduidelijken wat seksueel misbruik is en wat het met kin-deren doet, volgen hier de verhalen van Esmeralda, Bruce, Teddy en
Michelle. Zij hebben zich gemeld bij de commissie.
Esmeralda is 11 jaar en wordt in 2007 door haar vader mishandeld
en met geweld seksueel misbruikt. Nadat een lerares op school
heeft opgemerkt dat Esmeralda vaak blauwe plekken heeft, heeft de
lerares hier melding van gemaakt bij het Advies- en Meldpunt Kin-dermishandeling (AMK). Het AMK doet hierop onderzoek naar de
situatie van Esmeralda. Het onderzoek leidt ertoe dat BJZ de kinder-rechter voorstelt Esmeralda uit huis te plaatsen. De kinderrechter
volgt dit advies op en plaatst haar uit huis. Esmeralda komt vervol-gens terecht in een instelling. Als Esmeralda 13 jaar is, krijgt ze een
nieuwe groepsleider, Winston. Hij is erg aardig voor haar en geeft
haar veel aandacht. Een jaar later heeft ze een gesprek met hem op
zijn kamer. Hij begint plotseling haar bovenbeen te strelen en gaat
met zijn hand onder haar bloesje. Dat wil zij niet en ze geeft dat
ook aan. Hij zegt dat hij verliefd op haar is, en dat geeft haar een
speciaal gevoel. Hij gaat echter door en zegt dat ze hem moet
pijpen. Esmeralda kan niet tegen hem op en doet wat hij vraagt.
Dit gebeurt nog een paar keer, zelfs een keer op haar kamer. Hier
hebben ze uiteindelijk ook geslachtsgemeenschap. Ze mag het
niemand vertellen, omdat Winston anders ontslagen wordt en dan
zonder werk komt te zitten.
Bruce is 8 jaar als hij in 1975 in een pleeggezin wordt geplaatst.
Thuis is er altijd ruzie. Vaak blijft het niet bij schreeuwen en schel-den, maar wordt zijn vader zo agressief dat hij zowel Bruce als zijn
moeder bont en blauw slaat. Uiteindelijk wordt Bruce door de kin-derrechter uit huis geplaatst. In het pleeggezin lijkt het eerst een
paradijs. Vooral met zijn pleegvader kan Bruce het goed vinden. Hij
krijgt veel aandacht van hem, net zoals twee andere pleegkinderen.
Als Bruce 10 jaar is, blijft het niet meer bij een knuffel als zijn pleeg-vader hem naar bed brengt. Zijn pleegvader begint steeds vaker en
langer aan hem te zitten en dit gaat steeds verder, van strelen naar
24
1. Inleiding
25
1. Inleiding
aftrekken en uiteindelijk ook pijpen. Bruce wil zijn thuis en vrienden
niet voor de tweede keer kwijtraken en daarom vertelt hij niets aan
zijn pleegmoeder en de gezinsvoogd.
Teddy is nu 14 jaar. Hij is drie jaar geleden uit huis geplaatst omdat
zijn moeder opgenomen werd in een psychiatrische kliniek en niet
meer voor Teddy kon zorgen. Zijn vader heeft hij nooit gekend. In de
instelling waar Teddy terechtgekomen is, zoekt zijn oudere broer
Bob hem geregeld op. Bob heeft aan zijn broertje gemerkt dat hij
zich anders is gaan gedragen. Hij dacht eerst dat Teddy door de
puberteit zo raar ging doen. Bob is met Teddy blijven praten, tot
eruit kwam dat hij seksueel werd misbruikt door andere jongens in
de instelling. Een van de jongens speelt de baas over de andere
jongens. Zelf misbruikt deze jongen Teddy niet, maar hij geeft de
andere jongens de opdracht om Teddy af te trekken of een voorwerp
in zijn anus te stoppen. Bob is met het verhaal naar de directie van
de instelling gestapt, maar die zeggen niets te kunnen doen zolang
Teddy zijn mond niet opendoet. Teddy durft echter niets te zeggen,
omdat hij ontzettend bang is voor de jongens. Met de voogd van
Teddy heeft Bob er nu voor gezorgd dat Teddy wordt overgeplaatst
naar een andere instelling. Bob hoopt echter dat Teddy binnenkort
wel zijn verhaal gaat doen, want Bob is bang dat de jongens anders
nog meer slachtoffers gaan maken. Bob hoopt met zijn melding bij
de commissie dat hij een bijdrage kan leveren aan een veiliger
omgeving voor jongeren die in een instelling wonen.
Michelle is 9 jaar. Ze is zwakbegaafd en licht lichamelijk gehandi-capt, waardoor zij extra verzorging nodig heeft. Jeugdzorg ziet dat
de ouders van Michelle haar die zorg niet volledig kunnen bieden.
Ze hebben in totaal vijf kinderen en Michelle is ernstig verwaar-loosd. Daarom wordt Michelle in december 2007 uit huis geplaatst.
In de instelling waar ze terechtkomt wordt ze goed verzorgd. Ook is
er voor Michelle geregeld dat ze elke dag met een busje van en naar
een speciale school wordt gebracht. Op een dag wordt ze seksueel
misbruikt door de buschauffeur. Vanaf dat moment gebeurt dat
elke maandag, twee maanden lang. Een van de groepsleiders heeft
door dat Michelle de laatste tijd wat teruggetrokken is en vraagt
haar waarom ze zo stil is. Michelle vertelt dat ze pijn heeft in haar
schaamstreek, waarna de groepsleider haar vraagt of iemand haar
ergens aangeraakt heeft waar ze dat niet fijn vond. Uit de antwoor-den die Michelle geeft en een onderzoek bij de dokter blijkt dat
Michelle seksueel misbruikt is door de buschauffeur. Door de leiding
van het tehuis wordt er aangifte tegen hem gedaan.
De verhalen van Esmeralda, Bruce en Teddy gaan over seksueel
misbruik in de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg. Bij Michelle
vindt het misbruik plaats buiten de instelling.
Esmeralda beschrijft in haar melding aan de commissie een
situatie die zich enkele jaren geleden voordeed. De melding is
later door de commissie doorgegeven aan de politie en aan het
OM. Op dit moment loopt er een strafrechtelijke procedure, omdat
Esmeralda aangifte heeft gedaan. Met Bruce, een pleegkind in de
jaren tachtig, heeft de commissie uitgebreid gesproken. Via SHN is
hij bij gespecialiseerde hulpverlening terechtgekomen. Bij Teddy
heeft de instelling niet ingegrepen, omdat hij te bang was om zijn
verhaal te doen. Teddy is overgeplaatst, terwijl de plegers niet zijn
aangepakt door de instelling. De melding van Michelle ligt strikt
genomen buiten de taakopdracht van de commissie. Uit het
contact met de melder heeft de commissie begrepen dat de bus-chauffeur ontslagen en veroordeeld is.
Seksueel misbruik komt voor in alle sectoren van de samenleving
waar volwassenen met kinderen verkeren. Het is een van de
vormen van kindermishandeling die kinderen kunnen overkomen.
De kwaliteit van een samenleving manifesteert zich in de zorg
voor zijn meest kwetsbare burgers. In de preambule van het Inter-nationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) staat dat
‘een kind dient te worden opgevoed in de geest van vrede, waar-digheid, vrijheid, gelijkheid en solidariteit’. Voor zover deze begrip-pen de grondvesten zijn van de samenleving, is investeren in zorg
voor veiligheid en welzijn van kinderen een elementaire verant-woordelijkheid van de overheid. Overheid, jeugdzorg en burgers,
onder wie in het bijzonder ouders, hebben elkaar daarbij nodig.
Dit rapport gaat over seksueel misbruik van kinderen in de resi-dentiële jeugdzorg en de pleegzorg.
26
1. Inleiding
27
2. Context en kader
In dit hoofdstuk worden de context en het kader geschetst waar-binnen het denken over seksueel misbruik en over de zorg voor
kinderen zich ontwikkeld hebben. Ingegaan wordt op:
• het formele kader
• het beeld van de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg in de
tijd
• de sociale achtergrond van uit huis geplaatste kinderen
• aandacht van de overheid voor veiligheid van kinderen.
2.1 Formeel kader
6
Al ruim voor de onderzochte periode is de wetgever er duidelijk
over dat seks met niet-weerbaren strafbaar is. Er is ook dan al vol-doende wetgeving om in het geval van seksueel misbruik straf-rechtelijk op te treden.
Overziet men de ontwikkeling van de zedelijkheidswetgeving
vanaf 1945, dan kan worden vastgesteld dat onder invloed van de
nationale en internationale tijdgeest en door een grotere kennis
van en inzicht in aard, omvang en gevolgen van seksueel misbruik,
de strafrechtelijke bescherming van personen tegen seksueel mis-bruik is uitgebreid en de strafwetgeving strenger is geworden. De
positie van het slachtoffer is in het straf- en het strafprocesrecht
versterkt.
Tegelijkertijd is er als gevolg van veranderde opvattingen over sek-sualiteit en de seksuele moraal meer ruimte gekomen voor vrij-willig seksueel verkeer tussen jongeren onderling. De in de jaren
6 Het juridisch kader is beschreven door mr. J.J. Wiarda en opgenomen in deel 3.
zeventig opkomende stroming die meer ruimte bepleit voor in-tieme contacten tussen volwassenen en kinderen, slaat evenwel
niet aan. Vrijwel onomstreden is de opvatting dat ‘je met je
handen van kinderen moet afblijven’.
De belangrijkste wetswijzigingen op het terrein van de zedelijk-heidswetgeving voltrekken zich na 1990. In 1991 wordt een ingrij-pende wijziging doorgevoerd. Met de vernieuwing en modernise-ring van de artikelen 242, 243, 244, 245 en 247 van het Wetboek van
Strafrecht heeft de wetgever een balans gezocht tussen bescher-ming van personen tegen aantasting van hun lichamelijke inte-griteit door derden, en bescherming tegen overheidsingrijpen in
het persoonlijk (lees ook: seksuele) leven van personen.
Voor het onderzoek van de commissie zijn de huidige algemene
artikelen 242 (verkrachting), 244 (gemeenschap met kind jonger
dan 12), 245 (idem met kind ouder dan 11 en jonger dan 16), 246
(aanranding) en 247 (ontucht met personen onder 16 jaar) en met
name artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht, eerste lid en
tweede lid, sub 2 van belang. Dit laatste artikel ziet expliciet op
seksueel misbruik van een kind dat zich bevindt in een specifieke
afhankelijkheid ten opzichte van de dader. Het eerste lid heeft
onder meer betrekking op seksueel misbruik van een minderja-rige door zijn of haar (pleeg)ouder en op misbruik van een min-derjarige door degene aan wiens of wier zorg, opleiding of
waakzaamheid deze is toevertrouwd. Het tweede lid, sub 2 ziet
onder meer op seksueel misbruik van een persoon die is opgeno-men in een rijksinrichting voor kinderbescherming of een instel-ling van weldadigheid.
Bij de beschrijving van het juridisch kader is een enkele opmer-king op zijn plaats. In de loop van het onderzoek hebben slachtof-fers aandacht gevraagd voor de verjaringstermijn. Zij vinden dat
zijzelf levenslang met de gevolgen van seksueel misbruik worden
geconfronteerd en vragen zich af waarom de dader op een gege-ven moment gevrijwaard zou moeten zijn van een mogelijke straf-rechtelijke vervolging. Hoezeer dit argument ook te begrijpen valt,
het opheffen van de verjaringstermijn voor seksueel misbruik van
kinderen wijkt ingrijpend af van het systeem van strafvordering.
Daarbij is een sluitende bewijsvoering in zedenzaken per definitie
al een ingewikkelde zaak, wat alleen maar moeilijker wordt naar-28
2. Context en kader
29
2. Context en kader
mate de tijd verstrijkt. Opheffing van de verjaringstermijn kan
naar het oordeel van de commissie een mooi gebaar lijken, maar
zou weinig toevoegen.
Op dit moment is er sprake van een veelheid aan wetgeving die
gaat over uit huis geplaatste kinderen. Het gaat dan om de ver-antwoordelijkheid van de overheid en particuliere instanties die
bij de plaatsing van de kinderen een rol spelen. Die plaatsing
geschiedt op civielrechtelijke of strafrechtelijke grondslag. Civiel-rechtelijke plaatsing is mogelijk in instellingen en in pleeggezin-nen. Strafrechtelijke plaatsing geschiedt in JJI’s. De beslissing tot
plaatsing is een ingrijpende maatregel. Plaatsing wordt – op vor-dering van de RvdK met een indicatie van BJZ en in strafzaken op
vordering van het OM – gelast door een (kinder)rechter of behoeft
diens machtiging. Residentiële jeugdzorg en pleegzorg, kinderbe-scherming en jeugdstrafrecht zijn de afgelopen jaren aan grote
veranderingen onderhevig geweest. De verantwoordelijkheid voor
de uitvoering van de ondertoezichtstelling (OTS) is sinds de inwer-kingtreding van de Wet op de jeugdzorg (Wjz) in 2005 in handen
gesteld van het BJZ. Voor de komende jaren zijn er opnieuw veran-deringen voorzien: de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg
worden grotendeels overgeheveld naar de gemeenten en komen
daarmee onder gemeentelijke aansturing te staan.
De eerste wetten op het terrein van de kinderbescherming date-ren van 1905. In 1965 treden de Beginselenwet voor de kinderbe-scherming en het Uitvoeringsbesluit kinderbescherming in
werking met regels over de tenuitvoerlegging van straffen en
maatregelen. In 1989 volgt de Wet op de jeugdhulpverlening met
regels over planning en kwaliteit van, samenwerking bij en voor-waarden voor jeugdhulpverlening. In 2005 wordt de Wet op de
jeugdzorg ingevoerd. De huidige BJZ’s verrichten hun taken op
basis van een plan dat toegesneden moet zijn op de behoeften
van de cliënt. Zorgaanbieders verlenen de feitelijke zorg en bieden
accommodaties aan.
7
Personen die werken binnen de jeugdzorg
dienen over competenties te beschikken, waaronder de beoorde-7 Zorgaanbieders zijn de organisaties die de feitelijke hulpverlening, opvang en
behandeling bieden aan jeugdigen (zie artikel 18 Wjz).
ling en aanpak van kindermishandeling. Er zijn geen nadere regels
gesteld ten aanzien van aan het personeel te stellen opleidings-en deskundigheidseisen.
De bewindslieden van VWS en VenJ hebben altijd de eindver-antwoordelijkheid gedragen voor het plaatsings- en kwaliteitsbe-leid. De directeuren van de instellingen hebben de verantwoorde-lijkheid voor de gang van zaken in hun inrichtingen.
Naast externe toezichthouders zijn er interne meld- en klachten-procedures en interne toezichthouders in de residentiële jeugd-zorg en de pleegzorg. De raden van toezicht in de non-profitsector
zijn in de laatste twee decennia ontstaan. De kwaliteit van zorg is
expliciet onderdeel van het interne toezicht.
Wat betreft het externe toezicht had de inspectie jarenlang
een zeer gefragmenteerde organisatie en moest het doen met een
uiterst beperkt aantal medewerkers. Er werd wel vrij methodisch
gewerkt (vaste onderdelen bij elk bezoek aan een instelling), maar
het geheel was gebaseerd op een door de inspectie en kinderbe-schermers gedeelde aandacht voor het welzijn van de betreffende
kinderen. De paradox is dat een toenemende professionalisering
vanaf de jaren vijftig leidde tot een groeiende afstand tussen
inspectie en kinderbeschermers. Daarmee is een proces op gang
gekomen dat kortheidshalve aangeduid kan worden als de over-gang van ‘georganiseerd vertrouwen’ naar ‘georganiseerd wan-trouwen’. Inmiddels zijn alle vormen van toezicht en inspectie
ondergebracht in één organisatie, de Inspectie Jeugdzorg (IJZ).
Deze organisatie is op enige afstand geplaatst van de overheid
en functioneert ook enigszins afstandelijk ten opzichte van de
instelling. Het inspectieproces is daarmee meer gericht op meta-toezicht en analyse dan op interventies en (individuele) klacht-afhandeling.
2.2 Beeld van de residentiële jeugdzorg en
de pleegzorg in de tijd
8
De residentiële jeugdzorg en de pleegzorg zijn maatschappelijke
instituten ten behoeve van kinderen, ouders en samenleving.
Belangen van kinderen, ouders en samenleving zijn ten nauwste
30
2. Context en kader
31
2. Context en kader
met elkaar vervlochten. Opvattingen over die belangen en over
de verhoudingen daartussen variëren in de loop der tijd, en dus
variëren ook de praktijk, de organisatie en de ideologie van de
jeugdzorg.
9
Dit veranderende conglomeraat van ideologie, organi-satie en praktijk vormt de context waarbinnen de residentiële
jeugdzorg en de pleegzorg omgaan met de onderwerpen seksua-liteit en seksueel misbruik. Hieronder volgt een korte schets van
de veranderingen die zich hierin in de afgelopen decennia voltrok-ken hebben. Uitgangspunt is dat de manier waarop tegen seksu-eel misbruik wordt aangekeken niet voor eens en altijd vastligt;
het varieert met opvattingen over sociale verhoudingen, over
rechten en kwetsbaarheden van kinderen en met een vrijere of
strengere moraal.
Periode 1945-1965
De residentiële jeugdzorg en de pleegzorg van na de Tweede
Wereldoorlog – toen als kinderbescherming aangeduid – verschil-len niet veel van die daarvoor. Hoofddoel is bescherming van het
kind tegen de lichamelijke en zedelijke (geestelijke) ondergang,
zoals dat sinds 1923 heette, toen de kinderbeschermingsmaatregel
van OTS werd ingevoerd. Dit behoeden voor de zedelijke onder-gang maakt van de kinderbescherming in feite ook een vorm van
maatschappijbescherming; kinderen ‘in gevaar’ vormen immers
‘een gevaar’ voor de samenleving. Dreigen kinderen thuis maat-schappelijk te ontsporen, dan dienen anderen, pleegouders of
werkers in een inrichting, de opvoedende taak van ouders over te
nemen.
Seksualiteit is een van de domeinen waarop een kind kan ont-sporen als het – hoe of door wie dan ook – voortijdig daarmee in
aanraking komt. En seksueel wangedrag, zoals promiscuïteit of
seksueel contact van een volwassen familielid met een kind, is
naast vele andere een van de manieren waarop de ‘onmaatschap-pelijkheid’ van een gezin zich kan manifesteren. Men is in die
8 Een uitgebreide schets van de ontwikkelingen van de residentiële jeugdzorg en de
pleegzorg is beschreven door de Groningse onderzoeksgroep onder leiding van prof. dr.
J.J.H. Dekker (zie deel 3).
9 Met ‘ideologie’ wordt gedoeld op de impliciete of expliciete opvattingen over de
functie van de jeugdzorg en over de samenhang tussen genoemde belangen die rich-ting geven aan praktijk en organisatie.
periode in de psychiatrie, de rechtspraak en de bestrijding van
onmaatschappelijkheid al decennialang vertrouwd met het ver-schijnsel ‘seksueel misbruik’, zij het anders benoemd. Echter, men
ziet seksueel misbruik niet als een bijzonder probleem dat een
specifieke aandacht en aanpak vergt. Er zijn dan ook geen expli-ciete regels behalve morele codes van meer algemene aard inzake
handelwijzen bij het aan het licht treden of het aan het licht
brengen van dit gedrag. Kennis en inzicht omtrent deze materie
scherpen het oog voor seksueel misbruik. In de periode van 1945
tot 1965 ontbreken die kennis en dat inzicht, en blijft dus veel sek-sueel misbruik van kinderen onbekend. Wel is er bezorgdheid over
het gevaar dat voortijdige seksuele ervaringen van een kind kan
vormen voor anderen in de omgeving van het kind, zoals leeftijd-genoten of groepsleiders. Het gebrekkige gevoel voor grenzen, de
preoccupatie met seksualiteit en het seksueel wervend gedrag
van bepaalde kinderen worden gezien als een beroepsrisico voor
groepsleiders. Er is daarom in de residentiële jeugdzorg veel aan-dacht voor het spanningsveld tussen nabijheid en intimiteit ener-zijds en professionele distantie anderzijds. Onderkenning van dat
spanningsveld maakt dat er enig begrip – geen goedkeuring –
voor is als een groepsleider over de schreef gaat. Desalniettemin
blijven sancties doorgaans niet uit. De aandacht gaat echter meer
uit naar het gevaar dat bepaalde kinderen kunnen vormen voor
de groepsleiding dan naar het gevaar dat groepsleiders kunnen
vormen voor de kinderen.
De kinderbescherming staat, zoals zoveel andere instituties, na de
Tweede Wereldoorlog in het teken van de verzuiling. De zuilen in
de kinderbescherming zijn overwegend van katholieke en protes-tantse gezindte. Daarnaast is er een klein aantal overheidsinstel-lingen voor strafrechtelijk geplaatste pupillen. De zuilen functio-neren onder meer als hoeder van moraal en traditie in eigen
kring en ze kennen wat de kinderbescherming betreft elk diverse
vormen van toezicht. Daarnaast heeft ook de overheid haar eigen
vormen van toezicht en inspectie, zowel wat betreft de eigen
instellingen als de particuliere. Tezamen vormen al deze soorten
toezicht een tamelijk chaotisch geheel, waarbij taken en bevoegd-heden niet helder zijn afgebakend en de inspectie in feite afhan-kelijk is van meldingen door de betrokken instellingen. De
32
2. Context en kader
33
2. Context en kader
beperkte mankracht van de inspectie zegt iets over het politieke
belang dat aan inspectie en toezicht wordt gehecht, iets wat overi-gens naar het lijkt een persoonlijke betrokkenheid en inzet van de
inspecteurs niet in de weg staat. Binnen de particuliere instellin-gen bestaat veel weerstand tegen toezicht van de overheid, vooral
als dat de inhoud van het werk betreft. Overheidstoezicht beperkt
zich daarom vooral tot formele zaken als controle op subsidie-eisen. Deze eisen hebben vanaf eind jaren vijftig meer betrekking
op professionalisering, om langs die weg als overheid meer
invloed te hebben op het werk binnen de instellingen.
Periode 1965-1990
Het traditionele en verzuilde systeem van kinderbescherming
wankelt in de jaren zestig en tegelijkertijd ontwikkelt zich een
andere zedelijke en seksuele moraal. Drie onderling samenhan-gende ontwikkelingen spelen daarin een belangrijke rol. Ten eer-ste de bestrijding van onmaatschappelijkheid, decennialang dé
context voor de kinderbescherming, raakt op zijn retour; ten
tweede ontwikkelt zich een nieuwe visie op de betekenis van de
verhouding ouder-kind en ten derde gloort er een ‘lossere’ moraal,
losser met name van zuil en traditie, maar ook in de zin van vrijer,
zonder aan strikte regels gebonden te zijn. De eerste twee ontwik-kelingen hebben gevolgen voor de interventie in ouder-kindrela-ties; de derde leidt tot andere opvattingen over seksualiteit van
en met kinderen.
De toenemende morele en culturele pluriformiteit van de
samenleving doet de markeringen tussen maatschappelijk en
onmaatschappelijk, tussen aangepast en onaangepast vervagen.
Traditie en zuil worden steeds minder de hoeder van moraal.
Moraliteit moet verankerd zijn in de eigen overtuiging en niet van
buitenaf worden opgelegd, en pluriformiteit in zeden en levens-stijl leidt tot meer tolerantie. Omdat de kinderbescherming
decennialang in feite een rol heeft gespeeld in het behoeden van
de maatschappelijke orde, leidt de kritiek op die verzuilde en ver-starde orde als vanzelf tot kritiek op de hoeder ervan, de kinderbe-scherming, en op haar vermeende patriarchale optreden.
Binnen de pedagogiek en de psychologie wordt meer en meer
de fundamentele betekenis beklemtoond van de band tussen
ouder en kind voor de persoonswording van het kind en diens hele
verdere ontwikkeling. Deze heroriëntatie op de maatschappelijke
orde, en in het bijzonder die op de band tussen ouder en kind,
leidt tot een grote terughoudendheid om drastisch in te grijpen in
de relatie ouder-kind. Kon voorheen de uithuisplaatsing van een
kind gezien worden als redding van de zedelijke ondergang, nu
klinkt soms zelfs de slogan: ‘Beter een slecht gezin dan een goed
tehuis.’ Het aantal uithuisplaatsingen daalt dan ook fors tussen
het einde van de jaren zestig en het midden van de jaren tachtig.
Maar alleslogansten spijt blijven er kinderen uit huisgeplaatst
worden, omdat ze thuis niet veilig kunnen opgroeien. En net als
voorheen zetten ook zij bij groepsleiders het spanningsveld op
scherp tussen nabijheid en intimiteit enerzijds en professionele
distantie anderzijds. Een veranderende seksuele moraal maakt
evenwel dat dit spanningsveld voor een deel anders ervaren
wordt. Er is sprake van een toenemende openheid inzake seksuali-teit. Niet de zuil, maar het eigen morele besef is daarbij bepalend.
Dit gaat in de jaren zeventig gepaard met een wat ruimhartiger
houding ten opzichte van pedofilie en ten opzichte van kinderlijke
seksualiteit. Ten gevolge daarvan is er sprake van een grotere tole-rantie voor erotische gevoelens van groepsleiders voor pupillen en
voor intimiteit tussen hen. Ging voorheen de aandacht vooral uit
naar het seksuele probleemgedrag van de jongeren en de bedrijfs-risico’s die daarvan uitgaan, nu staan de gevoelens van groepslei-ders meer centraal en wordt ervoor gepleit om aan seksualiteit
op meer ruimhartige wijze een plaats toe te kennen in het inrich-tingswerk. Dit alles vergroot, in combinatie met de aanzienlijke
machtsverschillen binnen de instellingen, het risico op seksueel
misbruik door groepsleiders.
Tegelijk doet zich in deze zelfde periode een geheel andere ontwik-keling voor. Vanaf het eind van de jaren zestig en het begin van de
jaren zeventig komt de kinderbescherming meer en meer in het
teken te staan van bescherming tegen kindermishandeling. Ging
dat aanvankelijk vooral om fysiek geweld, sinds het begin van de
jaren tachtig komt seksueel misbruik, mede onder invloed van de
vrouwenbeweging, meer in de belangstelling te staan. Pas in die
jaren wordt seksueel misbruik (de term dateert ook uit die tijd)
gezien als een specifiek probleem dat aparte aandacht en een
aparte aanpak behoeft. Sinds die tijd wordt onderkend hoe trau-34
2. Context en kader
35
2. Context en kader
matisch een dergelijke ervaring voor een kind kan zijn (zie 3.2). In
ons land heeft het in 1982 verschenen boekDe straf op zwijgen is
levenslang
10
waarin een groep vrouwen vertelt over het misbruik
in hun jeugd, daarin een grote rol gespeeld. Ook het rapport van
Draijer naar de omvang en gevolgen van seksueel misbruik dat in
1988 verscheen, heeft daar in belangrijke mate aan bijgedragen.
11
Meer dan ooit gaat de aandacht nu uit naar de gevolgen voor het
kind. Begrippen als pleger en slachtoffer doen ook dan pas opgeld.
Al blijft de term ‘kinderbescherming’ in de wet nog jarenlang
gehandhaafd, centraal staat niet meer de bescherming tegen
lichamelijke en zedelijke ondergang, maar het delicate evenwicht
tussen zorg voor veiligheid van een kind en zorg voor bestendi-ging van de ouder-kindrelatie. Kindermishandeling, in de vorm
van geweld, verwaarlozing of misbruik, is dé bedreiging van die
relatie en dus ook voor de persoonswording van een kind. Klonk er
in de jaren zeventig en tachtig nog enig begrip door in het oordeel
over een seksuele betrekking tussen een groepsleider en een
pupil, nadien worden dergelijke betrekkingen in elke professio-nele relatie, dus ook die tussen groepsleider en pupil, krachtig
afgewezen.
De overheid is in deze periode niet richtinggevend in het beleid ter
bestrijding van seksueel misbruik. Wel stelt zij door middel van
strengere voorwaarden aan de subsidiëring van de kinderbescher-ming kwaliteitseisen aan het werk. Het regenteske karakter van de
kinderbescherming verandert in een meer professioneel systeem
met beroepsdifferentiatie en diploma-eisen. Kleinere leefgroepen
worden mogelijk en de vrijwilligers verdwijnen. Na verloop van
tijd wordt echter de macht van de professionals in de kinderbe-scherming kleiner en de macht van het management groter; het
management maakt de dienst uit.
10 VSK (1982).De straf op zwijgen is levenslang.
11 Draijer, P.J. (1988).Seksueel misbruik van meisjes door verwanten; een landelijk onder-zoek naar de omvang, de aard, de gezinsachtergronden, de emotionele betekenis en de
psychische en psychosomatische gevolgen. Den Haag: Ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
Periode 1990-heden
In het voorgaande ging in de bespreking van beide thema’s – ont-wikkelingen in de visie op seksueel misbruik en in de rol van de
overheid als toezichthouder – de aandacht vooral uit naar de resi-dentiële jeugdzorg en nauwelijks of niet naar de pleegzorg. Wat
betreft de pleegzorg is er voor beide thema’s lange tijd ook weinig
aandacht. Pleegzorg was informeler dan residentiële jeugdzorg: er
waren geen subsidie-eisen, en derhalve was er ook geen toezicht
op de naleving ervan. De professionele bemoeienis met pleegge-zinnen was beperkter en per slot is een pleeggezin ook gewoon
een gezin, met alle rechten op en eisen van privacy van dien.
Pleegzorg voltrok zich daardoor meer buiten het toezicht dan resi-dentiële zorg.
Onder meer door onderzoek onder ex-pupillen van de kinderbe-scherming naar hun ervaringen als pleegkind was men er ook in
de jaren vijftig en zestig mee bekend dat in een pleeggezin wel
eens ‘ongepastheden’ voorkwamen die soms reden vormden voor
overplaatsing, en dat er pleegvaders waren ‘die hun handen niet
thuis konden houden’. Het was evenwel niet een thema dat bij-zondere aandacht had. Pas in het begin van de jaren negentig
komt seksueel misbruik op de agenda van de pleegzorg. Dit is de
tijd waarin er meer systematische aandacht komt voor het bijzon-dere van pleegouderschap en voor de eigen positie van pleeg-ouders en pleeggezinnen in het hele veld van de jeugdzorg. Die
aandacht krijgt onder meer vorm in de voorbereiding van aspi-rant-pleegouders op een mogelijk pleegouderschap met behulp
van op Amerikaanse leest geschoeide programma’s. In dat kader
wordt er aandacht gegeven aan het verband tussen gedragingen
van een pleegkind en diens voorgeschiedenis en dus ook aan het
verband tussen seksueel probleemgedrag en een problematische
voorgeschiedenis.
Wat de residentiële jeugdzorg betreft, ontstaat er vanaf begin
jaren negentig stringenter beleid met betrekking tot seksuele con-tacten van groepsleiders met pupillen. De veiligheid van het kind
staat voorop. De opvatting die in de jaren tachtig postvatte dat
seksualiteit in een zorgrelatie verwerpelijk is, zet zich door. En
opnieuw is er aandacht voor het spanningsveld van groepsleiders
tussen nabijheid en intimiteit enerzijds en professionele distantie
36
2. Context en kader
37
2. Context en kader
anderzijds, maar nu in het licht van dit uitgangspunt: de veilig-heid van het kind.
Veiligheid is sinds drama’s als dat van Savanna (2004) een domi-nant thema geworden in de residentiële jeugdzorg en de pleeg-zorg. Inherent aan zorg voor veiligheid is het voorschrijven van en
werken met procedures en protocollen. Dat is in de residentiële
jeugdzorg en de pleegzorg niet anders dan daarbuiten. De laatste
jaren heeft dat geleid tot een sterke toename van protocollen,
gedragscodes, kwaliteitsplannen en zo meer. De officiële toezicht-houder, de IJZ, toetst sterk op naleving daarvan.
Tot op zekere hoogte bieden protocollen en dergelijke een
houvast bij de keuzen die gemaakt moeten worden in het eerder
genoemde aloude spanningsveld tussen zorg voor veiligheid van
een kind enerzijds en zorg voor bestendiging van de ouder-kindre-latie anderzijds. Ze dienen als het goed is de veiligheid van het
kind en maken het de professional beter mogelijk (zich voor) zijn
keuzen te verantwoorden. Maar in dat laatste schuilt een risico. In
het rapport van de Werkgroep Toekomstverkenning van de Jeugd-zorg van de Tweede Kamer (mei 2010)
12
wordt opgemerkt dat de
huidige problemen in de Jeugdzorg onder meer veroorzaakt
worden door een steeds geringere acceptatie van risico’s, door ver-antwoordingsdruk en door een indekcultuur. De nadruk op gepro-tocolleerde veiligheid kan, met andere woorden, ten koste gaan
van werkelijke professionaliteit en zorgvuldigheid in die lastige
balans tussen zorg voor veiligheid van een kind en zorg voor de
relatie tussen kind en (pleeg)ouder. Het kan ertoe leiden dat het
niet meer gaat om de beste keuze en beslissing voor de veiligheid
van het kind, maar om een keuze waarmee men voor zichzelf als
professional en als instelling het meest op safe speelt.
13
Slotopmerking
Gedurende de gehele in dit onderzoek beschreven periode is sek-sualiteit en – met de term van nu aangeduid – seksueel misbruik
van kinderen een onderwerp geweest waar professionals zich niet
12 Parlementaire werkgroep Toekomstverkenning Jeugdzorg.Jeugdzorg Dichterbij,
TK 2009-2010, 32296, nr. 7.
13 Baartman, H. (2010). Werken met angst,Ouderschapskennis,13, 125-141.
goed raad mee wisten. Daar zijn verscheidene redenen voor aan te
wijzen. Deels hangt dit ongemak samen met een sfeer van taboe
rond seksualiteit. Daarnaast is seksueel misbruik van een kind,
hoewel men met het verschijnsel als zodanig al zeer lang bekend
is, pas sinds het midden van de jaren tachtig als een bijzonder
probleem voor het kind gearticuleerd. Sindsdien is er meer dan
voorheen oog gekomen voor het traumatiserende karakter ervan.
Meer dan vroeger is nu ook duidelijk dat ernst en complexiteit
van seksueel misbruik hoge eisen stellen aan de professionaliteit
van de werkers in de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg en
aan het functioneren van de jeugdzorg als systeem. Die professio-naliteit is in de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg in de afge-lopen dertig jaar duidelijk toegenomen. Dat die toename minder
ver is dan wenselijk, hangt voor een deel samen met de complexi-teit van het verschijnsel seksueel misbruik; de ernst ervan maakt
het evenwel noodzakelijk met de ontwikkeling van die professio-naliteit vaart te maken.
2.3 Sociale achtergrond van uit huis geplaatste
kinderen
Kinderen die door de overheid uit huis geplaatst worden, komen
vooral uit de sociaal zwakkere groepen van de Nederlandse
samenleving. Dat was zestig jaar geleden al zo en dat is het nu
nog. In de kern is daar in alle jaren geen verandering in gekomen.
Uithuisplaatsingen hebben vroeger, zoals hiervoor al gezegd,
vooral te maken met ontsporingen van kinderen en/of ouders in
zogeheten onmaatschappelijke gezinnen. Overheidsingrijpen
heeft dan als doel het kind – en zo mogelijk ook de ouders – weer
op het rechte pad te brengen. Kinderbescherming is decennialang
een vorm van beschavingsarbeid, gericht op gezinnen in achter-standssituaties. De opvoedings- en gedragsproblemen die nopen
tot overheidsingrijpen worden in sterke mate toegeschreven aan
de maatschappelijke en economische omstandigheden van die
gezinnen. De toegenomen welvaart in algemene zin – en de sterke
verbetering in de volkshuisvesting – zou deze achterstand, en dus
deze problemen, oplossen. Dit resultaat zou versterkt moeten
worden door de Algemene Bijstandswet en andere inkomens-38
2. Context en kader
39
2. Context en kader
maatregelen, was toen de redenering ( jaren zestig en zeventig).
Dit gebeurt echter maar ten dele.
Er zijn altijd gezinnen geweest die maatschappelijk minder goed
meekomen, en ze zullen er ook altijd blijven. De eisen en normen
van een steeds veranderende samenleving creëren telkens hun
eigen uitvallers, met telkens andere eigentijdse termen aange-duid. In een periode waarin het disfunctioneren van ouders en
kinderen in belangrijke mate geweten wordt aan hun maatschap-pelijke positie – en dat is tot in de jaren zestig het geval – worden
termen gebruikt als ‘sociaal ontoelaatbaar’, ‘asociaal’ en ‘onmaat-schappelijk’. Wanneer het onderscheid tussen maatschappelijk en
onmaatschappelijk minder eenduidig wordt, raken deze aandui-dingen in onbruik. Sinds de jaren zeventig maakt de professionele
bemoeienis met gezinnen, inclusief de instituten vanwaaruit dat
gebeurt, een sterke groei door. En ook dan zijn er uitvallers. De
groep namelijk waar die bemoeienis moeilijk vat op krijgt. Vanuit
het perspectief van professionele bemoeienis worden ze met de
term ‘multiprobleemgezin’ aangeduid: een gezin dat zelf veel pro-blemen heeft, maar ook de hulpverlening veel problemen geeft.
De professionele hulpverlening weet zich er niet goed raad mee.
Er zijn dus nog steeds gezinnen die de samenleving en in het bij-zonder ook de hulpverlening voor problemen plaatsen. Daarbij
dienen we onder ogen te zien dat, naast pedagogische onmacht
en persoonlijkheidsproblemen, er bij de groep waar het hier over
gaat – uit huis geplaatste kinderen – net als voorheen sprake is
van processen van armoede en maatschappelijke uitsluiting. Hier-door zijn zij minder zelfredzaam.
Sinds enkele decennia is er daarnaast een instroom van een groep
migranten wie het niet altijd lukt maatschappelijk aansluiting te
vinden. Dat leidt tot relatief veel contacten met de residentiële
jeugdzorg en/of de pleegzorg. Opvoedingsproblemen van ouders,
ontwikkelingsproblemen bij kinderen en maatschappelijke pro-blemen van gezinnen, soms in combinatie met sociale uitsluiting,
gaan vaak samen en kunnen elkaar zodanig versterken dat een
jongere voor kortere of langere tijd uit huis geplaatst moet worden.
De soms beperkte mogelijkheden voor kinderen om ‘van huis uit’
de aansluiting te vinden met onder meer onderwijs en jeugdcul-
tuur en de toenemende eisen die de samenleving aan hen stelt
om mee te doen, maken dat deze jongeren voor hun ontwikke-lingnogal eens op opvoeding en hulpverlening elders zijn aange-wezen.
2.4 Aandacht van de overheid voor veiligheid van
kinderen
De ontwikkeling in het denken over de kinderbescherming – en
later de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg – wordt mede be-paald door opvattingen over de rol van de overheid in het maat-schappelijk leven. Die koppeling is niet direct. Het lijkt erop dat
bepaalde trends in het denken over de rol van de overheid in alge-mene zin met een zekere vertraging hun doorwerking gevonden
hebben in de residentiële jeugdzorg en nog wat later in de pleeg-zorg.
Opvattingen over die rol van de overheid zijn aan veranderin-gen onderhevig. In de jaren veertig en vijftig is er sprake van een
zekere terughoudendheid van de overheid in het maatschappelijk
leven. Haar rol staat in het teken van ‘verdelende rechtvaardig-heid’. Dat wil zeggen dat het de taak van de overheid is ervoor te
zorgen dat materiële en immateriële goederen gelijkelijk in de
samenleving verdeeld worden.
In de jaren zestig gaat de overheid (dewelfare state) zich in-dringend bemoeien met het leven van burgers en het reilen en
zeilen van de samenleving. Het planningsdenken, de maakbaar-heidsgedachte rukt op. Daarbij doet zich de paradox voor dat op
het moment dat de overheid een meer directe greep op de inhoud
van het werk in de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg pro-beert te krijgen, de maatschappelijke weerstand tegen ‘dwang’
sterk toeneemt. Er is sprake van een toenemende mondigheid en
een toenemende maatschappelijke afkeer van disciplinerende
maatregelen. Deze ontwikkelingen leiden er uiteindelijk toe dat
de overheid op een andere manier inhoud geeft aan haar verant-woordelijkheid.
Vanaf de jaren tachtig wordt het maakbaarheidsdenken ingeruild
voor andere besturingsarrangementen: vangovernment to gover-40
2. Context en kader
41
2. Context en kader
nance. Een ontwikkeling naar een terugtredende overheid,
bedrijfsmatiger werken, schaalvergroting, differentiatie, speciali-satie, het aantasten van de professionele autonomie door nieuwe
managementlagen en een sterk gebureaucratiseerde controle.
Tegelijkertijd ontstaat een grote hoeveelheid regelingen (van
overheidswege, brancheorganisaties, accreditatie-instellingen,
zelfstandige bestuursorganen), onoverzichtelijke financierings-stromen, instellingen en verantwoordelijkheden. De overheid ziet
voor zichzelf een ‘systeemverantwoordelijkheid’ weggelegd, maar
beperkt haar rol tot die van wetgever en cofinancier. Daarbij dient
de kanttekening te worden gemaakt dat de sturing van het minis-terie van VenJ in het justitiële domein – wellicht mede vanwege
de verantwoordelijkheid voor de veiligheid – stringenter is dan
die van het ministerie van VWS in het domein van de residentiële
jeugdzorg en de pleegzorg. De wetgeving en vrij gedetailleerde
lagere regelgeving inzake de JJI’s alsmede de manier waarop aan
de controle op de naleving invulling wordt gegeven, zijn daarvan
een voorbeeld. Het ministerie van VenJ heeft hierin een stevige
regierol. Daartegenover staat de grote ruimte die het ministerie
van VWS biedt om invulling te geven aan de residentiële jeugd-zorg en de pleegzorg.
De aandacht van de overheid voor veiligheid en welzijn van kinde-ren is al oud. Een markeringspunt daarvan in de moderne tijd is
de invoering van de kinderwetten in 1905. Hadden die vooral
betrekking op wat men toen en lang nadien verwaarlozing
noemde, vanaf midden jaren zestig groeit in de samenleving de
aandacht voor mishandeling van kinderen. Aanleiding hiervoor is
een Amerikaanse publicatie uit 1962 over fysieke kindermishande-ling – aangeduid als hetbattered child syndrome– die wereldwijd
de aandacht trekt.
14
In de VS leidt dat binnen enkele jaren tot
nieuwe wetten in alle vijftig staten. In 1969, zeven jaar na
genoemd artikel en vijf jaar na de eerste wetenschappelijke publi-caties hierover in Nederland, schrijft de staatssecretaris van
Sociale Zaken en Volksgezondheid over dit thema een brief. Daarin
wordt geen beleid geformuleerd, maar slechts aangekondigd dat
14 Kempe, C.H. e.a. (1962). ‘The battered child syndrome’.Journal of the American
Medical Association, 181, 17-24.
de overheid over de kwestie in gesprek wil komen met een aantal
beroepsorganisaties: ‘De opstelling van de overheid bij de aanpak
van het battered-child syndroom [toen] kan worden getypeerd als
afwachtend.’
15
In 1972 worden in samenspraak tussen met name de Konink-lijke Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Genees-kunst (KNMG) en enkele betrokken departementen de eerste vier
Bureaus Vertrouwensarts inzake kindermishandeling (de BVA’s)
opgericht, een tweede markeringspunt. Pas achttien jaar later, in
1990, brengt de overheid voor het eerst een beleidsnota uit over
de bestrijding van kindermishandeling.
16
De tweede verschijnt in
2007
17
en de derde is van 2011.
18
Er is de laatste jaren ontegenzeggelijk beweging gekomen in de
aanpak van kindermishandeling, maar over het geheel genomen
kenmerkt deze aanpak zich door gebrek aan daadkracht en regie
vanuit de overheid, waardoor resultaten te lang uitblijven. Zo
wordt in de beleidsbrief van 1990 het voornemen geuit te ‘stimu-leren dat in respectievelijk de medische en justitiële circuits, het
maatschappelijk werk, de jeugdhulpverlening en het onderwijs
in de (initiële) opleiding ruimte gecreëerd wordt voor deskundig-heidsbevordering met betrekking tot kindermishandeling […].
Het gaat met name in de initiële opleidingen naast het aanleren
van vaardigheden ook om de eigen houding, waarden en normen
van deze toekomstige beroepsbeoefenaren ten opzichte van con-flicten, (grenzen van) geweld, sexualiteit, (sub)culturele verschil-len etc…’ Echter, zeventien jaar later, in een onderzoek in 2007, is
vastgesteld dat aandacht voor kindermishandeling in genoemde
opleidingen nog steeds een lacune is.
19
42
2. Context en kader
15 Montfoort, A. van (1994).Het topje van de ijsberg: Kinderbescherming en de bestrij-ding van kindermishandeling in sociaal-juridisch perspectief. SWP: Utrecht, p. 169.
16 Beleidsbrief staatssecretarissen WVC en Justitie. Bestrijding van kindermishande-ling (1990).Het is niet de vraag of het kan maar weten dat het moet.
17 Ministers voor Jeugd en Gezin en van Justitie (2007).Actieplan Aanpak Kindermis-handeling; kinderen veilig thuis.
18 Staatssecretaris VWS en minister VenJ.Actieplan aanpak kindermishandeling ‘Kinde-ren Veilig’, TK 2011-2012, 31 015, nr. 69.
19 Korfker, D. & Vink, R. (2007).Inventarisatie van aandacht voor Huiselijk Geweld, Seksu-eel Geweld en Kindermishandeling in de beroepsopleidingen Jeugd(gezondheids)zorg tot
12 jaar. TNO: Leiden.
43
2. Context en kader
In 1990 wordt het belang benadrukt van een meldcode voor
alle relevante beroepsgroepen. Op instigatie van het toenmalige
ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC) heeft
een commissie met vertegenwoordigers van vijf beroepsgroepen
richtlijnen ontwikkeld voor het handelen bij een vermoeden van
seksueel misbruik.
20
Deze commissie is er in 1994 niet in geslaagd
een protocol te ontwikkelen dat voor elke beroepsgroep aan-vaardbaar was. Naar verwachting zal begin 2013, drieëntwintig
jaar later, een verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermis-handeling voor alle relevante beroepsgroepen van kracht worden.
In de beleidsbrief van 1990 wordt geconstateerd dat ‘verschil-lende sectoren, zoals de medische en justitiële sector alsmede de
jeugdhulpverlening, niet optimaal op elkaar zijn afgestemd en
soms andere belangen dienen. Het belang van het slachtoffer is
hiermee niet gediend […]. Wij zullen derhalve regionale samen-werking van hulpverleningsinstellingen op dit terrein vanuit
bestaande verbanden bevorderen. Wij zullen een studie laten ver-richten naar een aantal experimenten op het gebied van samen-werking in het kader van hulpverlening inzake kindermishande-ling.’ In de beleidsnota van 2011 wordt opnieuw een evaluatie in
het vooruitzicht gesteld van enkele vormen van multidisciplinaire
samenwerking in het kader van hulpverlening inzake kindermis-handeling.
En ten slotte wordt in 1990 geconstateerd dat ‘er weinig inzicht
[is] in de aard en omvang van kindermishandeling binnen resi-dentiële instellingen van jeugdhulpverlening. Dat mishandeling
er voorkomt zal naar aanleiding van een aantal sterk in de publi-citeit gekomen voorvallen niet ontkend kunnen worden […]. Een
inventarisatie naar de aard en omvang van kindermishandeling
in residentiële hulpverleningsinstellingen zal hier meer duidelijk-heid over moeten geven.’ Twintig jaar later wordt invulling gege-ven aan de inventarisatie en krijgt de commissie-Samson de
opdracht om onderzoek te doen naar seksueel misbruik van uit
huis geplaatste kinderen.
20 Commissie Seksueel Misbruik van Jeugdigen (1994).Handelen bij vermoeden van
seksueel misbruik van kinderen en jeugdigen: Richtlijnen voor beroepsbeoefenaren. Van
Gorcum/Dekker & van de Vegt: Assen.
2.5 Conclusie
De manier waarop bescherming van kinderen – of, met een
moderne omschrijving, zorg voor veiligheid van kinderen – in
voorbije tijden gestalte krijgt, moet gezien worden binnen de
normen van die tijd. Dat geldt ook voor de manier waarop men
denkt over en reageert op seksueel misbruik van een kind.
• Bescherming van kinderen heeft tot het midden van de jaren
zestig sterk in het teken gestaan van bestrijding van onmaat-schappelijkheid en het behoeden van de goede zeden. Deze
zelfde zorg voor de goede zeden voerde de boventoon in het
denken over en het reageren op seksueel misbruik van kinde-ren en op onzedelijk gedrag van kinderen zelf. Dat laatste was
nogal eens een zorg, omdat dat bij volwassenen, onder wie
groepsleiders, misbruik kon uitlokken.
• Toezicht op residentiële jeugdzorg en de pleegzorg was ver-zuild, net als tal van andere sectoren in de samenleving. Toe-zicht van de zijde van de overheid kon slechts generaal zijn.
• In de jaren zestig en zeventig ontstond er een grotere terug-houdendheid ten aanzien van het ingrijpen door de overheid
in het leven van burgers en gezinnen. En met de komst van een
wat vrijere seksuele moraal was er enig begrip voor seksuele
betrekkingen tussen volwassenen en kinderen.
• In de jaren tachtig groeide het besef van de impact van seksu-eel misbruik op het leven van een kind. Uit die periode stamt
ook de term ‘seksueel misbruik’. Seksuele betrekkingen in rela-ties tussen hulpverleners en cliënten – en dus ook tussen
groepsleiders en pupillen – werden ten strengste afgekeurd.
Met de professionalisering van de pleegzorg kwam seksueel
misbruik ook binnen die sector op de agenda.
• Tegenwoordig is veiligheid van het kind de eerste prioriteit in
de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg. Dat gaat gepaard
met toenemende protocollering van het werk. Deze ontwikke-ling heeft als keerzijde het risico dat protocollen meer de be-scherming van de professional dan de veiligheid van het kind
dienen.
De overheid heeft aanzetten gegeven om de problematiek van sek-sueel misbruik het hoofd te bieden. Deze aanzetten blijven echter
44
2. Context en kader
45
2. Context en kader
te vaak steken in goede voornemens. De impact, de omvang en de
complexiteit van dit probleem vergen een daadkrachtige aanpak
vanuit een besef van verantwoordelijkheid voor kinderen, die van
nu en die van morgen.
3. Aard, omvang en gevolgen van
seksueel kindermisbruik
Dit hoofdstuk gaat in op de aard en omvang van seksueel kinder-misbruik in de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg in de laat-ste zestig jaar. Over 2010 is een prevalentiestudie uitgevoerd. Dat
betekent in dit geval een onderzoek naar het aantal per 1000 kin-deren dat in 2010 slachtoffer van seksueel misbruik is in de resi-dentiële jeugdzorg en de pleegzorg. Daarnaast gaat dit hoofdstuk
over de gevolgen van seksueel misbruik en de meldingen die de
commissie hierover heeft ontvangen.
3.1 Aard en omvang van seksueel misbruik
Het is moeilijk de aard en omvang van seksueel misbruik vast te
stellen. Dat geldt voor seksueel misbruik in het algemeen en in
versterkte mate voor het misbruik waarover de commissie zich
heeft gebogen.
Uit de literatuur en uit de gesprekken met slachtoffers weten we
dat we ervan moeten uitgaan dat slachtoffers minder seksueel
misbruik rapporteren dan heeft plaatsgevonden. Met andere
woorden, er is sprake van onderrapportage. Het beantwoorden
van vragen over seksualiteit roept gevoelens van gêne op. Als het
gaat om seksueel contact dat onvrijwillig is geweest, is het nog
lastiger daarover te spreken. Sommige slachtoffers willen het mis-bruik niet melden uit angst het opnieuw te beleven. Andere
slachtoffers zijn nog bang voor de plegers, of zijn bang voor wat
onthulling van het misbruik in gang zou kunnen zetten (een
nieuw pleeggezin?), en voor de onzekerheid die dat met zich mee-brengt ten opzichte van de zekerheid van de (onaangename)
situatie nu. Daders weten door druk en dreiging van dit soort
remmingen van slachtoffers om te spreken over het misbruik
46
47
3. Aard, omvang en gevolgen van seksueel kindermisbruik
soms goed gebruik te maken. Jonge kinderen zijn daarnaast zeer
lastig bevraagbaar, en het is de vraag of sommige jonge kinderen
seksueel misbruik als zodanig herkennen. Dat geldt eens te meer
voor kinderen met een (licht) verstandelijke beperking. Zelfs
oudere slachtoffers spreken vaak met zeer veel moeite en verdriet
over wat hun is overkomen.
Het is dus een illusie te denken dat we seksueel misbruik een-voudig kunnen ‘meten’. In het gunstigste geval kunnen we met
onderzoek een schatting verkrijgen.
In de door de commissie uitgezette onderzoeken naar het verle-den bleek dat het, vooral vóór 1990, zeer lastig is een goed beeld te
krijgen van de aard en omvang van seksueel misbruik. Hoewel uit-voerig is gezocht in archieven blijkt veel informatie niet vastge-legd, of zijn archieven conform geldende regelgeving geschoond.
Er zijn zeer weinig geregistreerde gevallen van seksueel misbruik
gevonden. Dat strookt met wat slachtoffers de commissie vertel-den: ze werden als ze melding maakten van misbruik niet geloofd
of kregen straf. Het is dus niet verwonderlijk – mede ook in het
licht van die tijdgeest – dat zulke gevallen niet zijn vastgelegd en
dus ook niet meer te vinden zijn. In de gevallen waarin seksueel
misbruik wel is geregistreerd – en een melding dus kennelijk voor
waar werd aangenomen –, blijkt overigens dat er doorgaans ferm
en adequaat is gereageerd, althans richting dader (zie verder
hoofdstuk 5).
De onderzoeken naar de omvang van seksueel misbruik laten
twee opmerkelijke en consistente bevindingen zien. De eerste is
dat de professionals die met uit huis geplaatste kinderen werken
voor slechts een zeer klein deel weet hebben van het misbruik dat
plaatsvindt. In de onderzoeken die de commissie naar de preva-lentie in 2010 heeft laten uitvoeren, blijkt dat professionals nog
geen 2 procent waarnemen van het aantal gevallen dat door kin-deren zelf wordt gerapporteerd. Uit ander onderzoek zijn dit
soort verschillen tussen wat anderen, zoals verzorgers, leerkrach-ten e.d., en slachtoffers zelf melden overigens ook bekend. Profes-sionals nemen dus slechts een fractie waar van wat er aan
seksueel misbruik voorvalt. Als de geïnterviewde professionals
rapporteren dat zij over grofweg de periode 1980-heden gemid-
deld één incident per 5,5 jaar meemaken, moeten wij er rekening
mee houden dat de werkelijke prevalentie van seksueel misbruik
vele malen hoger is geweest. De tweede opmerkelijke consistente
bevinding is dat iets meer dan de helft van de plegers uit leeftijd-genoten bestaat.
Daarnaast zien we dat het misbruik varieert: van meer ‘overval-achtige’ eenmalige groepsincidenten tot jarenlang indringend
misbruik door een groepsleider of pleegvader in een relatie die
als een ‘liefdesrelatie’ wordt beschreven. Er vinden aanrandingen,
maar ook verkrachtingen plaats. Het lijkt erop dat in de jaren
zestig en zeventig – als het seksuele klimaat in de jeugdinstellin-gen steeds vrijer wordt en de seksuele revolutie door een aantal
groepsleiders wordt gebruikt als eenfree ticket– ook seksuele con-tacten en relaties van groepsleiders met pupillen door de leiding
werden toegestaan. Die leiding was overigens door de democrati-sering deels in handen van diezelfde groepsleiders gekomen. Door
de jaren heen is seksueel misbruik in de residentiële jeugdzorg en
de pleegzorg altijd voorgekomen.
Hoewel het niet mogelijk is gebleken daarin trends aan te wijzen,
concluderen de onderzoekers wel dat het risico van seksueel mis-bruik inherent is aan de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg.
Daarmee wordt bedoeld dat (een combinatie van) factoren die in
de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg aan de orde zijn, tot een
verhoogd risico op seksueel misbruik leiden. Het gaat om zaken
als de inrichting van de zorg (zoals samenplaatsing in gemengde
groepen), de problematiek en de zwaarbelaste achtergrond van
de kinderen, de machtspositie van de professionals en pleeg-ouders, en het gegeven dat fysiek contact onvermijdelijk en soms
ook broodnodig is. De pleegzorg en de residentiële jeugdzorg zijn
48
3. Aard, omvang en gevolgen van seksueel kindermisbruik
21 Twee kwantitatieve studies naar de prevalentie zijn uitgevoerd door een Leidse
onderzoeksgroep onder leiding van prof. dr. L.R.A. Alink. Drie kwalitatieve studies naar
aard en omvang zijn uitgevoerd onder leiding van drs. W. van Berlo, prof. dr. F. Lamers-Winkelman en drs. B. Tierolf en dr. I.B. Wissink. Alle geleverde studies zijn in deel 3 op-genomen.
De commissie neemt uit de kwantitatieve studies voor de vergelijking met de
Nederlandse bevolking alleen de absolute prevalentiecijfers over. De redenen daarvoor
zijn van technisch-statistische aard. Omdat in de (reeds verrichte en gepubliceerde)
onderzoeken onder de gemiddelde Nederlandse bevolking niet op gelijke wijze is
49
3. Aard, omvang en gevolgen van seksueel kindermisbruik
daardoor altijd een setting geweest waar het risico op seksueel
misbruik relatief hoog is geweest en het risico op ontdekking en
represailles voor de daders laag.
Dat seksueel misbruik niet alleen iets van het verleden is, blijkt uit
de diverse onderzoeken die de commissie heeft laten uitvoeren
naar de prevalentie van seksueel misbruik van uit huis geplaatste
kinderen.
21
Kinderen werd specifiek gevraagd naar ervaringen met
seksueel misbruik in 2010 (het jaar direct voorafgaand aan de uit-voering van het onderzoek) en de twee voorgaande jaren (2008 en
2009). Deze onderzoeken zijn zo opgezet dat de prevalentie van
seksueel misbruik onder kinderen in de residentiële jeugdzorg en
kinderen in de pleegzorg zo goed mogelijk vergelijkbaar is met de
prevalentie onder gemiddelde Nederlandse kinderen. De commis-sie was vooral geïnteresseerd in die vergelijking.
22
Het onderzoek
heeft betrekking op minderjarigen van 12 jaar en ouder. De verge-leken jongeren verschillen niet qua opleiding en etniciteit. De
groepen zijn vergeleken op een aantal onderwerpen, die exact
gelijk waren in beide groepen en die diverse soorten seksueel mis-bruik betroffen.
De commissie heeft voor dit onderzoek de volgende definitie van
seksueel misbruik gehanteerd:
Seksueel misbruik van kinderen is seksueel contact van
( jong)volwassenen met kinderen jonger dan 18 jaar (tot 1988
21 jaar). Deze lichamelijke contacten zijn tegen de zin van het
kind of zonder dat het kind deze contacten kan weigeren.
Daders zetten het kind emotioneel onder druk, dwingen het
kind of weten door hun overwicht te bereiken dat het kind
geen nee durft te zeggen tegen seksuele toenaderingen.
getoetst, zoals in deze studie, is het niet mogelijk te bepalen of de verschillen tussen de
prevalentiecijfers ook significant zijn. Zie de brieven van prof. dr. P.G.M. van der Heijden
en prof. dr. A.J.A. Felling die zijn opgenomen in deel 2.
22 De vergelijking gaat niet helemaal op, aangezien het hier verschillende opvoedings-situaties betreft. Vooral in instellingen worden vaak diverse kinderen met risicovol sek-sueel gedrag bij elkaar geplaatst; dit in tegenstelling tot gewone gezinnen. Daarnaast
vormen de kinderen in de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg, gezien hun voorge-schiedenis en gedragsproblemen, een gemiddeld problematischer en kwetsbaarder
groep dan gemiddelde Nederlandse kinderen.
Voor het onderzoek naar seksueel misbruik van jeugdigen
die op gezag van de overheid in instellingen of pleeggezin-nen zijn geplaatst, wordt hieronder tevens begrepen seksu-eel misbruik door groepsgenoten of door andere kinderen in
het pleeggezin waartegen de volwassene uit hoofde van zijn
functie bescherming had moeten bieden.
Uit huis geplaatste kinderen rapporteren gemiddeld bijna twee
keer zo vaak (143 per 1000) slachtoffer te zijn geworden in 2010 in
vergelijking met gemiddelde Nederlandse kinderen (74 per 1000).
Nadere analyse van de gegevens laat zien dat vooral kinderen in
residentiële jeugdzorginstellingen een verhoogde prevalentie rap-porteren (194 per 1000), terwijl dat voor kinderen in de pleegzorg
niet geldt (55 per 1000). De onderzoekers merken op dat deze ver-schillen in slachtofferschap waarschijnlijk groter zijn. In het hier-navolgende gaan we in op de significantie van verschillen.
Met gebruikmaking van alle vragen die aan de uit huis geplaatste
kinderen zijn gesteld, kunnen we binnen de onderzochte groep
nog nader inzoomen op een aantal verschillen. We zien dan dat
de prevalentie van seksueel misbruik waarbij lichamelijk contact
is (dus conform de definitie van de commissie) verschilt tussen
de pleegzorg (88 per 1000) en de residentiële jeugdzorg (229 per
1000). Dat verschil is niet alleen significant, maar met een factor
van ruim 2,5 ook in absolute zin groot. Er is geen significant ver-schil in de chroniciteit van het seksueel misbruik tussen pleegge-zinnen en residentiële jeugdzorginstellingen. Meisjes zijn meer
dan twee keer zo vaak slachtoffer als jongens (264 versus 126 per
1000), dit verschil is significant. Er zijn geen significante verschil-len gevonden voor verschillende leeftijdsgroepen of etnische
afkomst.
Opvallend is dat de bevraagde jongeren in een groot deel van de
gevallen (51 procent van de slachtoffers en 44 procent van de inci-denten) niet willen zeggen wie de pleger is. Waar slachtoffers dat
wel willen, rapporteren zij dat in meer dan de helft van de inci-denten de plegers jonger dan 21 jaar zijn. Opvallend is ook dat de
kinderen aangeven dat in een substantieel deel van de gevallen
(34 procent van de slachtoffers en 12 procent van de incidenten)
50
3. Aard, omvang en gevolgen van seksueel kindermisbruik
51
3. Aard, omvang en gevolgen van seksueel kindermisbruik
een vrouwelijke pleger (mede)betrokken is – terwijl in publicaties
vrijwel uitsluitend mannelijke plegers aangetroffen worden (zie
hoofdstuk 4 over plegers). Dit illustreert nog eens dat veel van het
misbruik zich afspeelt in een ‘schaduwcultuur’ die alleen door kin-deren wordt bevolkt, en waar volwassenen maar zeer beperkt
weet van hebben. De commissie is van mening dat nader onder-zoek nodig is om meer inzicht te krijgen in de situaties waarin sek-sueel misbruik plaatsvindt, zodat deze kennis ingezet kan worden
voor het voorkomen ervan.
De commissie heeft separaat onderzoek uitgezet naar de preva-lentie van seksueel misbruik onder kinderen met een (licht) ver-standelijke beperking (LVB). Dergelijk onderzoek is aan (nog) meer
methodologische beperkingen onderhevig, omdat deze kinderen
gezien hun handicap zeer moeilijk zelf bevraagbaar zijn. De resul-taten dienen daarom met nog meer voorzichtigheid geïnterpre-teerd te worden. Op grond van waarnemingen van personen
werkzaam met deze kinderen lijken kinderen met een (licht) ver-standelijke beperking nog eens ruim drie keer zo vaak (9,7 per
1000) slachtoffer te worden van seksueel misbruik als onder toe-zicht gestelde kinderen zonder (licht) verstandelijke beperking
(3 per 1000). Nationale en internationale literatuur laat zien dat
kinderen met een (licht) verstandelijke beperking ook in de
‘gewone’ populatie een verhoogd risico lopen om slachtoffer van
seksueel misbruik te worden.
23
Twee verschillende onderzoeks-teams hebben geprobeerd ook ouders van LVB-kinderen te bena-deren om meer informatie over het vóórkomen van seksueel mis-bruik te verkrijgen. Beide teams hebben geconcludeerd – na het
inzetten van diverse benaderingsstrategieën – dat het niet moge-lijk is gebleken om binnen de gestelde termijn onderzoek uit te
voeren onder deze populatie. Gezien de verhoogde kwetsbaarheid
van deze jongeren is nader onderzoek hier eveneens nodig.
Het vóórkomen van seksueel misbruik onder kinderen jonger dan
12 jaar dreigde gedurende het onderzoek van de commissie onder-23 Zie deelstudie 1 van het deelrapportSeksueel Grensoverschrijdend Gedrag en Mis-bruik bij Kinderen en Jongeren met een (Licht) Verstandelijke Beperking, opgenomen in
deel 3.
belicht te blijven, omdat kinderen onder de 12 jaar zeer lastig
direct bevraagbaar zijn. Om deze lacune op te vullen zijn additio-neel analyses uitgevoerd op de meldingen die bij de commissie
waren binnengekomen van slachtoffers die jonger dan 12 jaar
waren ten tijde van het misbruik. In 55 procent van de meldingen
betreft het misbruik van kinderen die destijds jonger dan 12 jaar
waren (zie deel 3). Ook hier zijn de aard en gevolgen van het mis-bruik ernstig te noemen. Binnen de groep melders bij de commis-sie rapporteren de ‘12-minners’ in vergelijking met de ‘12-plussers’
minder genitale penetratie en meer aanraken van de genitaliën.
Er is echter ook gerapporteerd dat de frequentie van het misbruik
hoger was en de duur langer. Hoewel we – omdat de groep mel-ders niet representatief is voor alle slachtoffers – daaruit niet
mogen concluderen dat meer dan de helft van de gevallen kinde-ren onder de 12 betreft, lijkt misbruik van dergelijk jonge kinderen
frequent voor te komen. Dit is derhalve een kwestie die aandacht
behoeft.
3.2 Gevolgen van seksueel misbruik
Decennialang heeft de opvatting overheerst dat seksueel contact
van een volwassene met een kind verwerpelijk is, omdat het de
onschuld van een kind aantast. Aan die visie ligt een opvatting
over kind-zijn ten grondslag waarin een kind wordt gezien als een
onschuldig, aseksueel en onbedorven wezen dat bescherming
behoeft en verre gehouden moet worden van seksualiteit. Voortij-dige bezoedeling met seksualiteit kan in die opvatting het best
ongedaan gemaakt worden door er het zwijgen toe te doen. Daar-tegenover staat een opvatting waarin het kind gezien wordt als
een zondig en amoreel wezen dat toezicht en beteugeling behoeft.
In die opvatting wordt een misbruikt kind algauw zelf medever-antwoordelijk gehouden voor wat het overkomen is. Vanaf begin
jaren tachtig doet een andere visie op seksueel contact van een
volwassene met een kind opgeld. Daarin staat niet meer de con-frontatie van een kind met seksualiteit centraal, maar de corrum-perende werking van seksueel misbruik op de emotionele en
sociale ontwikkeling van een kind. Aan die veranderde visie ligt
onder meer het groeiend inzicht in de kwetsbaarheid van kinde-52
3. Aard, omvang en gevolgen van seksueel kindermisbruik
53
3. Aard, omvang en gevolgen van seksueel kindermisbruik
ren ten grondslag, in het bijzonder binnen relaties waarop ze voor
hun welzijn en veiligheid zijn aangewezen. Ook groeit het inzicht
in wat seksueel misbruik in iemands leven – eerst als kind en later
als volwassene – kan aanrichten.
Een veelgebruikt model om de gevolgen van seksueel misbruik
te beschrijven en te begrijpen is afkomstig van Finkelhor en
Browne.
24
Zij onderscheiden vier zogeheten traumatogene aspec-ten van seksueel misbruik: traumatische seksualisering, verraad,
machteloosheid en stigmatisering. Het is de combinatie van deze
vier aspecten waarin seksueel misbruik van een kind zich onder-scheidt van andere vormen van kindermishandeling zoals fysiek
geweld.
Seksueel misbruik kan leiden tot een traumatische seksualisering,
dat wil zeggen tot misvorming van de psychoseksuele ontwikke-ling. Dit houdt in dat de seksualiteit van een kind – seksuele
gevoelens, seksueel gedrag en seksuele moraal – vorm krijgt op
een manier die niet past bij het ontwikkelingsniveau van een kind
en een verstorende werking heeft op relaties van het kind. Dat
kan zich onder meer manifesteren in ongepast seksueel gedrag,
preoccupatie met seksualiteit, verwarring over eigen seksualiteit
en over seksuele normen, aversie tegen intimiteit en verwarring
van geboden verzorging en affectie met seks.
Daarnaast voelt een kind dat door een verzorger of andere vol-wassene misbruikt is zich verraden. Verraad is het proces waarin
het kind ontdekt dat het ‘gebruikt’, misleid en gemanipuleerd is
door iemand van wie het afhankelijk is, en dat komt des te harder
aan naarmate die afhankelijkheid vitaler is. Dit gevoel van verra-den te zijn kan zich ook uitstrekken tot personen van wier steun
het kind afhankelijk was en die het niet beschermd hebben, zoals
in geval van misbruik door de pleegvader, tot de pleegmoeder die
niet heeft ingegrepen. Het kan zich uiten in depressiviteit, overaf-hankelijkheid, wantrouwen, vijandigheid, isolatie, claimen van
aandacht en delinquent gedrag.
24 Finkelhor, D. & Browne, A. (1986). ‘Initial and long-term effects: a conceptual frame-work’. In: D. Finkelhor (ed.).A sourcebook on Child Sexual Abuse.Beverly Hills, CA: Sage
Publications.
Voorts is er de ingrijpende ervaring van machteloosheid. De
eigen wil, de eigen verlangens en behoeften en het gevoel van ver-trouwen in eigen kunnen worden stelselmatig miskend. Het kind
voelt zich onmachtig om de eigen fysieke integriteit te bescher-men. Dit kan zich onder meer manifesteren in angst, gering zelf-vertrouwen, depressies, eet- en slaapstoornissen, agressie, en ook
in rolomkering door zelf iemand seksueel te misbruiken.
Ten slotte is er sprake van stigmatisering. Dit betreft de vor-ming van negatieve zelfbeelden, zoals die van ‘slecht’ te zijn, van
schaamte en van schuld. Dergelijke zelfbeelden versterken de
neiging voor anderen geheim te houden wat er gebeurd is, waar-door het stigmagevoel toeneemt, omdat dit zwijgen het beeld ver-sterkt anders te zijn dan anderen. Stigmatisering kan zich onder
meer uiten in gering zelfvertrouwen, een negatief zelfbeeld, isole-ment, maar ook in drugsgebruik of zelfmutilatie.
Bij dit alles bedenke men dat voor een uit huis geplaatst kind sek-sueel misbruik minimaal een tweede ingrijpende gebeurtenis is.
Al is de combinatie van de vier hier genoemde traumatogene fac-toren specifiek voor seksueel misbruik, een deel van de gevolgen
daarvan kan ook optreden na andersoortige traumatiserende
ervaringen, zoals verwaarlozing of fysiek geweld. Een belangrijk
deel van de kinderen die in een residentiële jeugdzorginstelling
of in een pleeggezin geplaatst worden, heeft een voorgeschiedenis
van seksueel misbruik en/of geweld en verwaarlozing. De gevol-gen daarvan nemen ze na een uithuisplaatsing met zich mee in
de nieuwe situatie van leefgroep of pleeggezin. Enerzijds hebben
ze, gezien hun voorgeschiedenis, bij uitstek een veilig leefklimaat
nodig, anderzijds wordt door de gevolgen van wat ze hebben mee-gemaakt de taak van groepsleiders en pleegouders om die veilig-heid te bieden er dus danig door verzwaard.
In het bovenstaande is geschetst wat seksueel misbruik bij een
kind kan aanrichten. Ook in het verdere leven kunnen zich de
gevolgen manifesteren van de schade die het kind heeft geleden.
Ze zijn enerzijds van psychische aard, maar ze raken ook aan
iemands maatschappelijk functioneren. Slachtoffers kunnen zich
vaak moeilijk openstellen en staande houden in duurzame rela-54
3. Aard, omvang en gevolgen van seksueel kindermisbruik
55
3. Aard, omvang en gevolgen van seksueel kindermisbruik
ties. Het seksueel misbruik kan van invloed zijn geweest op de
schoolprestaties en daarna de loopbaan. Ook melden slachtoffers
dat ze er in hun werk moeite mee hebben de macht van een lei-dinggevende te accepteren.
De langetermijneffecten van seksueel misbruik op het slachtoffer
zijn groot. Zo heeft het Wetenschappelijk Onderzoek- en Docu-mentatiecentrum (WODC) van het ministerie van VenJ recentelijk
de langetermijngevolgen van seksueel misbruik in beeld gebracht.
Het WODC onderscheidt: 1. medische gevolgen, 2. psychische gevol-gen, 3. seksuele problemen, 4. herhaling van geweld en 5. overige
gevolgen.
25
In het buitenland heeft in het bijzonder Felitti
26
aange-toond dat kindermishandeling en andere traumatische ervarin-gen tijdens de kindertijd in het gezin van herkomst of de familie
van grote invloed zijn op het latere welbevinden en tot tal van
gezondheidsklachten kunnen leiden.
Een substantiële groep patiënten ondervindt fysieke gevolgen
van seksueel misbruik,
27
terwijl dat aspect in het debat over het
misbruik onderbelicht blijft. Nader onderzoek naar de fysieke
gevolgen van seksueel misbruik wordt dan ook aanbevolen.
Hierbij moet worden opgemerkt dat traumatogene effecten
van seksueel misbruik zich niet bij alle kinderen voordoen. De
commissie heeft veel slachtoffers gesproken die het gebeurde al
of niet op eigen kracht hebben kunnen verwerken. Zij hebben het
seksueel misbruik een plek in hun leven kunnen geven en zijn erin
geslaagd hun leven er niet door te laten domineren.
25 Nagtegaal, M.H. (2012).Gerapporteerde problemen van slachtoffers van seksueel mis-bruik in de kindertijd: een metareview.Den Haag: WODC.
26 Felitti, V.J. (2002). ‘The relationship between adverse childhood experiences and
adult health: turning gold into lead’.The Permanente Journal, 6, 44-47.
27 Medische gevolgen kunnen zich bijvoorbeeld uiten in urologische problemen. Zie
Elzevier, H.W. (2008). ‘Female sexual function in urological practice’, Doctoral thesis,
LUMC; Beck, J.J. e.a. (2011). ‘Prevalence of Sexual Abuse among Patients Seeking General
Urological Care’.Journal of Sexual Medicine, 8, 2733-2738.
3.3 De slachtoffers die zich bij de commissie gemeld
hebben
De commissie heeft met veel slachtoffers gesproken. Dat zijn in-dringende gesprekken geweest. Sommige slachtoffers vertelden
hun verhaal voor het eerst. De commissie heeft na een bijeen-komst met slachtoffers eind januari 2012 SHN gevraagd regionale
lotgenotengroepen te organiseren. Deze functioneren inmiddels.
Slachtoffers kunnen naar heel verschillende dingen op zoek
zijn. Sommigen zijn op zoek naar hun dossier.
28
Anderen willen
weten of de dader nog leeft en of deze meer slachtoffers gemaakt
heeft. En weer anderen willen aandacht voor hun psychische pro-blemen en specialistische hulp ontvangen. Voor de commissie is
evident dat er hulp geboden moet worden waar er fysieke en/of
psychische schade opgelopen is. Medio 2010 is er op aandringen
van de commissie van politieke zijde de toezegging gedaan dat er
een zodanige voorziening komt dat de eigen financiële bijdrage
geestelijke gezondheidszorg (ggz) geen beletsel voor hulp aan
deze categorie slachtoffers hoeft te vormen.
29
De commissie heeft daarnaast verscheidene keren benadrukt dat
een meldpunt zoals dat van de commissie ook na opheffing van
de commissie in stand gehouden zou moeten worden. Dat meld-punt dient dan tevens als aanspreekpunt voor mensen die als
kind geweld hebben ondergaan dan wel misbruik in een andere
setting dan die van de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg
hebben ervaren. Er zijn tegenwoordig veel meldpunten. Deze zijn
echter alle bestemd voor actuele zaken. Slachtoffers die op dit
moment te kampen hebben met problemen uit het verleden kun-nen moeilijk hun verhaal kwijt. De toevloed van meldingen zowel
binnen als buiten het onderzoeksbereik van de commissie en de
op de lotgenotenbijeenkomst geuite wens van de slachtoffers zelf,
geven alle aanleiding om hierin te voorzien. De commissie heeft
hierover gesprekken gevoerd met de bewindslieden en SHN.
56
3. Aard, omvang en gevolgen van seksueel kindermisbruik
28 Het Nederlands Jeugdinstituut (NJI) heeft recentelijk op verzoek van Pro Juventute
een inventarisatie gemaakt van de dossiers van ex-cliënten. Pro Juventute adviseert
om deze persoonsdossiers langer te bewaren. De commissie onderschrijft dit advies.
29 Zie deel 2, hoofdstuk 3.
57
3. Aard, omvang en gevolgen van seksueel kindermisbruik
Minister Opstelten en staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner hebben op 15 februari 2012 in een Kamerdebat over het
rapport van de commissie-Deetman toegezegd dat zij zorg zullen
dragen voor een vast meldpunt bij SHN. Op 11 juli 2012 heeft
staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner in reactie op een
interview van Rieke Samson met het dagbladTrouwdie dag aan-gegeven dat op 1 oktober 2012 een nieuw meldpunt voor seksueel
misbruik van start zal gaan, dat wordt ondergebracht bij SHN.
3.4 Conclusie
Een vergelijking van seksueel misbruik in gewone opvoedings-situaties met misbruik in instellingen en pleeggezinnen wordt
bemoeilijkt doordat verhoudingsgewijs in instellingen en pleeg-gezinnen meer problematische en kwetsbare kinderen samenle-ven met andere kinderen die risicovol seksueel gedrag kunnen
vertonen.
• Jongeren in residentiële jeugdzorginstellingen rapporteren
fors meer seksueel misbruik (143 per 1000) dan gemiddelde
Nederlandse jongeren (74 per 1000).
• Misbruik van jongeren in de pleegzorg lijkt niet vaker voor te
komen dan misbruik van gemiddelde Nederlandse jongeren.
• Kinderen in residentiële jeugdzorginstellingen worden ruim
2,5 keer zo vaak slachtoffer als kinderen in pleeggezinnen.
• Professionals lijken in heden en verleden slechts een fractie
waar te nemen van wat er werkelijk aan seksueel misbruik
plaatsvindt.
• Een aanmerkelijk deel van de plegers bestaat uit leeftijdgeno-ten.
• De meeste plegers zijn man, maar een niet onaanzienlijk deel
is vrouw.
• Meisjes worden meer dan twee keer zo vaak slachtoffer als
jongens.
• Onder toezicht gestelde jongeren met een (licht) verstandelijke
beperking lopen een ruim drie keer zo hoog risico als onder
toezicht gestelde jongeren zonder verstandelijke beperking.
• Er is verschil te zien in de aard en duur van het misbruik. Zo
varieert het van ‘overvalachtige’ eenmalige incidenten tussen
groepsgenoten tot langer misbruik door groepsleiders, pleeg-vaders en pleegbroers, soms in de vorm van een ‘liefdesrelatie’.
• De impact van seksueel misbruik kan zeer groot zijn, zowel op
het moment dat het misbruik plaatsvindt als in het latere
leven.
• Slachtoffers hebben aan de commissie gemeld dat ze te lang in
de kou hebben gestaan.
• Een meldpunt voor misbruikzaken uit het verleden en voor mis-bruik in situaties waarvoor nu nog geen meldpunt is, evenals
eenvoudige toegang tot hulpverlening, zijn nodig.
58
3. Aard, omvang en gevolgen van seksueel kindermisbruik
59
4. Plegers van seksueel kinder-misbruik
Stonden in het vorige hoofdstuk de slachtoffers van seksueel kin-dermisbruik centraal, het nu volgende gaat over plegers. Begon-nen wordt met een schets van kenmerken en achtergronden van
de plegers. Ook is van belang inzicht te verkrijgen in de processen
die iemand, in het bijzonder een hulpverlener of een pleegouder,
ertoe kunnen brengen een kind seksueel te misbruiken. Daartoe
heeft de commissie deskundigen geconsulteerd met een lange en
veelzijdige ervaring in de residentiële jeugdzorg en in de pleeg-zorg. Het resultaat van die consultatie besluit dit hoofdstuk.
4.1 Kenmerken van plegers
Zoals in het voorgaande hoofdstuk reeds vermeld, is onderzoek
naar de aard en omvang van seksueel misbruik in de residentiële
jeugdzorg en de pleegzorg lastig. Dat geldt in nog sterkere mate
voor onderzoek naar plegers van dit misbruik.
In de survey naar seksueel misbruik in het verleden kunnen we
slechts een aantal ‘grote lijnen’ onderscheiden.
30
Een eerste is het
onderscheid tussen misbruik door volwassen en misbruik door
minderjarige plegers. In ongeveer de helft van de gerapporteerde
gevallen van seksueel misbruik is een groepsgenoot de pleger. In
ongeveer 30 procent van de gevallen is een medewerker of pleeg-ouder de pleger van het misbruik. In de overige gevallen gaat het
om plegers buiten de context van de instelling of het pleeggezin.
30 Een grootschalige survey naar de aard en omvang van seksueel misbruik 1945-2008
is uitgevoerd door de Rijksuniversiteit Groningen (RUG), onder leiding van prof. dr. M.C.
Timmerman. Het rapport is opgenomen in deel 3.
Zowel de volwassen als de minderjarige plegers zijn in hoofdzaak
man.
Uit de prevalentiestudie over 2010 blijkt dat in meer dan de helft
van de gevallen waarin de dader wordt genoemd het misbruik is
gepleegd door een minderjarige dader. Wat verder opvalt, zoals is
vermeld in het voorgaande hoofdstuk, is dat de jongeren aange-ven dat in een deel van de gevallen een vrouwelijke pleger (mede)-betrokken is. De prevalentiestudie geeft echter maar beperkt zicht
op de plegers van seksueel misbruik in de residentiële jeugdzorg
en de pleegzorg, omdat de helft van de jongeren niet wil vermel-den wie de pleger van het misbruik is.
De prevalentiestudie over 2010 onder jongeren met een (licht) ver-standelijke beperking laat zien dat twee derde van het misbruik is
gepleegd door een andere jongere binnen de instelling waar het
slachtoffer verblijft. Omdat de slachtoffers in een instelling voor
kinderen met een (licht) verstandelijke beperking verblijven, heeft
waarschijnlijk een groot deel van deze plegers ook een (licht) ver-standelijke beperking. Van de plegers is 86 procent 21 jaar of
jonger. In bijna alle gevallen is de pleger een man.
Uit onderzoek naar 103 bij de IJZ en bij de Inspectie voor de
Gezondheidszorg (IGZ) binnengekomen meldingen
31
van seksueel
grensoverschrijdend gedrag en seksueel misbruik van jongeren
met een (licht) verstandelijke beperking komt naar voren dat in
vrijwel alle gevallen de pleger een man is.
32
In meer dan de helft
(58 procent) van de gevallen zijn groepsgenoten de pleger van sek-sueel grensoverschrijdend gedrag. Wanneer hierover iets gezegd is
in het dossier, blijkt dat twee derde van deze plegers eerder zelf
slachtoffer was van seksueel misbruik (in 20 van de 29 gevallen is
hierover informatie beschikbaar in het dossier). Verder blijkt dat
deze plegers in één derde van de gevallen eerder seksueel grens-60
4. Plegers van seksueel kindermisbruik
31 In totaal ging het om 128 meldingen; 103 daarvan hadden betrekking op een resi-dentiële jeugdzorginstelling dan wel een pleeggezin.
32 Het betreft hier meldingen van de jaren 2008, 2009 en 2010 die bij de Inspectie
Jeugdzorg en de Inspectie Gezondheidszorg zijn binnengekomen. Het onderzoek is uit-gevoerd door de Universiteit van Amsterdam in samenwerking met het Kohnstamm
Instituut onder leiding van dr. I.B. Wissink.
61
4. Plegers van seksueel kindermisbruik
overschrijdend gedrag hebben vertoond. Vijf meldingen (5 pro-cent) hebben betrekking op seksueel misbruik door een pleeg-ouder en in zes gevallen (6 procent) betreft het misbruik door een
medewerker van de instelling.
Vervolgens zijn de meldingen vergeleken met meldingen van sek-sueel misbruik van kinderen zonder (licht) verstandelijke beper-king.
33
Ook bij kinderen zonder (licht) verstandelijke beperking
vormen groepsgenoten de grootste groep plegers: ruim 50 pro-cent. Het betreft 4 keer (11 procent) een pleegouder als pleger van
seksueel misbruik en 3 keer (9 procent) een medewerker van de
instelling.
4.2 Achtergronden en kenmerken van veroordeelde
daders
34
De commissie heeft nader onderzoek ingesteld naar de kenmer-ken van een groep veroordeelde daders van seksueel misbruik van
uit huis geplaatste kinderen.
35
Om seksueel misbruik te kunnen
voorkomen, is het van belang te weten of daders opvallende (com-binaties van) kenmerken hebben. Met die kennis zou screening
van professionals en pleegouders mogelijk verbeterd kunnen
worden. Voorts is van belang te weten hoe de daders te werk zijn
gegaan, en vanuit welke motieven.
Hiertoe heeft de commissie onderzoek laten verrichten in een
steekproef van straf- en behandeldossiers van daders die veroor-deeld of behandeld zijn voor seksueel misbruik van uit huis
geplaatste kinderen. Door te zorgen dat verschillende jaren en
regio’s vertegenwoordigd zijn, is geprobeerd een zo representatief
33 Het betreft hier enkel de meldingen bij Inspectie Jeugdzorg. Naast de 36 meldingen
over de doelgroep kinderen en jongeren met een (licht) verstandelijke beperking, zijn
48 meldingen gedaan over vergelijkbare kinderen en jongeren zonder een verstande-lijke beperking.
34 Hier wordt gesproken van ‘daders’, omdat het onderzoek betrekking heeft op min-derjarigen en volwassenen die zijn veroordeeld voor een zedendelict en/of hiervoor in
behandeling zijn.
35 Het onderzoek naar daderkenmerken is uitgevoerd door R. de Jong MSc. De studie
is opgenomen in deel 3.
mogelijk beeld te geven in de onderzochte periode (vanaf 1990).
Daarnaast zijn van dit soort daders alle beschikbare behandel-dossiers van forensisch psychiatrische poliklinieken onderzocht.
In totaal zijn 53 dossiers bestudeerd, die betrekking hebben op
52 personen: 26 volwassenen en 26 minderjarigen.
Alle behandelde en veroordeelde daders zijn man. Motieven voor
het misbruik waren moeilijk te achterhalen uit de dossiers. Een
opvallende bevinding was dat er duidelijk verschillende ‘profielen’
– dat wil zeggen, combinaties van kenmerken – zijn voor minder-jarige en volwassen daders.
Minderjarige daders zijn gemiddeld 15 jaar oud ten tijde van
het misbruik. Zij zijn veelal medebewoners van slachtoffers in
esidentiële jeugdzorginstellingen, of pleegbroers. Zij zijn overwe-gend autochtoon en zwakbegaafd of licht verstandelijk gehandi-capt. Veelal hebben deze daders een beperkte impulscontrole, een
hoge spanningsbehoefte en een beperkte gewetensontwikkeling.
Tevens worden vaak ontwikkelingsstoornissen en persoonlijke
problemen en problemen in hun gezin van herkomst vastgesteld.
Kortom, de daders hebben vaak een belaste achtergrond. Dat is
niet verwonderlijk gezien hun uithuisplaatsing. Ze lijken zich
daarin dan ook nauwelijks te onderscheiden van hun slachtoffers.
Door hun beperkte verstandelijke vermogens is het waarschijnlijk
dat zowel daders als slachtoffers moeilijk grenzen weten te
trekken. Veel daders hebben na het zedendelict nog een forse cri-minele carrière, die overigens nauwelijks of geen zedendelicten
meer bevat. Seksuele stoornissen worden niet of nauwelijks vast-gesteld, wat niet uitsluit dat er sprake zou kunnen zijn van een
scheefgroei in de seksuele ontwikkeling. Het misbruik door deze
plegers wordt vooral als opportunistisch getypeerd.
36
Misbruik
lijkt in sommige instellingen gangbaar groepsgedrag dat (slechts)
in een aantal gevallen aan het licht komt, namelijk als een slacht-offer opeens wel een grens trekt. Bij seksueel misbruik door leef-62
4. Plegers van seksueel kindermisbruik
36 Opportunistische daders zijn over het algemeen leeftijdgenoten en hebben vaak
een of meer andersoortige delicten gepleegd. Uit hun delictgedrag spreekt een zeker
‘opportunisme’, dat wil zeggen dat men tot het misbruik komt doordat zich de gelegen-heid daartoe voordoet, waarbij het seksuele motief meer op de achtergrond lijkt
te staan.
63
4. Plegers van seksueel kindermisbruik
tijdgenoten worden vaak bedreiging en geweld ingezet om het
slachtoffer te laten meewerken en/of te laten zwijgen.
De volwassen daders zijn gemiddeld 37 jaar en meestal autoch-toon. Slechts sporadisch zijn zij eerder veroordeeld voor zeden- of
andere delicten. In tegenstelling tot de jonge daders zijn de vol-wassen daders gemiddeld tot bovengemiddeld intelligent. Bij een
kwart van de daders is een psychiatrische stoornis vastgesteld. Het
zelfbeeld is meestal laag. De diagnose pedofilie werd nauwelijks
gesteld. Opvallend is dat ongeveer één derde van deze daders zelf
in zijn jeugd is mishandeld, verwaarloosd of misbruikt. De helft
van de daders is getrouwd of getrouwd geweest. Bijna één derde
is alleenstaand ten tijde van het misbruik. Bedreiging van het
slachtoffer komt nauwelijks voor. Wel wordt een enkele keer
gebruikgemaakt van chantage. Volwassen daders stellen vaak
cadeaus of beloningen tegenover het misbruik. Zij nemen door-gaans praktische voorzorgsmaatregelen om het misbruik niet te
laten uitkomen.
Bovenstaande bevindingen met betrekking tot minderjarige en
volwassen daders zijn niet zonder meer generaliseerbaar naar de
totale groep daders waarop de commissie zich richt. Het betreft
immers daders die zijn veroordeeld en/of in behandeling zijn.
Het daderonderzoek laat zien dat het niet waarschijnlijk is dat
additionelescreeningvan professionals die met kinderen werken
seksueel misbruik kan voorkomen. De daders hebben veelal geen
opvallende kenmerken. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat lang
niet alle daders al bij aanvang van het werk met kinderen, als
groepsleider of pleegouder, de intentie hebben kinderen seksueel
te misbruiken. Een deel heeft mogelijk uit opportunistische motie-ven, na een veranderde persoonlijke situatie zoals echtscheiding,
het misbruik gepleegd als de gelegenheid zich voordeed.
4.3 Mechanismen
Veel jongeren in instellingen en pleeggezinnen zijn voorafgaand
aan hun plaatsing getuige geweest van ongezonde uitingen van
seksualiteit en zijn soms ook seksueel misbruikt. Sommigen van
hen zijn mede daardoor zelf problematische en grensoverschrij-dende vormen van seksueel gedrag gaan vertonen. Deze constate-ring mag niet tot de suggestie leiden dat de oorzaak voor mis-bruik in tehuizen en pleeggezinnen vooral bij hen gezocht moet
worden. Dit zou neerkomen opblaming the victim. Gaat het om
misbruik van jeugdigen door hulpverleners of pleegouders, dan
ligt de verantwoordelijkheid daarvoor zonneklaar bij de plegers.
De eerdergenoemde problematiek die jongeren bij de plaatsing
meenemen (zie 2.3) is geen excuus voor daders. Een dergelijke
eenzijdigheid zou er bovendien toe kunnen leiden dat er onvol-doende oog is voor de mechanismen in termen van bijvoorbeeld
macht en individuele voorgeschiedenis die er bij volwassenen toe
kunnen leiden dat ze een kind misbruiken.
Bij misbruik tussen jongeren dient men erop bedacht te zijn dat
bij veel van deze jongeren agressieve impulsen en problemati-sche seksualiteit deel uitmaken van de problematiek die reden
tot plaatsing was. Dat betekent dat hulpverleners erop bedacht
hadden kunnen zijn. Zij zijn niet als medeverantwoordelijk te
beschouwen, maar zij hadden meer kunnen weten en doen om
het onderlinge misbruik tegen te gaan. Soms zijn groepsleiders
hogelijk verbaasd als misbruik uitkomt, maar het gebeurt ook
dat zij al jaren een ‘vervelend gevoel’ hebben gehad. Dat duidt op
onvoldoende professionaliteit.
Over de manier waarop hulpverleners daders worden is betrekke-lijk weinig bekend. Deels is dat te verklaren doordat men bij het
bekend worden van misbruik in de eerste plaats aandacht aan
het slachtoffer schenkt. Voor het verhaal, de beweegredenen, de
perceptie van de dader is minder interesse. Schaarse verhalen
van daders over de wijze waarop het hun ‘overkwam’ hebben
doorgaans de functie om begrip te kweken. Bij verklaringen in
de rechtbank is het vaak niet anders.
Toch zou het goed zijn om in die processen meer inzicht te verwer-ven. Dit om pleegouders, groepsleiders en andere professionals
beter toe te rusten met kennis en kunde die hen in staat kunnen
stellen beter zicht te krijgen op risico’s bij henzelf en in de omge-64
4. Plegers van seksueel kindermisbruik
65
4. Plegers van seksueel kindermisbruik
ving. Hoewel het voorkomt dat hulpverleners doelbewust – met
het oogmerk om te misbruiken – een baan in een jeugdinstelling
zoeken of zich als pleegouder opwerpen, gaat dat, zoals al eerder
opgemerkt, voor het merendeel hoogstwaarschijnlijk niet op. Veel
daders zijn stapsgewijs tot het misbruik gekomen. Schijnlegitima-ties vergemakkelijken de overgang naar een volgende stap. Denk
aan legitimaties in de sfeer van: ‘Het ging vooral van de ander uit’,
‘Zij vond het toch fijn’, ‘Hij wilde het zelf’, ‘Het kan toch zeker geen
kwaad’ of ‘Ik ga het straks gewoon afbouwen’. Het gevoel van
macht kan een factor zijn die iemand van kwaad tot erger brengt.
De ervaring dat het kind alles doet wat de dader wil kan een
machtsgevoel geven dat verslavend werkt. Van een heel andere
categorie zijn de daders die in hun functie feitelijk veel macht
bezitten, zoals een directeur, een psychiater of een geestelijke.
Hun macht kan een zelfkritische houding in de weg staan, waar-door ze risico’s onvoldoende erkennen en misstappen voor zichzelf
goedpraten of zelfs menen dat van hun gedrag een positieve
werking uitgaat voor de jeugdige. Rond deze daders doen soms al
langere tijd verhalen de ronde, maar niemand durft de confronta-tie echt aan.
Het proces dat uiteindelijk tot misbruik leidt, begint niet altijd
met seksuele belangstelling voor de jeugdige. De onderlinge ver-houdingen in een leefgroep zijn complex; de pikorde verandert
voortdurend als bewoners komen en gaan; er zijn zondebokken
en er ontstaan onderlinge affectieve banden. Groepsleiders staan
hier verder van af, maar ook zij maken deel uit van dit systeem.
Een groepsleider ontwikkelt bijvoorbeeld een zwak voor een
bewoner in wie hij iets van zichzelf herkent of die hij wil steunen.
Als de jeugdige dit met genegenheid beantwoordt, kan er een
wederzijdse affectie ontstaan. De groepsleider dient zich hiervan
bewust te zijn en moet kunnen terugvallen op een team waarin
in een open sfeer gesproken kan worden over de dilemma’s en
risico’s die zich kunnen voordoen. Kinderen die nauwelijks affectie
hebben gekend gun je een goede band met een groepsleider. Als
er echter een sfeer van exclusieve intimiteit ontstaat, is dat niet
gewenst, zeker niet als deze in de verborgenheid moet blijven en
langere tijd duurt. Dat laatste is bij een langere verblijfsduur geen
zeldzaamheid. Seksualisering van de band kan dan gemakkelijk
plaatsvinden, vooral als lichamelijke rijping de aantrekkelijkheid
van de jeugdige vergroot.
De dynamiek in pleeggezinnen vertoont overeenkomsten met die
van de leefgroep, maar er zijn ook grote verschillen. Ook in pleeg-gezinnen dienen de hulpverleners, in dit geval de pleegouders,
alert te zijn op misbruik tussen jongeren onderling. Maar in dit
geval zijn het de eigen kinderen die betrokken kunnen zijn, hetzij
in de rol van dader/initiatiefnemer, hetzij in de rol van slachtoffer.
Dit gegeven stelt hoge eisen aan de toerusting en begeleiding van
pleegouders.
Wat hierboven geschreven is over groepsleiders die ‘meer dan
een klik’ hebben met een jeugdige, geldt nog in sterkere mate voor
een pleegouder. Anders dan in een leefgroep kan een speciale
band met een pleegkind leiden tot verstoringen in het gezinssys-teem. Pleegouders kunnen onderling conflicten krijgen over de
wijze waarop een van hen met het pleegkind omgaat. Als er ver-wijdering tussen beiden ontstaat, kan de bekritiseerde ouder
gevoelsmatig in een isolement geraken, met het risico dat hij of
zij de affectieve band met het pleegkind aantrekt. Pleegkinderen
hebben vaak moeten overleven in gezinnen met een problemati-sche dynamiek en zijn daardoor extra sensitief voor de aandacht
die hun ten deel valt. Zij zullen deze aandacht niet gauw afwijzen,
maar eerder proberen deze te vergroten. Zo kunnen vicieuze
cirkels ontstaan die ertoe kunnen leiden dat een pleegouder
fysiek en seksueel de grens overschrijdt. Daarbij komt nog het feit
dat het incesttaboe niet aan de orde is en het praktische gegeven
dat het in een pleeggezin heel normaal is als de pleegvader of
-moeder alleen met het pleegkind is, vaak in situaties die meer
intimiteit kennen dan de leefgroep.
4.4 Conclusie
Plegers van seksueel misbruik blijken in de helft of in het meren-deel van de gevallen leeftijdgenoten te zijn. Dat geldt voor zover
de bronnen daar iets over zeggen voor vroeger, maar het geldt uit-drukkelijk ook voor nu en in nog sterkere mate voor slachtoffers
met een (licht) verstandelijke beperking.
• Die leeftijdgenoten zijn vooral groepsgenoten in een residen-tiële setting en kinderen in het pleeggezin.
• Plegers zijn vrijwel altijd mannen.
66
4. Plegers van seksueel kindermisbruik
67
4. Plegers van seksueel kindermisbruik
Dossieronderzoek naar kenmerken en achtergronden van vervolg-de en behandelde daders laat het volgende zien:
• Daders zijn meestal groepsgenoot (en incidenteel pleegbroer)
van het slachtoffer. Ze zijn overwegend autochtoon en in cogni-tief opzicht beperkt. Qua gezinsachtergrond en persoonlijke
problemen verschillen ze meestal niet veel van degene die ze
hebben misbruikt. De hier onderzochte groep was ten tijde van
het misbruik gemiddeld 15 jaar oud.
• De volwassen daders, doorgaans ook autochtoon, zijn gemid-deld 37 jaar oud en zelden eerder veroordeeld voor een zeden-delict. Ook is er zelden sprake van pedofilie. Ze zijn meer dan
gemiddeld intelligent, zijn sociaal vaardig en hebben een laag
zelfbeeld. Eén derde van hen is in de jeugd mishandeld, ver-waarloosd of misbruikt. De helft is of was getrouwd en een-derde was alleenstaand tijdens het misbruik.
• Voor deze volwassen groep moet de conclusie zijn dat er geen
sprake is van een zodanige combinatie van kenmerken dat hier-op te screenen valt. Het delict lijkt in veel gevallen van opportu-nistische aard. Het lijkt zogezegd vooral ‘de gelegenheid te zijn
die de dief maakt’. In lijn hiermee is de constatering dat er wei-nig aanwijzingen zijn voor de veronderstelling dat deze plegers
een functie als hulpverlener of pleegouder ambieerden omdat
die de mogelijkheid bood kinderen te misbruiken.
• Over de manier waarop een hulpverlener of een pleegouder
ertoe komt een kind te misbruiken is weinig bekend. Dat in dat
proces kenmerken van het kind een rol spelen doet niets af aan
de verantwoordelijkheid van de pleger. Onder meer met het
oog op begeleiding van pleegouders en hulpverleners is het
van belang hier nader onderzoek naar te doen.
5. Reactie van de overheid op
signalen van seksueel kinder-misbruik
In hoofdstuk 2 is bij de beschrijving van algemene ontwikkelingen
in de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg aandacht gegeven
aan het toezicht van overheidswege op de residentiële jeugdzorg
en de pleegzorg en de veranderingen daarin. Ook is daar in meer
algemene zin het overheidsbeleid op het gebied van de veiligheid
van kinderen aan de orde geweest. In dit hoofdstuk gaat het over
de bekendheid van de overheid met signalen van seksueel kinder-misbruik en haar reactie daarop. Daarbij is onderscheid te maken
tussen het op de hoogte zijn van (signalen van) seksueel misbruik
in individuele gevallen en het ondernemen van actie, en de meer
algemene onderkenning van het verschijnsel seksueel kindermis-bruik en het voeren van beleid daarop. Beide hangen samen en
beide komen hier aan de orde. In individuele gevallen kan de over-heid reageren via het strafrecht en via het toezicht door de inspec-tie. We eindigen met enkele meer algemene opmerkingen over de
bijzondere rol en verantwoordelijkheid van de overheid in de zorg
voor veiligheid van kinderen.
Onderkenning en reactie hebben in de loop der tijd veranderin-gen ondergaan. Deze zijn het duidelijkst zichtbaar vanaf het begin
van de jaren negentig. Daarom delen we de bespreking van de
overheidsreactie op in twee perioden: die van 1945 tot 1990 en die
van 1990 tot en met 2010.
5.1 Reactie 1945-1990
Het onderzoek heeft duidelijk gemaakt dat professionals en lei-dinggevenden in de kinderbescherming geconfronteerd werden
met vermoedens en incidenten van seksueel misbruik. Daarbij
mag worden aangenomen dat ook toen het overgrote deel van
het seksueel misbruik zich in het verborgene afspeelde en dus
68
69
5. Reactie van de overheid op signalen van seksueel kindermisbruik
niet of pas na verloop van tijd bij professionals en leidinggeven-den bekend is geworden. Dit beeld komt overeen met een analyse
van de meldingen bij de commissie. Slachtoffers van seksueel mis-bruik voelen zich voor 1980 veelal volstrekt niet serieus genomen
wanneer ze anderen over het seksueel misbruik vertellen. Ze
worden uitgelachen, weggehoond, niet geloofd, en krijgen in veel
gevallen zelfs straf voor hun vermeende leugens, ‘vieze praatjes’
en slechte gedachten.
Wanneer een kind wel wordt geloofd, blijkt dat er doorgaans
stevig en adequaat is gereageerd, althans richting dader. Inciden-ten van seksueel misbruik of seksueel grensoverschrijdend gedrag
worden in het verleden meestal ’opgelost’ door de jonge pleger
over te plaatsen naar een andere groep of instelling. Bij misbruik
door groepsleiders volgt meestal ontslag.
In de archieven uit de jaren veertig en vijftig van de voorgangers
van de huidige IJZ zijn weinig concrete zaken van seksueel mis-bruik te vinden. Dit maakt het moeilijk om zicht te krijgen op de
manier waarop rond dit thema toezicht werd uitgeoefend. De
aandacht voor seksueel misbruik tussen en van jongeren in instel-lingen was onderdeel van de meer brede aandacht voor zedenbe-derf. Kwam wel een voorval aan het licht, dan werd dit behandeld
als een mogelijke ‘besmetting’ die moest worden geïsoleerd om
verdere verspreiding te voorkomen. Bovendien speelde de overwe-ging een rol dat ruchtbaarheid schade kon toebrengen aan de
betrokken instelling, dan wel aan de kinderbescherming als
geheel. Opvallend in de reactie op voorvallen van seksueel mis-bruik in instellingen die in die periode de aandacht trokken is de
sterke mate van betrokkenheid van het departement, tot en met
de persoon van de minister.
In de jaren na de Tweede Wereldoorlog is er geen gebrek aan toe-zicht op de kinderbescherming. Integendeel, de overheid heeft ver-scheidene vormen van toezicht, en daarnaast heeft de verzuilde
kinderbescherming haar eigen toezicht georganiseerd. Maar dat
alles is zo gefragmenteerd dat velen die destijds werkzaam waren
in de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg achteraf aangeven
niet te weten wie er toen op hen toezicht gehouden heeft. Deze
chaotische situatie maakt het ontwikkelen van een centraal beleid
op het gebied van (signalen van) seksueel misbruik – voor zover
daar al de behoefte toe gevoeld werd – onmogelijk. In de jaren
zeventig verandert de rolopvatting van de toezichthouder. Men
wordt qua opstelling meer bemiddelend en adviserend, en min-der inspecterend. Ook die houding stimuleert niet een actief en
krachtdadig toezicht op veiligheid van kinderen. Seksueel mis-bruik is jarenlang geen structureel aandachtspunt in het toezicht,
net zomin als het binnen de sector zelf een specifiek punt van
aandacht is geweest.
Over de rol van de politie en het OM kunnen we over de periode
vóór 1990 alleen uitspraken doen op basis van de meldingen bij
de commissie (zie de noten 40, 41). Die meldingen geven de indruk
dat (signalen van) seksueel misbruik in hoofdzaak binnen de
sector van de kinderbescherming worden afgehandeld. Politie en
OM worden vrijwel niet ingeschakeld. De meeste slachtoffers doen
geen aangifte. Als er al aangifte wordt gedaan, leidt dat volgens
de melders meestal niet tot vervolging, omdat bewijs ontbreekt.
Ten aanzien van het OM geldt dat de aanpak van zedenzaken tot
het einde van de jaren tachtig niet een bijzondere is. Zedenzaken
worden als ’reguliere’ geweldsdelicten beschouwd en daarom ont-breekt een specialisme binnen het OM.
5.2 Reactie 1990-heden
In een veranderend maatschappelijk klimaat worden slachtoffers
van seksueel misbruik in de residentiële jeugdzorg en de pleeg-zorg nu geleidelijk aan meer serieus genomen. Er ontstaat een
groeiend besef van de impact die seksueel misbruik heeft op het
welzijn van een kind en diens verdere ontwikkeling. Daarnaast
groeit de aandacht voor seksueel misbruik binnen hulpverlenings-relaties in het algemeen. Dat proces van onderkenning van de
ernst en het bijzondere van seksueel misbruik is in de jaren
tachtig begonnen en wordt in de jaren negentig geïntensiveerd.
Tekenend voor die ontwikkeling is de oprichting in 1982 van de
Vereniging tegen Seksuele Kindermishandeling (VSK) door een
groep lotgenoten. Er bestaat dan al een Vereniging tegen Kinder-70
5. Reactie van de overheid op signalen van seksueel kindermisbruik
71
5. Reactie van de overheid op signalen van seksueel kindermisbruik
mishandeling (VKM), maar het bijzondere karakter van deze vorm
van kindermishandeling en de onvrede over bestaande hulpverle-ning leiden tot dit initiatief. Seksueel misbruik is een verschijnsel
waar men weliswaar in allerlei sectoren in zeker opzicht wel
bekend mee was, maar het wordt nu meer en meer ervaren als
een ‘nieuw’ probleem. Onderkenning van het bijzondere karakter
ervan noopt tot nieuwe methoden en nieuw beleid. Seksueel
geweld komt daardoor prominenter op de politieke agenda te
staan.
Deze toenemende maatschappelijke aandacht voor het verschijn-sel van seksueel geweld klinkt door in het werkprogramma
‘Bestrijding Seksueel Geweld’ van het ministerie van WVC, dat
loopt van 1991 tot 1995.
37
In dat kader is aan de toenmalige Inspec-tie Jeugdhulpverlening verzocht te inventariseren wat er binnen
de jeugdhulpverlening gebeurde aan preventie van seksueel mis-bruik door professionals. Dat blijkt niet veel te zijn. Aansporing
door de inspectie om hiermee aan de slag te gaan blijkt bij een
volgende inventarisatie in 1993 tot weinig verbetering te hebben
geleid.
Omdat seksueel misbruik als een relatief nieuw probleem werd
ervaren, is er begin jaren negentig een sterke behoefte aan meer
duidelijkheid over de aanpak ervan. Dat leidt tot de instelling van
de al eerdergenoemde commissie, die op verzoek van het ministe-rie van WVC richtlijnen ontwikkelt voor het handelen bij een ver-moeden van seksueel misbruik. Door deze roep om duidelijkheid
gaat de overheid via de inspectie sterk de nadruk leggen op proto-collering. Dat wordt nog eens versterkt als in reactie op drama’s
als die van Savanna (2004) veiligheid een dominant thema wordt
in de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg (zie 2.2). De inspectie
legt ook in de jaren daarna een nadruk op protocollering. Hier-door komt toezicht houden meer en meer in het teken te staan
vanrisk management. Dit stringentere beleid houdt onder meer
in dat residentiële jeugdzorginstellingen, de pleegzorg en JJI’s alle
37 Brief van minister en staatssecretaris WVC, d.d. 4 maart 1991, TK 1990-1991, 22028,
nr. 1 en 2.
calamiteiten en incidenten dienen te registreren.
38
Calamiteiten
moeten direct gemeld worden bij de IJZ.
Na 1990 hebben politie en het OM een toenemende aandacht voor
seksueel misbruik. Eind jaren tachtig en begin jaren negentig ken-nen enkele zedenzaken met een grote landelijke impact (Oude
Pekela, De Bolderkar, Epe). Deze zetten ook in deze sector aan tot
de ontwikkeling van meer beleid en meer expertise. Een voorbeeld
van dat laatste is de scholing van jeugd- en zedenrechercheurs in
het horen van jonge kinderen als getuige, en de ontwikkeling van
specifieke faciliteiten daarvoor, de zogenoemde kindvriendelijke
verhoorstudio’s. Punt van aandacht blijft dat deze specialistische
voorzieningen niet altijd in voldoende mate aanwezig zijn om het
proces vlot te laten verlopen.
Het OM versterkt zijn eigen professionaliteit in zedenzaken. Richt-lijnen en procedures worden aangescherpt.
De commissie heeft onderzoek laten doen naar het handelen van
de politie en het OM in individuele zaken (zie deel 3).
De commissie heeft geconstateerd dat het handelen van de
politie
39
in die gevallen waarin de laatste tien jaar aangifte is ge-daan logisch en begrijpelijk overkomt.
40
Aan de hand van steekproeven
41
zijn de afdoeningen van sek-sueel misbruik in de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg door
het OM over de laatste twintig jaar geanalyseerd.
42
Er zijn 3880
zedendossiers gelicht en 107 dossiers aangetroffen die betrekking
72
5. Reactie van de overheid op signalen van seksueel kindermisbruik
38 Onder een calamiteit wordt verstaan een gebeurtenis die heeft plaatsgevonden
gedurende de betrokkenheid van een instelling en die onverwacht of onbedoeld kan
leiden of heeft geleid tot een dodelijk of een schadelijk gevolg voor een jeugdig of voor
een ander als gevolg van het handelen van een jeugdige.
39 Het onderzoek naar het handelen van de politie is uitgevoerd door dr. mr. A.Ph. van
Wijk en dr. H.B. Ferwerda van Bureau Beke, en is opgenomen in deel 3.
40Onderzoek naar een eerdere periode kan niet, omdat de digitale systemen van de
jaren negentig gebrekkig zijn. De politiearchieven van de jaren daarvoor zijn in alge-mene zin ontoereikend voor nader onderzoek.
41 Onderzoek voor 1990 is op zichzelf mogelijk, alleen zeer arbeidsintensief. Voor 1990
worden strafzaken/misdrijven handmatig in de zogenoemde parketregisters inge-schreven en wordt de voortgang handmatig bijgehouden. Zaken van seksueel misbruik
in jeugd- en pleegzorg (zie opmerking hierboven) worden niet apart bijgehouden.
42 Het onderzoek naar OM-afdoeningen van seksueel misbruik in de residentiële
jeugdzorg en pleegzorg is uitgevoerd door mrs. S.J. van Klaveren, R.S.T. van Rossem-Broos
en L.A.J.M. de Wit (zie deel 3).
73
5. Reactie van de overheid op signalen van seksueel kindermisbruik
hebben op kinderen in de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg.
Er zijn de onderzoekers ook nog 19 dossiers aangereikt afkomstig
uit het bovengenoemd onderzoek naar de politie.
De commissie concludeert dat in het licht van de tijd de beslissin-gen van het OM begrijpelijk zijn. 60 procent van de zaken is aan
de rechter voorgelegd. Er is niet lichtvaardig geseponeerd. Zeden-zaken zijn moeilijk bewijsbaar. Daardoor leiden veel van deze
zaken niet tot een vervolging, en dus ook niet tot een vonnis. Een
volgende kanttekening is dat in zedenzaken ook valse aangiftes
worden gedaan, waarbij iemand ten onrechte van seksueel mis-bruik wordt beschuldigd. Ook daarmee is de commissie in aan-raking gekomen.
De commissie heeft, zoals eerder gezegd, apart aandacht besteed
aan seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel misbruik
van kinderen en jongeren met een (licht) verstandelijke beperking.
Instellingen voor gehandicaptenzorg zijn wettelijk verplicht om
alle incidenten van grensoverschrijdend seksueel gedrag en van
seksueel misbruik te melden bij de IGZ. Of dit ook werkelijk
gebeurt heeft de commissie niet kunnen vaststellen. Wel blijkt bij
(medewerkers van) de betreffende instellingen nogal eens ondui-delijkheid te bestaan over wanneer er een melding gedaan moet
worden. Meldingen die wel gedaan worden leiden in meer dan
de helft van de gevallen tot nadere vragen van of advisering door
de IGZ. Reacties in de instelling zelf zijn van velerlei aard, al naar-gelang de aard van het voorval, en variëren van gesprekken en
overplaatsingen tot educatie van personeel en verscherpt toe-zicht.
Uit inspectiemeldingen van kinderen met een (licht) verstan-delijke beperking in de jaren 2008, 2009 en 2010 blijkt dat er in de
helft van de gevallen (52 procent) aangifte bij de politie is gedaan
en in 20 procent van de gevallen is het bij een melding gebleven
(zie noot 32). Men ziet vaak af van het doen van aangifte, omdat
men deze jongeren niet wil confronteren met moeizame juridi-sche procedures en omdat de afloop ervan veelal onzeker is. In
veruit de meeste gevallen is ten tijde van de melding niet bekend
of het incident bij het OM terecht is gekomen (120 gevallen;
94 procent). Wanneer de inspectiemeldingen vergeleken worden
met die van kinderen zonder (licht) verstandelijke beperking, lijkt
dat er in geval van kinderen en jongeren met een (licht) verstande-lijke beperking relatief vaker een melding bij de politie is gedaan
dan bij de kinderen en jongeren zonder een (licht) verstandelijke
beperking.
Ten slotte
Dit hoofdstuk beschrijft de overheidsreacties op signalen van sek-sueel misbruik. Deze kwestie is niet los te zien van de zorg van de
overheid voor veiligheid van kinderen in hun primaire leefsituatie
in het algemeen. Daarom tot slot een enkele opmerking.
In 1996 bericht de minister van VWS, dr. E. Borst-Eilers, in een brief
aan de Tweede Kamer over de resultaten van het werkprogramma
‘Bestrijding van Seksueel Geweld’. Veldpartijen, zo schrijft ze, zijn
zelf primair verantwoordelijk voor het invullen van lacunes en
onvolkomenheden in het zorgaanbod. Maar, zo laat ze weten, de
overheid heeft ook haar eigen verantwoordelijkheden en taken.
Deze behelzen onder meer ‘het bevorderen van een samenhan-gende dan wel integrale aanpak van de problematiek op zowel
intra- als interdepartementaal niveau’.
Die eigen verantwoordelijkheid van de overheid vloeit voort uit
de verplichtingen die de staat op zich heeft genomen door de rati-ficering van het IVRK. Daarmee blijft de staat verantwoordelijk
voor het nakomen van die verplichtingen en dus voor het facilite-ren van de mogelijkheden tot en het toezicht op het nakomen
daarvan. Een van die verplichtingen is ‘de bescherming van kinde-ren tegen alle vormen van lichamelijk of geestelijk geweld, letsel
of misbruik, lichamelijke of geestelijke verwaarlozing of nalatige
behandeling, mishandeling of exploitatie, met inbegrip van seksu-eel misbruik, terwijl het kind onder de hoede is van de ouder(s),
wettige voogden of iemand anders die de zorg voor het kind heeft’
(artikel 19). Deze eigen verantwoordelijkheid van de staat dreigt
op gespannen voet te komen met de tendens om het nakomen
ervan over te laten aan eerst provinciale en binnenkort gemeente-lijke overheden. In het Jaarbericht Kinderrechten 2012 van UNICEF
Nederland en Defence for Children wordt een gebrek aan samen-hang en coördinatie in de aanpak van kindermishandeling gecon-74
5. Reactie van de overheid op signalen van seksueel kindermisbruik
75
5. Reactie van de overheid op signalen van seksueel kindermisbruik
stateerd en wordt erop aangedrongen dat de overheid regie
neemt over de preventie en aanpak van kindermishandeling, dus
over de integrale aanpak waar minister Borst-Eilers in 1996 van
sprak.
43
Veldpartijen, zoals minister Borst-Eilers ze noemt, hebben hun
eigen verantwoordelijkheid, en de staat heeft de zijne. Beide
hebben in het kader van de bestrijding van kindermishandeling
de afgelopen jaren veel in gang gezet. Tegelijk maakt de jeugdzorg
als stelsel al jarenlang roerige tijden door en het einde daarvan is
voorlopig nog niet in zicht. Stelselwijziging wordt nu opnieuw
noodzakelijk geacht om redenen van efficiëntie, kwaliteit, samen-hang en kostenbeheersing. De staat trekt zich meer en meer terug
en legt de zorg voor dit alles bij de lokale overheid, met als spil de
Centra voor Jeugd en Gezin (CJG’s). In een recent rapport van de
Algemene Rekenkamer wordt vastgesteld dat ‘veel CJG’s nog te
zeer het karakter hebben van een verzamelgebouw waarin elke
hulpverlener denkt en handelt vanuit zijn eigen organisatie of
zorgdomein’.
44
Uiteraard moet dit zijn tijd hebben, maar het uit-eindelijke criterium voor een goede residentiële jeugdzorg en een
goede pleegzorg is de veiligheid van het kind.
Veiligheid binnen de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg is
niet los te zien van zorg voor de kwaliteit van de jeugdzorg in het
algemeen. Hoe belangrijk een efficiënte organisatie van het
jeugdzorgstelsel ook is, het staat of valt met de kwaliteit van de
mensen die erin werken.
De bewindslieden van VWS en van VenJ hebben altijd de eindver-antwoordelijkheid gedragen voor het plaatsings- en kwaliteitsbe-leid in de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg, respectievelijk
de JJI’s. Er bestaat tussen beide departementen echter verschil in
de mate van bemoeienis met de uitvoering van het in de instellin-gen gevoerde beleid. De achtergrond hiervan ligt enerzijds in de
noodzaak om bij vrijheidsbeperking en vrijheidsbeneming in het
43 Jaarbericht Kinderrechten 2012(2012). UNICEF Nederland en Defence for Children.
44Algemene Rekenkamer (2012).Centra voor Jeugd en Gezin in gemeenten; een samen-werkingsproject met gemeentelijke rekenkamers.
strafrechtelijk domein duidelijke regels te stellen en anderzijds in
het bezwaar van overheidsbemoeienis met de opvoeding in het
civiele domein. Het ministerie van VWS ziet voor zichzelf een ‘sys-teemverantwoordelijkheid’ en stuurt niet op de inhoud van het
veiligheidsbeleid. VWS laat het dus ook aan de residentiële jeugd-zorg en de pleegzorg zelf over om de aanpak van seksueel mis-bruik vorm te geven. Het ministerie van VenJ heeft een andere
verantwoordelijkheid waar het gaat om het veiligheidsbeleid in
de JJI’s. Deze zijn namelijk hiërarchisch ondergeschikt aan de
minister, die zich, in tegenstelling tot zijn collega van VWS, volle-dig ministerieel verantwoordelijk acht. Voor de JJI’s worden de vei-ligheidsnormen waaraan personeel en jongeren zich te houden
hebben daarom van bovenaf opgelegd.
5.3 Conclusie
• De reacties op signalen van seksueel misbruik zijn tot 1990 gro-tendeels overgelaten aan de kinderbescherming zelf. De cen-trale overheid staat daar op afstand van en komt vrijwel niet in
actie.
• De toezichtrol is passief. Er volgt een reactie als er een duide-lijke melding of incident is.
• Na 1990 krijgt veiligheid meer aandacht. De centrale overheid
houdt zich op afstand en bemoeit zich – uitgezonderd bij grote
incidenten – vrijwel niet met het praktische veiligheidsbeleid
en toezicht in de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg. Een
uitzondering op deze regel is het ministerie van VenJ, dat de
JJI’s direct aanstuurt.
• In weinig zaken wordt aangifte gedaan. Waar dat wel gebeurt,
is het optreden van politie en OM begrijpelijk. Voldoende capa-citeit van de gespecialiseerde politievoorzieningen is een aan-dachtspunt.
76
5. Reactie van de overheid op signalen van seksueel kindermisbruik
77
6. Huidige bescherming van het
kind
In het navolgende wordt ingegaan op de huidige beschermings-constructies rondom het kind. De volgende thema’s worden
besproken:
• taken van de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg en risi-co’s
• beschermingsconstructies voor kinderen in de residentiële
jeugdzorg en de pleegzorg
• de bescherming in de praktijk: gebreken, dilemma’s en knel-punten.
6.1 Residentiële jeugdzorg en de pleegzorg: taken
en risico’s
De keuze voor plaatsing van een kind in een pleeggezin of een
residentiële jeugdzorginstelling hangt sterk af van de redenen
voor een uithuisplaatsing. Plaatsing in een pleeggezin heeft in
principe de voorkeur. Er zijn echter jongeren die daarmee onvol-doende geholpen zijn of die in een pleeggezin moeilijk te hand-haven zijn. Waar een jongere ook geplaatst wordt, de primaire
taak van pleegouders en van professionals in een instelling, in
het bijzonder die van groepsleiders, is om de ontwikkeling van
een jongere weer in goede banen te leiden. Een eerste vereiste
daarvoor is een veilig leefklimaat. Onderstaande paragrafen 6.1.1
en 6.1.2 gaan nader in op de taken van professionals en pleeg-ouders in respectievelijk de residentiële jeugdzorg en de pleeg-zorg, en de risico’s in beide situaties die de zorg voor veiligheid
bedreigen.
6.1.1 Residentiële jeugdzorg
Taken
De ontwikkeling van jongeren voltrekt zich in belangrijke mate in
de context van contacten met leeftijdgenoten. Hoe ongewoon en
‘noodgedwongen’ het gedurende langere tijd permanent samen-wonen met een groep jongeren – de leefgroep genoemd – ook is,
juist dit ongewone leven biedt mogelijkheden tot ‘herstel van het
gewone leven’.
45
Dit betekent herstel van vertrouwen, ontwikkelen
van zelfwaardering, leren van zelfcontrole, respecteren van ander-mans grenzen, trekken van eigen grenzen, plannen maken en uit-voeren en zo meer. Het ongewone leven in een leefgroep is dus
middel tot herstel van het gewone. Dat herstel gaat niet vanzelf.
Integendeel, daar zijn sturing, leiding, groepsleiding voor nodig.
Om die leiding te kunnen geven moet een groepsleider thuis zijn
op terreinen waarop deze jongeren de weg nog zoeken, zoals hun
eigen seksualiteit. Seksualiteit is een terrein waarop dezelfde
morele basisregels gelden als voor andere betrekkingen tussen
mensen. Die regels hebben onder meer betrekking op respect voor
andermans fysieke en psychische integriteit, respect voor ander-mans recht op zelfbeschikking en zorg voor andermans welbevin-den.
46
Seksuele opvoeding is dus een onderdeel van de morele
opvoeding en is niet los te zien van andere domeinen waarop de-ze jongeren hun weg moeten vinden.
Risico’s
Zoals ook hiervoor is aangegeven horen bij groei en ontwikkeling
van een jongere grensverkenningen. En grensverkenning leidt
soms tot grensoverschrijding. Als de verkenning van één domein
jongeren in sterke mate bezighoudt, dan is dat wel het domein
van seksualiteit. En dus doen zich daar grensoverschrijdingen
voor. En soms is een grensoverschrijding zo ernstig dat we spreken
van seksueel misbruik. Dit alles geldt zowel voor het gewone leven
buiten een instelling als voor het ongewone leven daarbinnen.
Binnen de context van de residentiële jeugdzorg is evenwel de
78
6. Huidige bescherming van het kind
45 Horst, W. ter (1977).Herstel van het gewone leven. Groningen: Wolters Noordhoff.
46Steutel, J. & de Ruyter, D. (2011), ‘What should be the moral aims of compulsary sex
education’,British Journal of Educational Studies, 59, 75-86.
79
6. Huidige bescherming van het kind
kans dat een jongere het slachtoffer wordt van seksueel misbruik
om diverse redenen groter dan daarbuiten.
Relatief veel van deze jongeren zijn voorafgaand aan de plaatsing
in een leefgroep het slachtoffer geweest van seksueel misbruik.
Traumatische seksualisering kan leiden tot sterk geseksualiseerd
gedrag van een kind, waar een zodanig provocatieve werking van
uit kan gaan dat het risico op revictimisatie vergroot wordt. Daar-naast hebben veel van deze jongeren een voorgeschiedenis van
geweld of verwaarlozing die net als seksueel misbruik kan leiden
tot een geringe zelfwaardering, beperkt zelfvertrouwen, geringe
weerbaarheid en assertiviteit, overafhankelijkheid van aandacht
en zo meer. Zaken die een jongere in verhoogde mate kwetsbaar
maken voor seksueel misbruik (zie 3.2).
Kunnen jongeren in een residentiële jeugdzorginstelling onder-ling een bedreiging zijn voor elkaars veiligheid, hun veiligheid kan
er ook bedreigd worden door de professionals die er werken, en in
het bijzonder door groepsleiding met wie ze dagelijks optrekken.
Leven jongeren in een sfeer waarin seksualiteit meer of minder
uitgesproken voortdurend aanwezig is, groepsleiders werken in
die sfeer en dat kleurt mede hun betrekkingen tot de jongeren.
Hun eigen voorgeschiedenis op het gebied van zorg en intimiteit
speelt mede een rol in de manier waarop ze omgaan met de al
vaker genoemde balans tussen afstand en nabijheid. Daarnaast is
een groepsleider die ‘kwaad wil’ bij uitstek in de gelegenheid om
een jongere te manipuleren. Hij of zij kan daarbij de machtsposi-tie, het mentale overwicht en de professionele vaardigheden mis-bruiken waarover hij of zij als groepsleider beschikt.
Waar jongeren – veelal van beide seksen – dagelijks met elkaar
verkeren, is seksualiteit dus voortdurendin the air.Tal van studies
op dit gebied laten desondanks zien dat seksuele ontwikkeling,
normen voor seksueel gedrag en in samenhang daarmee het
thema seksueel misbruik nauwelijks een plaats hebben op de
werkagenda van de professionals in termen van training, begelei-ding, overleg, reflectie, regels en zo meer. Die formele afwezigheid
van het onderwerp maakt de feitelijke aanwezigheid ervan klem-mender, maar tegelijk moeilijker bespreekbaar. Dat leidt tot
onduidelijkheid bij jongeren over grenzen en normen, en bij
groepsleiding tot een gebrek aan leiding en sturing op een terrein
waarop jongeren hun weg moeten vinden. En hoe minder open de
sfeer in een groep is ten aanzien van seksualiteit, hoe meer kans
dat seksueel misbruik zich in de schaduw manifesteert. Ook ste-reotiepe opvattingen over wat seksetypisch is spelen een rol. Zo
wijst onderzoek in Engelse tehuizen uit dat zowel jongeren als
personeel geseksualiseerd gedrag van meisjes als verklaring geven
voor het seksueel agressieve gedrag van jongens.
47
Daaraan ligt de
gedachte ten grondslag dat seksueel agressief gedrag nu eenmaal
een aspect is van mannelijke seksualiteit en dat meisjes zich zo
moeten gedragen dat ze aan dat gedrag geen voedsel geven.
Elke residentiële jeugdzorgsetting kent regels, vormen van con-trole, toezicht en discipline die noodzakelijk zijn. Hoe meer daar
evenwel het accent op ligt, des te meer dat leidt tot een cultuur
waarin de belangen van jongeren ondergeschikt zijn aan die van
de instelling en waarin er weinig aandacht is voor wat er leeft
onder de jongeren, zoals seksualiteit. Zo’n cultuur van regelhand-having kan maken dat bij seksueel grensoverschrijdend gedrag de
nadruk meer ligt op maatregelen achteraf tot handhaving van de
orde en bescherming van de instelling, en minder op een preven-tieve actie en therapeutische reactie. Een repressief klimaat vormt
voor jongeren een beletsel om zich met gevoelige informatie tot
de leiding te wenden. Een cultuur van controle vindt gemakkelijk
zijn weerspiegeling in de omgang tussen de jongeren. Een sfeer
van macht en intimidatie, tussen volwassenen onderling, tussen
volwassenen en jongeren en tussen jongeren onderling kan een
rol spelen in het afdwingen van seks en in het handhaven van een
cultuur van zwijgen daarover.
De residentiële jeugdzorgsetting is voor veel van de daar geplaats-te jongeren eenlast resort. Ze komen er terecht omdat ze nergens
anders te plaatsen zijn en vaak nadat ze al ‘de nodige’ plaatsingen
achter de rug hebben. De kans op allerlei soorten van wangedrag
80
6. Huidige bescherming van het kind
47 Green, L. (2005). ‘Theorizing sexuality, sexual abuse and residential children’s homes:
adding gender to the equation’.British Journal of Social Work, 35, 453-481.
81
6. Huidige bescherming van het kind
tussen jongeren onderling is daardoor inherent aan de status
vanlast resort.
48
Dit vergt zorgvuldigheid bij het samenstellen
van groepen met het oog op ieders veiligheid. Essentieel daarvoor
is dat men bij plaatsing voldoende op de hoogte is van de voorge-schiedenis van een jongere. Tegelijk maakt juist ditlast resort-karakter de speelruimte voor een goede groepssamenstelling
beperkt.
De commissie vraagt expliciete aandacht voor qua sekse ge-mengde leefgroepen. Aangetoond is (zie hoofdstuk 3) dat meisjes
doorgaans een verhoogd risico lopen op seksueel misbruik. Maar
seksueel grensoverschrijdend gedrag van jongens tegenover
seksegenoten komt ook voor. En wil een leefgroep een middel
kunnen zijn tot herstel van het gewone leven, dan moet die niet
te ver van het gewone leven af staan. Dat neemt niet weg dat hier
grote zorgvuldigheid geboden is.
6.1.2 De pleegzorg
Taken
Een pleeggezin is allereerst een gezin. Dat betekent dat het een
pleegkind kan bieden wat elk kind nodig heeft: opvoeding en ver-zorging in kleine kring en in een sfeer van veiligheid, continuïteit
en het gevoel erbij te horen. De accenten kunnen daarbij verschil-len al naargelang het type pleegzorg. Het belangrijkste onder-scheid is dat tussen de hulpverleningsvariant en de opvoedingsva-riant. In het eerste geval is opname in het pleeggezin van beperkte
duur; in het tweede is er het perspectief dat het kind er blijft tot
het, net als dat geldt voor elk ander kind, die opvoeding en verzor-ging niet meer nodig heeft. Maar wordt een kind in een pleegge-zin geplaatst omdat opvoeding, verzorging, veiligheid en continuï-teit bij de eigen ouders onder de maat waren, dan komt er nog
een bijzondere taak bij. Deze is ook in dit geval aan te duiden als
‘herstel van het gewone leven’, en ook hier is veiligheid een eerste
vereiste.
48Hayden, C. (2010). ‘Offending behaviour in care: is children’s residential care a “crim-inogenic” environment?’Child & Family Social Work, 15, 461-472.
Risico’s
Niettemin komt kindermishandeling in de vorm van verwaarlo-zing, fysiek of verbaal geweld en seksueel misbruik in alle typen
gezinnen voor: in gewone gezinnen, in stiefgezinnen, in adoptie-gezinnen en dus ook in pleeggezinnen. Deels hangt dat samen
met het feit dat een pleeggezin gewoon een gezin is. Alle factoren
die in een gewoon gezin bij mishandeling, misbruik en verwaarlo-zing een rol kunnen spelen gelden ook voor een pleeggezin. Maar
juist ook het ‘ongewone’ van een pleeggezin kan de zorg voor en
de veiligheid van een pleegkind bedreigen, en meer in het bijzon-der de kans op seksueel misbruik vergroten.
Kinderen die om redenen van bescherming in een pleeggezin
worden geplaatst brengen daar, net als jongeren dat doen in een
leefgroep, de gevolgen in van wat ze aan misbruik, geweld en/of
verwaarlozing hebben meegemaakt. Die gevolgen, in termen van
onder meer mindere weerbaarheid, overafhankelijkheid, geringe
zelfwaarde en verwarring van seks met affectie, maken hen kwets-baarder. Ook hier kan, net als in een leefgroep, geseksualiseerd
gedrag van een pleegkind het risico op seksueel misbruik vergro-ten. Hier komt nog bij dat de angst alles wat het pleeggezin te
bieden heeft te moeten opgeven en weer weggedaan te worden
als het misbruik bekend zou worden, ertoe kan bijdragen dat het
kind er met niemand over praat. Die angst kan ook gebruikt
worden als chantagemiddel. Deze bijzondere afhankelijkheid van
een pleegkind kan er uiteindelijk toe leiden dat het zich met
niemand meer durft en kan verstaan, en in een isolement terecht-komt dat zijn kwetsbaarheid extra vergroot. Mede hierdoor kan
seksueel misbruik lange tijd onbekend blijven en daarmee ook
lange tijd voortduren.
In een gewoon gezin raken ouders en kind vanaf de geboorte van
een kind vertrouwd met elkaar en groeit de manier waarop
ouders gestalte geven aan vertrouwelijkheid en intimiteit in de
omgang met het kind mee met diens ontwikkeling. Hetzelfde
geldt voor kinderen onderling. Dat geldt in mindere mate voor
een pleegkind dat al wat ouder is als het in een pleeggezin zijn
intrede doet. Is men op dat moment enerzijds een vreemde voor
elkaar – behalve als het om een netwerkplaatsing (zie noot 4)
gaat –, anderzijds moet wel iedereen zijn of haar positie bepalen
82
6. Huidige bescherming van het kind
83
6. Huidige bescherming van het kind
in het domein van vertrouwelijkheid en intimiteit dat hoort bij
het samenleven als gezinsleden. Grenzen respecteren en trekken
is daar onderdeel van. Speelt normaliter ook het incesttaboe
daarin een rol – dat geldt voor ouders en voor kinderen onderling
–, in een pleeggezin is de bescherming van dat taboe afwezig. Dat
kan ook een rol spelen bij misbruik door een van de eigen kinde-ren in het pleeggezin.
Naast dit alles moet worden vastgesteld dat professionalisering
van de pleegzorg en van pleegouders betrekkelijk laat op gang is
gekomen. Daarmee is ook het thema seksualiteit daar betrekkelijk
laat op de agenda gekomen. Het gaat volwassenen soms moeilijk
af om geloof te hechten aan het verhaal van een kind dat zegt sek-sueel misbruikt te zijn. Dit doet zich met name voor als het om
een gezinslid als dader gaat. Het feit dat het een pleegkind is dat
zo’n verhaal doet, kan dat nog versterken. Een pleegkind wordt
gemakkelijk gezien als een kind ‘waar iets mee is’, en dan is er mis-schien ook wel iets mis met dat verhaal. Daarnaast is er de extra
moeite die het kan kosten om geloof te hechten aan het verhaal
dat bijvoorbeeld een pleegvader zich aan zoiets schuldig heeft
gemaakt. Pleegouders genieten immers het aanzien en het res-pect dat mensen krijgen die zich bijzonder voor een ander inzet-ten, iets wat zich slecht verdraagt met een beschuldiging of een
vermoeden van seksueel misbruik. Dit laatste geldt overigens ook
voor iemand die zich beroepshalve om kinderen bekommert.
6.2 Beschermingsconstructies voor kinderen in
de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg
Vier processen
In de aanpak van seksueel misbruik zijn vier processen te onder-scheiden. Het eerste proces – aan te duiden als voorzorg – heeft
te maken met de dagelijkse gang van zaken en de maatregelen
die bijdragen aan de veiligheid van een kind en dus aan het voor-komen van seksueel misbruik. Hierbij valt te denken aan het
bespreekbaar maken van seksualiteit en grensoverschrijdend
gedrag, aan seksuele opvoeding als deel van de morele opvoeding.
Het tweede proces betreft het opvangen en omgaan met signalen
49Een studie naar governance is uitgevoerd door het Verwey-Jonker Instituut in
samenwerking met de Vrije Universiteit, onder leiding van dr. mr. K.D. Lünnemann en dr.
F.E. Six (zie deel 3).
6. Huidige bescherming van het kind
84
van (vermoedelijk) seksueel misbruik. Op het moment dat een
signaal tot een melding heeft geleid start het derde proces: mel-den en maatregelen nemen. Het gaat hier om het omgaan met
een melding, het eventueel daaruit voortvloeiende onderzoek en
het nemen van maatregelen. Nazorg voor zowel slachtoffer als
dader en betrokken werknemer(s) valt ook onder dit derde proces.
Tot slot is er het proces van extern toezicht en beroep. Extern toe-zicht wordt uitgevoerd door de IJZ. Extern beroep is de mogelijk-heid voor een kind, of andere betrokkenen, om een klacht in te
dienen of bezwaar te maken bij een onafhankelijke instantie als
zij van mening zijn dat signalen van seksueel misbruik door de
instelling niet goed zijn opgepakt of afgehandeld. Voor een uitge-breide beschrijving van deze processen wordt verwezen naar het
governance-deelonderzoek, opgenomen in deel 3.
49
Concentrisch model
De beschermingsmechanismen in de residentiële jeugdzorg en de
pleegzorg zijn in kaart gebracht aan de hand van een concentrisch
model. Hierbij is, zoals in paragraaf 1.2 reeds toegelicht, het kind
het middelpunt, met daaromheen de personen en instanties op
wier bescherming het is aangewezen. De ringen om het kind laten
zien wie het dichtst bij het kind staan en wie verder weg. Onder de
horizontale lijn staan de informele contacten en boven de hori-zontale lijn staan de professionals.
De mate van betrokkenheid van personen en organisaties geeft
aan wie er binnen bijvoorbeeld de twee ringen direct rond het
kind in de positie zijn om elkaar onderling te controleren en te
corrigeren of om het kind anderszins te beschermen. Anders
gezegd: wat zijn in de ring rondom het kind dechecks-and-balan-cesom te voorkomen dat misbruik een kans heeft of om te verhin-deren dat het doorgaat?
De beschermingsconstructies in de pleegzorg en in de residentiële
zorg verschillen van elkaar, zoals in onderstaande figuren te zien is.
Kind
genoten
Groeps-Ouders
Docent
Groeps-leiders
Vrienden
Familie
vo gd
Gezins-wetenschapper Gedrags-Arts
person Vertrouwens-Begeleiders
hobby’s
Bestuurinstelling
leider
Team-telefon
Kinder-Raadvantoezicht
AMK
Inspectie
Professionals Instelling
Niet-professionals
Residentiële jeugdzorg
Kind
kinderen
(pleeg)-Ouders
ouders
Pleeg-Docent
Vrienden
Familie
Arts
vo gd
Gezins-medewerker Pleegzorg-person Vertrouwens-Begeleiders
hobby’s
Bestuurinstelling
leider
Team-telefon
Kinder-Raadvantoezicht
AMK
Inspectie
Professionals Instelling
Niet-professionals
Pleegzorg
Concentrische modellen voor proces signaleren in
residentiële jeugdzorginstellingen en in de pleegzorg
Pleegouders hebben, mede afhankelijk van de pleegzorgvariant
(hulpverleningsvariant of opvoedingsvariant) en de concrete situ-atie, meer of minder contact met de biologische ouders. De pleeg-ouders zijn verantwoordelijk voor de dagelijkse zorg en opvoe-ding, maar het gezag ligt bij de ouders en de gezinsvoogd of
alleen bij de voogd. Daarnaast heeft de pleegzorgwerker een
belangrijke rol in de begeleiding van pleegouders en pleegkind.
De (gezins)voogd en pleegzorgwerker zijn werkzaam bij verschil-lende organisaties en hebben formeel verschillende verantwoor-delijkheden ten aanzien van het kind, de ouders en pleegouders.
In de praktijk lopen de praktische taken en verantwoordelijkheden
echter door elkaar, en kunnen spanningen ontstaan in de uitvoe-ring. Er bestaat grote onduidelijkheid over de verantwoordelijkhe-den van en rolverdeling tussen pleegzorgwerker en (gezins)voogd.
Dat kan maken dat belangrijke informatie niet gedeeld wordt en
lastige beslissingen worden uitgesteld.
Een kind in een pleeggezin voelt loyaliteit voor de biologische
ouders en de pleegouders, en heeft daarnaast nog met in elk geval
een (gezins)voogd en pleegzorgwerker te maken, en vaak nog met
6. Huidige bescherming van het kind
85
vormen van (therapeutische) hulp. In de residentiële jeugdzorg-instellingen hebben professionals in teamverband de dagelijkse
zorg voor het kind. Groepsleiders hebben een plaats in de eerste
ring om het kind. Het werken in teamverband binnen de residenti-ële jeugdzorg is van een geheel andere aard dan het werken in
teamverband bij pleegzorgwerkers en (gezins)voogden. Terwijl in
de residentiële jeugdzorg de groepsleiders samen verantwoorde-lijk zijn voor dezelfde kinderen, geldt dat niet voor de pleegzorg-werker en de (gezins)voogd van kinderen in een pleeggezin. Pleeg-zorgwerker en (gezins)voogd zijn beiden niet betrokken bij de
dagelijkse zorg, waardoor er geen direct zicht is op het pleeggezin.
(Gezins)voogd en pleegzorgwerker kijken weliswaar beiden naar
hetzelfde pleeggezin, maar maken geen deel uit van dezelfde
organisatie, en dus ook niet van hetzelfde team. Om toe te zien op
de veiligheid van het kind in het pleeggezin is de samenwerking
tussen pleegzorgwerker en (gezins)voogd van groot belang en
deze vraagt extra aandacht.
6.3 De praktijk: gebreken, dilemma’s en knelpunten
De geschetste concentrische modellen zijn een theoretisch hulp-middel bij de analyse van het systeem van bescherming van het
kind. In de praktijk kan het per situatie en per instelling natuurlijk
variëren. De modellen laten zien dat er veel actoren zijn die in het
systeem van bescherming een rol spelen en wat daarbinnen
ieders plek is. Die veelheid kan de suggestie wekken dat bescher-ming wel gegarandeerd zal zijn. De kwaliteit van de bescherming
wordt echter niet bepaald door het aantal actoren, maar door de
kwaliteit van hun werk en van de interactie tussen hen en met
het kind. Uitgangspunt voor een analyse van het beschermings-systeem is dat een kind het voor zijn bescherming primair moet
hebben van de personen die hem in het leven van alledag het
meest nabij zijn, van personen in de binnenste ring.
Om zich een beeld te vormen van de werking van voornoemde
beschermingsconstructies heeft de commissie niet alleen ver-schillende wetenschappelijke onderzoeken laten doen, maar ook
gesproken met kinderen, ouders, pleegouders, groepsleiders,
86
6. Huidige bescherming van het kind
87
6. Huidige bescherming van het kind
management en bestuurders van residentiële jeugdzorg- en
pleegzorginstellingen. Daartoe zijn in samenwerking met een
aantal onderzoekers rondetafelgesprekken georganiseerd. Uit de
onderzoeken en de rondetafelgesprekken komt het beeld naar
voren dat de beschermingsconstructies, die op papier in orde
lijken, in de praktijk nogal eens tekortschieten. Hierna wordt inge-gaan op die processen waarbij zich in de praktijk de meeste knel-punten voordoen: voorzorg, signaleren en melden.
6.3.1 Gebreken, dilemma’s en knelpunten in
de voorzorg
Toerusting professionals en pleegouders
Werken in de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg betekent
werken met extra kwetsbare kinderen en met een complexe doel-groep. Het vraagt nogal wat van professionals en pleegouders om
de levens van deze kinderen weer op de rit te krijgen en hun een
veilig leefklimaat te bieden. Daartoe is het onder meer noodzake-lijk dat de groepsleider of pleegouder op de hoogte is van de voor-geschiedenis. Het komt nogal eens voor dat men door gebrekkige
dossiervorming onvoldoende weet heeft van de achtergrond en
het gedrag van het kind, wat een adequate benadering en behan-deling belemmert. Hoe slechter men op de hoogte is van wat een
kind heeft meegemaakt, hoe moeilijker het kan zijn diens gedrag
te begrijpen en er adequaat op te reageren. Voor de pleegzorg kan
dit betekenen dat pleegouders onvoldoende voorbereid zijn op de
komst van het pleegkind en/of dat kinderen met (te) zware proble-matiek geplaatst worden in pleeggezinnen die voor het betref-fende kind niet geschikt zijn.
Uit het onderzoek van de commissie is gebleken dat in de oplei-ding en werkbegeleiding van professionals weinig tot geen aan-dacht is voor kennis en vaardigheden op het gebied van gezonde
seksuele ontwikkeling, afwijkende seksuele ontwikkeling en sek-sueel misbruik. Komt het in de voorbereiding van pleegouders op
hun pleegouderschap al voldoende aan bod, dan krijgt het nadien
in de begeleiding vaak te weinig aandacht. Als de onderwerpen al
op de agenda van de instelling staan, sneuvelen de noodzakelijke
intervisie en werkbegeleiding als eerste bij bezuinigingen of toe-nemende werkdruk.
Op de werkvloer is sprake van grote handelingsverlegenheid waar
het seksualiteit betreft. In de residentiële jeugdzorgsetting wor-den kinderen in leefgroepen bij elkaar geplaatst. De seksuele ont-wikkeling van die kinderen kan, zoals eerder beschreven, gepaard
gaan met (onderling) experimenteergedrag en het opzoeken van
grenzen. Jeugdzorgwerkers zijn onvoldoende toegerust en missen
handvatten om de ervaringen bij en de grenzen van dit experi-menteergedrag met de jongeren te bespreken. Men mist het nor-matieve kader dat nodig is bij oordeels- en besluitvorming rond
seksueel gedrag en seksueel misbruik. Als er al over seksueel
gedrag wordt gesproken, dan is dat pas bij een vermoeden van
seksueel misbruik. Veel hulpverleners gaven aan op dat moment
‘de taal niet te spreken’. Kortom, de toerusting van professionals
en pleegouders om met deze complexe thema’s om te gaan,
behoeft verbetering.
Open klimaat en stabiele teams
Een hecht team hulpverleners draagt bij aan een open en veilige
sfeer, waardoor medewerkers openlijk met elkaar durven praten
over alles wat ze zien bij anderen en over wat ze zelf ervaren.
Werken met mensen roept gevoelens op, ook gevoelens van ver-liefdheid of intimiteit. Communicatie hierover is van belang om
op tijd signalen van grensoverschrijdend gedrag te bespreken.
De hoge frequentie van personeelswisselingen in veel teams
maakt dat er vaak geen veilige basis is om openlijk over deze inge-wikkelde onderwerpen te praten. Zeker voor stagiairs en jonge
groepsleiders is seksualiteit een lastig onderwerp. Zij zijn nauwe-lijks ouder dan de jeugdige pupillen en zijn zelf nog volop bezig
met hun eigen seksualiteit.
In een hecht team schuilt tegelijkertijd ook een gevaar: mede-werkers kunnen zich niet voorstellen dat hun naaste collega sek-suele contacten heeft met een jeugdige.
Voldoende continuïteit in het team is niet alleen een voorwaarde
voor een veilige sfeer onder collega’s, maar ook voor de jongeren
om een vertrouwensband met een groepsleider aan te gaan. Als
88
6. Huidige bescherming van het kind
89
6. Huidige bescherming van het kind
er geen vertrouwen is, zullen jongeren ook niet praten over seksu-aliteit en seksueel misbruik. Dit geldt evengoed voor de pleegzorg.
De gewenste frequentie van het contact tussen gezinsvoogd en
pleegkind kan variëren op basis van het plan van aanpak en van
de vorderingen daarin, maar als vuistregel wordt gehanteerd dat
de gezinsvoogd in het eerste halfjaar gemiddeld één keer per
week contact heeft. In de praktijk ligt de contactfrequentie tussen
gezinsvoogd en pleegkind echter beduidend lager dan wenselijk
is, en dat vormt een ernstige belemmering voor het ontstaan van
een band tussen gezinsvoogd en pleegkind.
Een open klimaat, waarin men zowel met elkaar als met de jonge-ren praat over seksualiteit en seksueel grensoverschrijdend
gedrag, draagt bij aan het voorkómen van seksueel misbruik en
vergroot de weerbaarheid van kinderen.
Screening
Iedereen onderkent het belang van screening. Volgens managers
en bestuur vindt tijdens de sollicitatieprocedure altijd een scree-ning plaats op antecedenten. Sollicitanten dienen een Verklaring
Omtrent het Gedrag (VOG) te overleggen. Een VOG is een verkla-ring die wordt afgegeven door de minister van VenJ, waaruit blijkt
dat een sollicitant geen strafbare feiten op zijn naam heeft staan.
Aspirant-pleegouders moeten een Verklaring van geen bezwaar
overleggen. De RvdK behandelt de verzoeken met betrekking tot
de Verklaring van geen bezwaar. Hiertoe wordt de justitiële docu-mentatie van alle inwonenden op het adres van het aspirant-pleeggezin gecheckt. Daarnaast worden eerdere contacten van de
Raad met het beoogde pleeggezin in verzorgings- of opvoedings-problematiek meegewogen.
Omdat vermoedens van seksueel misbruik veelal niet tot ver-volging, laat staan een veroordeling leiden, is de waarde van met
name de VOG beperkt. Naast de VOG worden referenties nagetrok-ken. In het veld bestaat onduidelijkheid over het geven van refe-renties. Een aantal bestuurders meent ten onrechte dat negatieve
referenties niet mogen worden verstrekt. Heikel punt bij het ver-strekken van negatieve referenties is hoe om te gaan met vermoe-dens van seksueel misbruik die niet hebben geleid tot een
veroordeling.
Het onderwerp seksualiteit krijgt niet overal aandacht in de
sollicitatieprocedure. Hetzelfde geldt voor de voorbereidende trai-ning van pleegouders.
50
Daardoor zijn instellingen vaak niet op de
hoogte van een eventueel traumatische voorgeschiedenis van sol-licitanten en aspirant-pleegouders.
Screening vindt veelal alleen plaats aan het begin van het
dienstverband of pleegouderschap. Latere misstappen en veran-deringen in persoonlijke omstandigheden (bijvoorbeeld echt-scheiding) blijven zo buiten beeld.
6.3.2 Gebreken, dilemma’s en knelpunten bij
signaleren en melden
Handelen bij vermoedens
Zoals in hoofdstuk 3 is opgemerkt, hebben professionals van het
meeste seksueel misbruik geen weet. Ze zien veel signalen van
seksueel misbruik over het hoofd. Worden ze wel herkend, dan is
sprake van grote handelingsverlegenheid. Dat hangt onder ande-re samen met de meerduidigheid van die signalen en dus met
onzekerheid zowel over wat er precies aan de hand is als over de
effecten van interventies. Dat alles verhoogt de drempel om ver-moedens te melden; en deze wordt ook nog eens hoger doordat
beschuldigingen in strafrechtelijke procedures vaak niet hard te
maken zijn en soms ook ongegrond blijken te zijn.
Collegiale aanspreekbaarheid is geen gemeengoed en verdenkin-gen uiten jegens een collega heeft forse consequenties. De betref-fende medewerker komt vaak direct op non-actief te staan en
verkeert in een moeilijke positie als hij zijn onschuld wil bewijzen.
Aangezien seksueel grensoverschrijdend gedrag en misbruik
meestal plaatsvinden buiten het zicht van de groep of collega’s,
moet men op indirecte indicaties afgaan. Door deze moeilijke
90
6. Huidige bescherming van het kind
50 Een voorbeeld van een voorbereidende training is de STAP-training. STAP staat voor
‘Samenwerking, Teamgeest, Aspirant-Pleegouders’. Het programma is bedoeld voor kan-didaat-opvang- en pleeggezinnen die overwegen een kind in hun gezin op te nemen.
Het programma is gebaseerd op vijf criteria voor de beoordeling van de aspirant-pleeg-gezinnen. Ook kunnen de pleegouders met deze criteria hun eigen geschiktheid als
pleegouder overdenken.
91
6. Huidige bescherming van het kind
afweging van collega’s ontstaan drempels voor het melden van
vermoedens. Men moet heel duidelijke aanwijzingen hebben om
tot een melding over te gaan, of anders gezegd: het seksueel
grensoverschrijdend gedrag kan al vergevorderd zijn eer men over
die drempel stapt. De beduchtheid om melding te maken van deze
situaties levert een beperking van de beschermingsconstructies
op.
Wanneer sprake is van een vermoeden van seksueel misbruik
binnen het pleeggezin doet zich een bijzonder moeilijk dilemma
voor. Zolang er met betrekking tot dat vermoeden geen zekerheid
is, loopt men enerzijds door overhaast te handelen het risico dat
een kind ten onrechte uit het pleeggezin wordt weggehaald. Dat
zou voor het kind bijzonder beschadigend kunnen zijn, maar ook
voor de pleegouders en de andere gezinsleden. Anderzijds is er de
vrees dat wachten met ingrijpen tot er meer zekerheid is tot
gevolg kan hebben dat het misbruik ongehinderd doorgaat.
Voor de omgang met situaties van seksuele grensoverschrijding
tussen jeugdigen is doorgaans geen aparte procedure vastgelegd.
Als het jeugdigen onderling betreft wordt een van de jeugdigen
(zo nodig) in een andere groep geplaatst. Slachtoffers krijgen
daarnaast veelal ondersteuning aangeboden, maar of zij vervol-gens traumaverwerkende therapie of andere passende hulpverle-ning krijgen blijft onduidelijk. Om jeugdige plegers van seksueel
grensoverschrijdend gedrag in een andere instelling geplaatst te
krijgen wordt het seksueel grensoverschrijdende gedrag nogal
eens verzwegen. Daarmee worden deze plegers automatisch ook
van behandeling uitgesloten en wordt de nieuwe omgeving van
de pleger niet voorbereid op wat hun te wachten staat.
Een professional kan op verschillende manieren weet krijgen of
een vermoeden hebben van seksueel misbruik. Hij kan door een
kind in vertrouwen genomen worden of hij kan vermoedens heb-ben op grond van indirecte signalen, zoals bepaald gedrag van een
kind dat te denken geeft. Een kind kan ook een ander, zoals een
buurvrouw, tante of leraar, in vertrouwen nemen. Het is zaak dat
deze persoon weet waar hij of zij met deze signalen naartoe moet.
Dit blijkt in de praktijk niet altijd het geval. Zo kan het gebeuren
dat signalen geen meldingen worden en niet in het officiële cir-cuit terechtkomen.
Het zou vanzelfsprekend moeten zijn om elkaar zowel binnen als
buiten de eigen organisatie op te zoeken en signalen te bespre-ken, maar dit wordt nogal eens nagelaten. In de pleegzorg is de
grote afstand tussen professionals een extra drempel. Informatie
tussen verschillende betrokken instanties wordt onvoldoende
gedeeld en men stelt zich afwachtend op. Niemand voelt zich vol-doende probleemeigenaar om het signaal op te pakken en regie te
nemen in de afhandeling. Dit alles is minder het geval als de lijnen
kort zijn en men elkaar goed kent. Dan wordt er sneller gehandeld.
Er zijn drie externe partijen die een rol kunnen spelen bij het
onderzoek naar incidenten van seksueel misbruik: het AMK, de IJZ
en de politie/het OM. Uit de onderzoeken, gesprekken en meldin-gen is de commissie gebleken dat het AMK een zeer beperkte rol
speelt bij seksueel misbruik van een kind waar de jeugdzorg al bij
betrokken is. Ook al heeft ingevolge de Wjz een zorgaanbieder de
verplichting om van (een vermoeden van) seksueel misbruik door
een werknemer melding te maken bij het AMK, toch gebeurt dit
veelal niet. Uit de analyse van inspectiedossiers bleek dat in
slechts 12 procent van de gemelde gevallen ook is gemeld bij het
AMK. Dat hangt wellicht samen met de onduidelijke rol van het
AMK in de praktijk.
De IJZ komt pas in beeld als instellingen melding maken van
incidenten. Uit interviews met aandachtsfunctionarissen seksueel
misbruik blijkt dat niet altijd duidelijk is wanneer een incident
gemeld moet worden en welke informatie er verstrekt moet
worden aan de inspectie. Ook verschilt het per instelling wanneer
en of melding wordt gedaan. De IJZ doet systeemonderzoek, houdt
systeemtoezicht en blijft zelf buiten de officiële klachtafhandeling
staan.
Bewijs
Het is in het algemeen erg lastig om seksueel misbruik te bewij-zen. Het ophelderingspercentage van zedenzaken is gering.
Belangrijke reden hiervoor is dat getuigen doorgaans ontbreken.
Daarom eindigen veel zaken in een sepot. Veruit de meeste zaken
92
6. Huidige bescherming van het kind
93
6. Huidige bescherming van het kind
belanden dus uiteindelijk in een schemergebied waarin schuld
noch onschuld is vastgesteld. De schade voor kind, ouders en
andere familieleden kan groot zijn. Zij blijven vaak in onzekerheid
en verwarring achter: wat is er echt gebeurd? Schade ook voor de
pleegzorg als de samenwerking met de pleegouders is verbroken.
Schade voor de pleegouders, die soms na jarenlang pleegouder te
zijn geweest niets meer met pleegzorg te maken willen hebben.
En in geval van een beschuldiging aan het adres van een mede-werker van een instelling is er schade voor de medewerker. Elke
beschuldiging, gegrond of ongegrond, blijft immers aan iemand
kleven. Maar ook is er schade voor de (gezins)voogd en de andere
betrokken hulpverleners, die wanneer het systeem weer overgaat
tot de orde van de dag vaak achterblijven met een pijnlijk gevoel
van falen. Falen omdat ze niet zagen wat ze hadden kunnen of
moeten zien, falen omdat ze te laat of ten onrechte hebben inge-grepen, falen omdat ze niet hebben kunnen ophelderen wat er
werkelijk aan de hand was. De ervaringen van betrokkenen zijn
opgetekend in rondetafelgesprekken, waarvan de bevindingen
zijn verwerkt in een artikel dat is opgenomen in deel 3.
51
6.4 Conclusie
Het is de taak van de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg om
de ontwikkeling van een uit huis geplaatst kind weer in goede
banen te leiden. Een veilig leefklimaat is hierbij een eerste ver-eiste. Binnen de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg zijn er
diverse factoren die de kans op seksueel misbruik vergroten. Dit
hangt deels samen met de achtergrond en problematiek van het
kind en deels met de leefsituatie binnen een residentiële jeugd-zorginstelling of pleeggezin.
Een kind is voor zijn bescherming primair afhankelijk van de per-sonen die hem in het leven van alledag het meest nabij zijn. De
beschermingsconstructies in de residentiële zorg en de pleegzorg
verschillen in belangrijke mate van elkaar. In de residentiële zorg
51 Berg, D. van den & Goot, S. van der (2012).Soms kun je het alleen maar fout doen
(zie deel 3).
heeft een groep professionals de dagelijkse zorg over dezelfde
groep kinderen. In de pleegzorg zijn pleegouders verantwoordelijk
voor de dagelijkse zorg. De betrokken professionals, de pleegzorg-werker en (gezins)voogd, staan meer op afstand en hebben geen
direct zicht op de veiligheid van het kind. Beide functionarissen
werken voor verschillende organisaties en dat blijkt een goede
samenwerking te bemoeilijken. De beschermingsconstructies, die
op papier in orde lijken, blijken in de praktijk nogal eens tekort te
schieten:
• Gebrekkige dossiervorming maakt dat de voorgeschiedenis van
kinderen vaak onbekend is. Dit staat een adequate behandeling
in de weg en heeft tot gevolg dat pleegouders onvoldoende
weten welk kind ze in huis nemen.
• In de opleiding en werkbegeleiding van professionals en in de
voorbereiding van pleegouders is onvoldoende aandacht voor
kennis van en communicatie over normale seksuele ontwikke-ling, afwijkende seksuele ontwikkeling en seksueel misbruik
van kinderen.
• Op de werkvloer is sprake van een grote handelingsverlegen-heid in het bespreken van seksualiteit, zowel in het team als
met de kinderen. De hoge frequentie van wisselingen in veel
teams en het grote aantal jonge en onervaren werkers vormen
een extra belemmering. Dit maakt het voor een kind moeilijk
een vertrouwensband met een werker te krijgen. Vertrouwen
is essentieel wil een kind praten over seksualiteit en seksueel
misbruik. In de pleegzorg zijn de contacten met de gezinsvoogd
dermate beperkt dat het ontstaan van een vertrouwensband
tussen gezinsvoogd en pleegkind vrijwel onmogelijk is.
• Screening is veelal eenmalig en een VOG heeft een beperkte
waarde.
• Tijdens de sollicitatieprocedure is onvoldoende aandacht voor
de eigen seksualiteit en een eventueel traumatische voorge-schiedenis van een sollicitant. Ook in de voorbereidende
training voor aspirant-pleegouders krijgt seksualiteit vaak
onvoldoende aandacht.
• Professionals hebben van het merendeel van het seksueel mis-bruik geen weet en signalen worden vaak over het hoofd
gezien. De meerduidigheid van signalen en de veelal indirecte
indicaties waar men op af moet gaan brengen een grote onze-94
6. Huidige bescherming van het kind
95
6. Huidige bescherming van het kind
kerheid met zich mee. Daardoor ontstaan drempels om tot
melden over te gaan.
• Bij een vermoeden van misbruik in een pleeggezin doet zich
een bijzonder moeilijk dilemma voor: het kind ten onrechte uit
het pleeggezin weghalen, of het kind onbeschermd in het
pleeggezin laten zitten, met het risico dat het misbruik onver-minderd doorgaat.
• Voor seksuele grensoverschrijdingen tussen kinderen onderling
is doorgaans geen aparte procedure vastgelegd. Het is ondui-delijk of kinderen nazorg en adequate hulpverlening ontvan-gen. Om een nieuwe plek veilig te stellen wordt het
grensoverschrijdende gedrag van de jeugdige pleger nogal
eens verzwegen.
• Niet iedereen weet waar hij met een signaal van seksueel mis-bruik naartoe moet, waardoor signalen vaak niet in het offici-ele circuit terechtkomen.
• Er zijn doorgaans veel instanties en functionarissen betrokken
bij een vermoeden van misbruik, wat veelal maakt dat
niemand zich probleemeigenaar genoeg voelt om regie te
nemen in de afhandeling.
• De rol van het AMK is beperkt en onduidelijk wanneer het kind
al in contact is met jeugdzorg, de IJZ houdt systeemtoezicht en
het ministerie van VWS staat op afstand en laat (te) veel over
aan het veld.
• Als er al aangifte wordt gedaan en tot vervolging wordt overge-gaan, is seksueel misbruik juridisch zeer moeilijk te bewijzen.
Mede hierdoor blijven alle betrokken partijen vaak in onzeker-heid en verwarring achter.
7. Conclusies
7.1 Inleiding
De commissie had de taak onderzoek te doen naar:
a. signalen van seksueel misbruik van minderjarigen die onder
verantwoordelijkheid van de overheid zijn geplaatst in
(rijks)instellingen en pleeggezinnen
b. bekendheid bij de overheid van signalen als bedoeld onder a
c. de reactie van de overheid op signalen als bedoeld onder a
d. huidige mechanismen voor signalering van seksueel misbruik
van minderjarigen als bedoeld onder a.
Daarbij is bepaald dat dit onderzoek betrekking zou hebben op de
periode van 1945 tot en met 2010.
Deze vier taken zijn op te vatten als evenzovele vragen. In de
diverse door de commissie uitgezette onderzoeken is getracht om
op die vragen een antwoord te geven. De bevindingen van deze
onderzoeken zijn weergegeven en becommentarieerd in de voor-gaande hoofdstukken. Hieronder formuleert de commissie bij
wijze van conclusies de antwoorden op de vier bovengenoemde
vragen.
Het onderzoek van de commissie had onder meer betrekking op
signalen van seksueel misbruik in de periode van 1945 tot en met
2010 en op de reactie van de overheid daarop. Huidige opvattin-gen over seksueel misbruik, en dus ook reacties daarop, verschillen
van die van enkele decennia geleden. Met deze verschillen in
opvatting dient rekening te worden gehouden in het onderzoek
naar seksueel misbruik dat zich uitstrekt over een langere periode.
Dat geldt zowel voor de aard van die signalen, als voor de beoorde-ling van de reacties daarop.
96
97
7. Conclusies
7.2 Aard en omvang van seksueel kindermisbruik
Beantwoording van vragen naar bekendheid van de overheid met
signalen van seksueel misbruik en haar reacties daarop vergt
inzicht in aard en omvang van het seksueel misbruik van kinderen
die onder verantwoordelijkheid van de overheid zijn geplaatst in
(rijks)instellingen en pleeggezinnen. Vandaar dat de commissie
geprobeerd heeft inzicht te krijgen in aard en omvang van seksu-eel misbruik in de hier bedoelde periode.
Onderzoek naar de omvang van seksueel misbruik resulteert
doorgaans in onderrapportage. Dat geldt ook voor het door de
commissie uitgevoerde onderzoek. Allerlei emoties, maar ook
beperkingen, zoals bij jonge kinderen, kunnen slachtoffers weer-houden zich te uiten. Legt dit al beperkingen op aan de mogelijk-heden om de huidige omvang van seksueel misbruik te bepalen,
dat geldt in nog sterkere mate voor het verleden. Omdat seksueel
misbruik lange tijd niet de aandacht heeft gehad die het nu heeft
en omdat de vroegere kijk erop verschilt van die van nu is er
weinig van vastgelegd. Vaststaat evenwel dat het vroeger voor-kwam dat door de overheid uit huis geplaatste kinderen in het
tehuis of het pleeggezin seksueel misbruikt werden, maar over de
mate waarin dat het geval was valt geen kwantitatieve uitspraak
te doen.
Wat de actualiteit betreft is uit het onderzoek naar de omvang
van seksueel misbruik gebleken dat kinderen die in een residenti-ele jeugdzorginstelling geplaatst zijn aanzienlijk vaker het slacht-offer zijn van seksueel misbruik dan thuiswonende kinderen. Ze
rapporteerden in dit onderzoek in vergelijking met thuiswonende
kinderen bijna twee keer zo vaak dat ze in het jaar voorafgaand
aan het onderzoek (2010) seksueel misbruikt zijn. Uit huis
geplaatste jongeren met een (licht) verstandelijke beperking
lopen een driemaal zo groot risico als uit huis geplaatste jongeren
zonder (licht) verstandelijke beperking. Kinderen in residentiële
jeugdzorginstellingen lopen een hoger risico dan kinderen in
pleeggezinnen. Meisjes zijn meer dan twee keer zo vaak slachtof-fer als jongens.
Voor zover de kinderen daar zelf informatie over wilden geven
– ongeveer de helft heeft dat niet gedaan – bleek dat de pleger
in iets meer dan de helft van de gevallen een leeftijdgenoot was,
vaak een groepsgenoot in een instelling of een pleegbroer. De
plegers zijn voor het merendeel man. Opvallend is dat kinderen
aangeven dat in een substantieel deel van de gevallen een vrou-welijke pleger (mede)betrokken was. Meestal gaat het om daders
die opportunistisch gebruikmaken van de mogelijkheid tot seks
die een situatie biedt. Er is geen sprake van een uitgesproken sek-sueel motief. Volwassen daders vertonen niet een zodanig profiel
dat daarop additioneel te screenen is.
Gebleken is voorts dat professionals slechts voor een fractie weet
hebben van wat er werkelijk aan seksueel misbruik plaatsvindt.
7.3 Bekendheid bij de overheid van signalen van
seksueel kindermisbruik
Bekendheid van de overheid met signalen van seksueel misbruik
is, zoals in deze en de volgende paragraaf zal blijken, niet helemaal
te scheiden van reacties van de overheid op die signalen, want die
bekendheid is voor een deel juist af te leiden uit de reacties.
De overheid is altijd al bekend geweest met wat wij nu seksueel
misbruik van kinderen noemen. Het wordt immers al sinds jaar en
dag aangemerkt als een misdrijf in het Wetboek van Strafrecht.
Het Wetboek van Strafrecht bevat een artikel dat specifiek seksu-eel misbruik door een (pleeg)ouder of iemand anders aan wiens
zorg het kind is toevertrouwd en misbruik van een kind dat is
opgenomen in een rijksinrichting voor kinderbescherming of een
instelling van weldadigheid, strafbaar stelt.
Dat de overheid ook bekend was met signalen van seksueel mis-bruik van kinderen die door de overheid uit huis zijn geplaatst en
voor wie de overheid dus een bijzondere verantwoordelijkheid
heeft, is hiermee echter nog niet gezegd.
Vatten we ‘bekend zijn met signalen van seksueel misbruik’ op
als op de hoogte zijn van voorvallen van seksueel misbruik, dan
98
7. Conclusies
99
7. Conclusies
zijn er daartoe twee mogelijkheden: die van politie en OM in het
strafrechtelijk kader, en die van het toezicht op de residentiële
jeugdzorg en de pleegzorg, de huidige IJZ en zijn voorgangers.
Omdat het hier gaat om de kwaliteit van de residentiële jeugd-zorg en de pleegzorg, is het toezicht daarop de belangrijkste van
deze twee.
Doordat voorvallen van seksueel misbruik van uit huis geplaatste
kinderen in het verleden in slechts zeer beperkte mate ter kennis
van de politie en vervolgens het OM werden gebracht, was de
overheid langs deze weg dan ook minder bekend met deze vorm
van misbruik. Er was een sterke neiging zulke voorvallen, bijvoor-beeld ter bescherming van de eigen goede naam, binnen de sector
of instelling zelf af te handelen. Daarbij speelde ook een rol dat
een seksueel misbruikt kind vaak niet geloofd werd als het zijn
verhaal deed, of ervan werd beticht er zelf aanleiding toe te
hebben gegeven, en soms werd gestraft voor zijn ‘leugenachtig-heid’. Deze reacties zijn als zeer traumatiserend te typeren, zoals
blijkt uit wat inmiddels volwassen slachtoffers zelf over hun erva-ringen van toen aan de commissie hebben verteld.
In het historisch bronmateriaal zijn weinig aanwijzingen te
vinden voor bekendheid bij de inspectie met signalen van seksu-eel misbruik. Het schaarse materiaal dat er is laat wel zien dat
men weet had van het risico hierop. In het kader van de toenma-lige zorg voor de goede zeden was het toezicht meer gericht op
het risico van zedenbederf dat kinderen elkaar konden aandoen
dan op seksueel misbruik van kinderen door groepsleiders of
pleegvaders.
Dit veranderde vanaf de jaren tachtig. Meer dan voorheen werd
het belang van strafrechtelijke vervolging benadrukt ter bevesti-ging van de norm, en vanwege de mogelijkheid die het bood het
slachtoffer erkenning te geven. Politie en OM legden zich toe op de
ontwikkeling van expertise en procedures. Dit geldt voor seksueel
misbruik van kinderen in het algemeen.
Instellingen voor residentiële jeugdzorg zijn de laatste jaren ver-plicht voorvallen van seksueel grensoverschrijdend gedrag intern
te registreren en ernstige voorvallen – calamiteiten – te melden bij
de IJZ. Dit zijn voorbeelden van aanwijzingen dat de overheid
vanaf de jaren tachtig bekend was met (signalen van) seksueel
misbruik van door de overheid uit huis geplaatste kinderen. Dat
geldt ook voor de periode daarvoor, maar een veranderde visie op
seksueel misbruik en daarmee samenhangende ontwikkelingen
in de sector van de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg zelf, die
zochten naar een geëigende aanpak ervan, maakten dat de over-heid een meer gericht beleid ontwikkelde.
7.4 De reactie van de overheid op signalen van
seksueel kindermisbruik
Bij reacties van de overheid op signalen van seksueel misbruik van
kinderen in een pleeggezin of residentiële jeugdzorgsetting is een
onderscheid te maken tussen reacties op individuele gevallen en
het beleid dat de overheid ontwikkelt. Beide hangen uiteraard
samen. Toen in de jaren zeventig tegen de achtergrond van een
veranderende seksuele moraal er meer begrip was voor erotische
betrekkingen tussen een groepsleider en een pupil, was de
neiging om daarvan aangifte te doen bij de politie of melding te
doen bij de inspectie wellicht minder groot dan in latere jaren,
toen seksueel contact tussen hulpverlener en cliënt streng veroor-deeld werd.
Eind jaren tachtig drong in de samenleving het besef door dat
seksueel misbruik een relatief wijdverspreid fenomeen was. Deze
onderkenning van het bestaan ervan maakte, samen met het
groeiend inzicht in de impact die seksueel misbruik kan hebben
op het welzijn en de ontwikkeling van een kind, dat het verhaal
van een seksueel misbruikt kind serieus genomen ging worden.
In de strafrechtelijke aanpak ging meer aandacht uit naar de bij-zondere positie van het slachtoffer.
Er zijn in de loop der jaren weinig zaken ter kennis gekomen van
politie en OM. Waar dit wel gebeurd is, is de reactie van politie en
OM begrijpelijk. Aandachtspunt is de capaciteit van gespeciali-seerde voorzieningen van de politie. Deze is niet altijd toereikend
gebleken.
100
7. Conclusies
101
7. Conclusies
Op instigatie van de overheid heeft de toenmalige Inspectie
Jeugdhulpverlening begin jaren negentig geïnventariseerd in
hoeverre de instellingen voor jeugdhulpverlening beleid hadden
met betrekking tot seksueel misbruik door hulpverleners. Tegen-woordig is het thema veiligheid een van de centrale thema’s in
het door de IJZ uitgeoefende toezicht.
In een beleidsnota (1990) van het ministerie van Justitie en van
WVC over de bestrijding van kindermishandeling is de wens geuit
meer inzicht te krijgen in aard en omvang van kindermishande-ling binnen residentiële instellingen voor jeugdhulpverlening. Dit
kwam niet van de grond. Het ministerie van VWS heeft de ontwik-keling van beleid te veel overgelaten aan de sector. In 2010 kreeg
de commissie-Samson tot taak onderzoek te doen naar seksueel
misbruik van door de overheid uit huis geplaatste kinderen.
7.5 Huidige mechanismen voor signalering van
seksueel misbruik van uit huis geplaatste
minderjarigen
Onderkenning van en omgaan met signalen van seksueel mis-bruik staan of vallen met de professionaliteit van werkers in de
residentiële jeugdzorg en de pleegzorg, primair van degenen op
wie een kind voor zijn veiligheid in eerste instantie is aangewezen.
De commissie heeft in haar onderzoek en in de vele gesprekken
die ze met werkers in de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg
heeft gevoerd, aan het thema professionaliteit veel aandacht
besteed en geconstateerd dat deze onvoldoende is.
Bij het onderkennen van en reageren op signalen van seksueel
misbruik zijn als regel veel personen en instanties betrokken. De
commissie heeft vastgesteld dat onzekerheden die min of meer
inherent zijn aan (signalen van) seksueel misbruik weerspiegeld
worden in de wijze waarop tussen professionals en instanties
onderling informatie wordt overgedragen en beleid wordt
gemaakt. In het onderstaande licht de commissie haar bevindin-gen rond deze twee thema’s – professionaliteit, en informatieover-dracht en regie – nader toe.
Professionaliteit
Seksueel misbruik van een kind is als regel omgeven met tal van
onzekerheden. Het voltrekt zich vrijwel altijd buiten het zicht van
derden. Verklaringen van betrokkenen zijn vaak strijdig met
elkaar. Signalen zijn vaak op verscheidene manieren te duiden.
Interventies met het oog op veiligheid hebben mede door deze
ongewisheden bijna altijd hun voors en tegens. De ernst van een
(mogelijk) voorval van seksueel misbruik, onzekerheden over wat
er aan de hand is, onduidelijkheid over het te verwachten resul-taat van ingrijpende maatregelen en het verschil in rol, functie
en positie van betrokken professionals, vormen samen een bron
van spanning zowel tussen betrokken professionals als voor ieder
van henzelf. En daar komt bij dat het gaat om seksualiteit, een
domein dat, ondanks alle openlijk geuite aandacht voor seks in
de samenleving, nog altijd een zeker taboekarakter heeft. Dit
alles stelt hoge eisen aan de professionaliteit van hulpverleners
in de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg. Er is de laatste jaren
veel geïnvesteerd in de ontwikkeling daarvan. De commissie
heeft evenwel vastgesteld dat er in de praktijk sprake is van een
gebrek aan kennis en kunde op dit terrein, en dientengevolge van
een grote handelingsverlegenheid. In de initiële opleidingen die
relevant zijn voor de jeugdzorg schort het aan aandacht voor sek-sueel misbruik en voor seksualiteit en seksuele ontwikkeling in
het algemeen, zoals ook het geval is met kindermishandeling in
het algemeen. Dit wordt al jaren geconstateerd, maar er wordt
structureel te weinig ondernomen om hier verandering in te
brengen.
In de instellingen hebben de onderwerpen seksualiteit, seksu-eel gedrag, seksuele ontwikkeling en seksueel misbruik een te
bescheiden plaats op de werkagenda. In bijscholing, intervisie en
supervisie zijn het onderwerpen die vaak snel sneuvelen bij
andere prioriteiten. Dit klemt nog eens te meer gezien de jonge
leeftijd en de beperkte levenservaring van veel jeugdzorgwerkers.
De complexiteit van seksueel misbruik en het ongemak dat veel
professionals voelen met betrekking tot seksualiteit staan een
cultuur waarin open over (normen voor) seksueel gedrag en sek-sueel misbruik gesproken kan worden in de weg. Het staat niet
alleen het gesprek daarover tussen professionals onderling in de
weg, maar ook dat tussen professionals en jongeren, evenals
102
7. Conclusies
103
7. Conclusies
tussen professionals en pleegouders. Een open cultuur is een
voorwaarde om met de onzekerheden die inherent zijn aan sek-sueel misbruik professioneel te kunnen omgaan. Dit geldt voor
groepsleiders en iedere andere professional die direct of indirect
verantwoordelijkheid heeft voor het reilen en zeilen in een leef-groep, voor pleegzorgwerkers en voor (gezins)voogden. Zo’n open
cultuur is ook noodzakelijk wil seksuele opvoeding in de leefgroep
en in het pleeggezin een aspect van morele opvoeding kunnen
zijn.
Delen van informatie en regie nemen
Wie als groepsleider of pleegouder de zorg voor een kind op zich
neemt, moet zo goed mogelijk op de hoogte zijn van de voorge-schiedenis van het kind. Dit is nodig om diens gedrag te kunnen
begrijpen in het licht van eerdere, mogelijk traumatiserende erva-ringen, en om te kunnen inschatten wat voor invloed het kind op
anderen zoals pleegbroers en -zussen en groepsgenoten zou
kunnen hebben. Gebleken is dat pleegouders en groepsleiders
soms onvoldoende informatie krijgen over belangrijke ervaringen
van een kind, zoals seksueel misbruik, terwijl die informatie wel
bekend is. Dit geldt voor kinderen die eerder het slachtoffer waren
van seksueel misbruik, maar het betreft ook jongeren die zich
schuldig gemaakt hebben aan seksueel misbruik van een groeps-genoot en daarom naar een andere instelling of leefgroep worden
overgeplaatst.
Pleegzorgwerker en (gezins)voogd hebben ieder een eigen verant-woordelijkheid met betrekking tot veiligheid en welzijn van een
pleegkind. De adequate uitwisseling van informatie en onderlinge
afstemming van de eigen verantwoordelijkheden worden bemoei-lijkt doordat beiden werkzaam zijn bij een andere organisatie.
Bij signalering van seksueel misbruik is het voor een professional,
de organisatie, pleegouders en ook alle andere betrokkenen zaak
te weten bij wie en/of welke instantie men met zijn informatie of
met het oog op de verkrijging van informatie terechtkan. Voor
bovengenoemde personen is dit nogal eens onduidelijk, en daar-naast is vaak onduidelijk met welke informatie men zich al dan
niet tot de IJZ moet wenden.
Bij signalering van seksueel misbruik en zorg voor veiligheid van
een kind zijn als regel tal van professionals en instanties betrok-ken. Enerzijds blijft er desondanks, maar soms ook juist daardoor,
veel in het ongewisse over wat er aan de hand is. Anderzijds moet
er een plan van aanpak zijn en moeten er besluiten genomen
worden. Besluiten nemen en uitvoeren alsmede toezicht houden
op die uitvoering vragen regie en bevoegdheden. De commissie
heeft geconstateerd dat het aan die regie en bevoegdheden vaak
ontbreekt, waardoor professionals elkaar voor de voeten lopen,
beslissingen worden uitgesteld en dossiers en het aantal betrok-ken organisaties in omvang blijven toenemen. Dat gaat ten koste
van de veiligheid van een kind en verhoogt de onzekerheid van
betrokkenen in diens directe omgeving.
Informatie delen, communiceren, samenwerken en regie voeren
zijn een aanhoudend voorwerp van zorg in de residentiële jeugd-zorg en de pleegzorg. Problemen op die gebieden doen zich, zo is
de commissie gebleken, pregnant voor bij het signaleren van sek-sueel misbruik en bij alles wat daar vervolgens bij komt kijken.
Dat hangt samen met het verschijnsel seksueel misbruik zelf. Dat
wil zeggen, met de complexiteit, de ernst en de impact ervan, met
de onzekerheden en spanningen die het oproept, met de splij-tende werking die er veelal voor alle betrokkenen – professionals
en niet-professionals – van uitgaat en met de schroom die het
onderwerp seksualiteit bij veel professionals oproept. Informatie
wordt niet doorgegeven of komt niet door. Men is er onvoldoende
op uit om op de hoogte te zijn, want geïnformeerd zijn schept
ook verplichtingen. Verantwoordelijkheid nemen en regie voeren
worden geschuwd, gegeven alle tegenstellingen tussen betrokke-nen, onzekerheden en dus risico’s op foute beslissingen. Het is
goed om te zorgen voor verbetering van de organisatie van de
residentiële jeugdzorg en de pleegzorg als systeem, maar het is
belangrijker te investeren in de professionaliteit van wie er werkt,
in het bijzonder als het gaat om signaleren van seksueel misbruik
en ingrijpen.
104
7. Conclusies
105
7. Conclusies
7.6 Samenvattende conclusies
• De overheid is gedurende de gehele onderzochte periode be-kend geweest met het voorkomen van seksueel misbruik van
door haar uit huis geplaatste kinderen. Van de gevolgen van
dit misbruik voor het kind had ze, net als de rest van de samen-leving, jarenlang vrijwel geen weet, net zomin als van de mate
waarin het voorkwam. Er kwamen weinig zaken in de straf-rechtketen terecht. Waar dat wel is gebeurd, is begrijpelijk
gereageerd. Pas sinds het begin van de jaren negentig heeft de
IJZ gericht eisen gesteld met betrekking tot informatie ver-strekken over seksueel misbruik. Met de in 1990 door haarzelf
geuite wens inzicht te krijgen in aard en omvang van seksueel
misbruik in instellingen voor jeugdhulpverlening is door de
overheid twintig jaar lang niets gedaan. Het ministerie van
VWS heeft de ontwikkeling van beleid te veel overgelaten aan
de sector.
• Er is altijd sprake geweest van seksueel misbruik in de residen-tiële jeugdzorg en de pleegzorg. In de residentiële jeugdzorg is
het risico beduidend hoger dan bij de gemiddelde Nederlandse
jeugd. Meisjes, en kinderen met een (licht) verstandelijke be-perking zijn vaker slachtoffer.
• Meer dan de helft van de daders is een leeftijdgenoot, veelal
een groepsgenoot. De volwassen daders hebben veelal geen
opvallende kenmerken. Verreweg de meeste daders hebben
niet bij aanvang van het werk met kinderen, als groepsleider
of pleegouder, de intentie gehad om kinderen seksueel te mis-bruiken. Het is niet waarschijnlijk dat additionele screening
seksueel misbruik kan voorkomen.
• De sector is onvoldoende in staat om seksuele problematiek te
onderkennen, bespreekbaar te maken en adequaat in te grijpen.
• Algemene problemen rond samenwerking, communicatie en
regie in de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg zijn extra
manifest rond signalering van seksueel misbruik. Dat hangt
samen met de complexiteit van dit verschijnsel en de impact
die het heeft op alle betrokkenen, primair het kind. Werken aan
deze algemene problemen moet daarom hand in hand gaan
met investering in de professionaliteit die deze complexiteit
vergt.
8. Aanbevelingen
8.1 Aanbevelingen
In dit hoofdstuk worden de onderzoeksbevindingen en conclusies
vertaald in aanbevelingen.
Daarbij stelt de commissie de belangen van het kind centraal.
Er worden preventieve maatregelen voorgesteld waarvan aange-nomen kan worden dat die positief zullen werken voor alle jeug-digen in instellingen en pleeggezinnen. Daarnaast maatregelen
waarvan aangenomen kan worden dat ze specifiek werken voor
jongeren die kwetsbaar zijn voor seksueel misbruik en/of voor jon-geren die in instellingen of pleeggezinnen zijn misbruikt. De com-missiewerkt met het eerder besproken concentrisch model (zie 6.2).
Uitgangspunt van dit model is dat maatregelen die direct het
kind en/of zijn directe leefomgeving betreffen effectiever zijn dan
maatregelen die op grotere afstand van het kind staan.
De commissie heeft geconstateerd dat de kwaliteit per instel-ling kan verschillen. In sommige instellingen wordt op dit mo-ment al hard gewerkt aan kwaliteitsverbetering en professionali-sering op het gebied van seksualiteit en seksueel misbruik.
Daarom zal een aanbeveling op de ene instelling meer van toepas-sing zijn dan op de andere, en meer of minder inspanning vragen
om te realiseren.
De aanbevelingen zijn geordend naar acht thema’s, te beginnen
met (A) professionalisering. Op alle niveaus is een serieuze profes-sionalisering van de sector nodig op het terrein van seksualiteit,
(ongezonde) seksuele ontwikkeling en seksueel misbruik van kin-deren en jongeren. De aanbevelingen van het tweede thema (B)
richten zich op de twee ringen direct om het kind. Vervolgens
maakt de commissie onderscheid in aanbevelingen gericht op
(C) de residentiële jeugdzorg en aanbevelingen die zich toespitsen
106
107
8. Aanbevelingen
op (D) de pleegzorg. Daarna volgen (E) het systeem van de jeugd-zorg en (F) de politiek. Voorts wil de commissie een aantal alge-mene noties meegeven aan veld, politiek en maatschappij en
beveelt zij nader wetenschappelijk onderzoek aan (G). Ten slotte
gaat de commissie in op de implementatie (H).
A. Professionalisering
De commissie heeft geconstateerd dat op seksualiteit nog steeds
een taboe rust, waardoor men in veel gevallen de ogen sluit voor
seksueel misbruik. Er is sprake van grote handelingsverlegenheid
op de werkvloer en het onderwerp komt slechts zeer marginaal
aan bod in de basiscurricula van opleidingen. Primair dient elke
functionaris binnen de jeugdzorg ervan doordrongen te zijn dat
seksueel misbruik voorkomt, dat het om een ernstig probleem
gaat, en dat eenieder zijn eigen verantwoordelijkheid heeft om
dit tegen te gaan. Professioneel en open over dit onderwerp
kunnen praten – zeker ook met jongeren –, is hierbij essentieel.
Verdere professionalisering van de sector dient zich hierop te con-centreren.
Een open cultuur is een voorwaarde voor doorbreking van het
taboe en werken met onzekerheden, in het bijzonder waar het ver-moedens van seksueel misbruik betreft. Stabiele teams met een
goede verdeling van werk- en levenservaring spelen hierbij een
belangrijke rol. Bestuurders en managers dienen ervoor te waken
dat de onzekerheden die inherent zijn aan het werk in deze sector
leiden tot een cultuur van op safe spelen, of tot verlamming,
besluiteloosheid en een gebrek aan regie in het werk.
De sector dient te investeren in maatregelen tegen het hoge
verloop van werknemers door de werkdruk te verlagen en door
goede ondersteuning, begeleiding en doorgroeimogelijkheden te
bieden. Arbeidsvoorwaarden dienen van een vergelijkbaar niveau
te zijn als die van aanpalende sectoren. De hoge frequentie van
personeelswisselingen in teams maakt dat er geen veilige basis is
voor intervisie en supervisie over deze ingewikkelde onderwerpen.
Bovendien is een goede opvoedsituatie een stabiele situatie. Deze
stabiliteit is iets wat deze jongeren vaak ontberen, maar juist hard
nodig hebben.
A.1 Opleidingen en permanente educatie
Zorg dat in alle basisopleidingen wo, hbo en mbo – en dus niet
alleen in keuzevakken – aandacht wordt besteed aan de ‘gewone’
seksuele ontwikkeling van kinderen en jongeren, afwijkende sek-suele ontwikkelingen in geval van stoornissen en aan de proble-matiek van seksueel misbruik. Daarnaast dient er aandacht te zijn
voor – en getraind te worden in manieren om dit onderwerp
bespreekbaar te maken met jongeren – de wijze waarop seksua-liteit een rol speelt in machtsverhoudingen en welke factoren
maken dat professionals tot mishandeling en misbruik kunnen
overgaan. In de pleegzorg dient dit standaard onderdeel te zijn
van de voorbereidende training op het pleegouderschap. Boven-dien dient het thema een vaste plaats te hebben in de begeleiding
van pleegouders.
Ook jeugdzorginstellingen dienen structureel te investeren in
kennis over seksuele ontwikkeling van kinderen en jongeren,
afwijkende seksuele ontwikkelingen bij stoornissen en de proble-matiek van seksueel misbruik, via bijscholing, toegesneden op de
specifieke taken van de professional en de doelgroep (onder
anderen minderjarigen met een (licht) verstandelijke beperking
en minderjarigen met een verleden van seksueel misbruik)
waarmee wordt gewerkt. Leer professionals hoe het kan dat pro-fessionals over de schreef gaan. Instellingen moeten voorzien in
verplichte permanente educatie aan de hand van cursussen, inter-visie, supervisie, visitatie en versterking van het zelflerend vermo-gen door een grondige evaluatie van incidenten en calamiteiten
in een open en veilige sfeer. Methoden als deserious case review
52
en de PRISMA-methode
53
kunnen hier bijvoorbeeld voor worden
benut. Praktische trainingen zijn hiertoe het geëigende middel:
learning by doing, continu oefenen aan de hand van casuïstiek (zie
ook aanbeveling A.4). Het is de taak van het bestuur om daarbij
108
8. Aanbevelingen
52 Onderzoek naar de dood of zeer ernstige letsels van een kind en meer in het bijzon-der naar de bemoeienis van professionals en instanties met het betreffende kind en
diens ouders. Dit onderzoek kan bijzonder leerzaam zijn en de aldus cumulatief ver-gaarde kennis kan bijdragen aan verbetering van de hulpverlening.
53 PRISMA staat voor Prevention and Recovery Information System for Monitoring and
Analysis. Deze analysemethode is in eerste instantie ontwikkeld om het menselijk falen
in de chemische industrie te onderzoeken, maar wordt momenteel ook toegepast in de
gezondheidszorg. Uit de analyse zijn conclusies te trekken die moeten leiden tot verbe-termaatregelen. De methode richt zich duidelijk niet op individueel falen, maar ziet dit
als een gevolg van gebreken in de organisatie.
109
8. Aanbevelingen
zorg te dragen voor een open cultuur waarin de handelingsverle-genheid wordt teruggedrongen en het thema seksualiteit altijd
op elk moment bespreekbaar is. Collegiale aanspreekbaarheid is
onderdeel van deze cultuur.The tone at the topis cruciaal voor
verdere implementatie in de organisatie. Bestuurders en mana-gers dienen uit te stralen dat niet het wegwerken van onzekerheid
een teken is van professionaliteit, maar het vermogen te werken
met onzekerheid.
A.2 Seksualiteit en (seksueel) grensoverschrijdend gedrag
bespreekbaar maken binnen de leefgroep en in het
pleeggezin
Er dient structureel aandacht te zijn voor gezonde seksualiteit,
(seksueel) grensoverschrijdend gedrag en seksueel misbruik,
waaronder misbruik dat buiten het terrein van de instelling
plaatsvindt (zoals loverboyproblematiek). Daarbij kan bijvoor-beeld aansluiting worden gezocht bij het ‘vlaggensysteem’.
54
Maak deze thema’s bespreekbaar, zowel in het team als op de
leefgroep, eventueel met behulp van beeldmateriaal en rollen-spellen, rekening houdend met de doelgroep (kinderen met een
(licht) verstandelijke beperking, seksueel traumatisch verleden
van kinderen, culturele verschillen, geloof enzovoort). Dit geldt
evengoed voor kinderen in pleeggezinnen. Daar dient het onder-werp besproken te worden zowel met pleegouders als met het
pleegkind. Het bespreken van seksualiteit en seksueel grensover-schrijdend gedrag kan worden ingepast in (bestaande), meer
algemene gesprekken over gedrag, grenzen en respect.
A.3 Verplichte certificering
De overheid dient wettelijk te verplichten dat alle medewerkers in
de ( justitiële) jeugdzorg zich laten certificeren. Daartoe moeten zij
voldoen aan een door de sector zelf te formuleren norm, welke
wordt vertaald naar een puntensysteem. De commissie adviseert
een systeem dat verplicht tot een jaarlijks te behalen aantal
54 Methodiek die (professionele) opvoeders, docenten, jongerenwerkers en hulpverle-ners een kader biedt om seksueel gedrag van kinderen/jongeren te duiden, met elkaar
en de jongere te bespreken en vervolgens na te gaan hoe te handelen.
punten door middel van permanente educatie, waaronder trai-ning, intervisie, supervisie en collegiale toetsing. De IJZ krijgt de
bevoegdheid hierop toe te zien en waar nodig sanctionerend op
te treden. Deze certificering dient deel uit te maken van het kwa-liteitskader. Dit kwaliteitskader wordt nader toegelicht in aanbe-veling F.5.
A.4 Leerprocessen inrichten
55
De verdere professionalisering vereist voldoende aandacht op drie
niveaus: dat van het bestuur, het management en van de profes-sionals op de werkvloer. Een lerende organisatie impliceert dat de
bestuurder zelf meeleert, de noodzaak van blijven leren uitdraagt,
stimuleert en faciliteert.
Er bestaan verschillende succesvolle regionale en lokale initia-tieven. Deze kennis en best practices kunnen beter dan thans het
geval is met elkaar gedeeld worden. Bijzondere expertise en door-dachte en vernieuwende werkwijzen moeten zowel binnen de
eigen organisatie als sectorbreed uitgewisseld worden.
Te overwegen is om lokale leeromgevingen in te richten, met
als doel om door reflectie en discussie met elkaar wijzer te worden
van actuele of recente casuïstiek. Een dergelijke casusoefening
bestaat uit drie tot vier sessies, om het vraagstuk hanteerbaar te
maken en tot daadwerkelijke oplossingen voor knelpunten en
dilemma’s te komen.
Elke instelling moet een monitoringssysteem inrichten om de
voortgang en verbeteringen zichtbaar te maken.
B. Rond het kind
Hieronder volgt een vijftal aanbevelingen, gericht op het kind en
diens directe omgeving. De aanbevelingen zijn geordend van pre-ventie tot nazorg.
110
8. Aanbevelingen
55 Boonstra, J.J. (2010).Leiders in cultuurverandering. Koninklijke Van Gorcum: Assen;
Gerritsen, E. (2011).De slimme gemeente nader beschouwd: Hoe de lokale overheid kan
bijdragen aan het oplossen van ongetemde problemen. Amsterdam University Press:
Amsterdam.
111
8. Aanbevelingen
B.1 Weerbaarheid van minderjarigen vergroten
Seksualiteit, seksueel gedrag en seksuele normen blijken moeilijk
bespreekbare onderwerpen, terwijl ze in de ontwikkeling en het
latere leven van een kind een belangrijke plaats innemen. In het
licht van de grote schaal waarop al dan niet uit huis geplaatste
kinderen op een onwenselijke manier in aanraking komen met
seks bepleit de commissie aandacht voor het onderwerp seksuali-teit en seksuele weerbaarheid op basisscholen en scholen voor
voortgezet onderwijs.
Zo snel mogelijk na de uithuisplaatsing dient – naast het ken-nismakingsgesprek over onder andere de reden van de uithuis-plaatsing – een gesprek plaats te vinden van de mentor/
groepsleider (instelling) gezinsvoogd (pleeggezin) met het kind
over omgangsvormen, verwachtingen, programma’s enzovoort,
waarbij ook gezond en ongezond seksueel gedrag aan bod moe-ten komen. In dit gesprek worden normen aangegeven van wat
niet geaccepteerd hoeft te worden en bij wie het kind melding
kan doen wanneer een ander het (in seksueel opzicht) lastigvalt.
Deze thema’s kunnen geïntegreerd worden in een gesprek over
ongewenst gedrag in brede zin.
Laat het kind waar mogelijk meebeslissen over zaken die het
aangaan. Geef kinderen een stem. Het is erg belangrijk dat het
kind het gevoel heeft dat zijn mening ertoe doet.
B.2 Diagnostisch onderzoek bij uithuisplaatsing
Ieder kind dat uit huis wordt geplaatst dient onderzocht te wor-den op de mogelijk aanwezige effecten van een belaste voorge-schiedenis en de wenselijkheid van eventuele hulpverlening ter
verwerking daarvan. De overheid moet daartoe voorzien in een
landelijke dekking voor diagnostiek en hulpverlening door meer
centra zoals het Kinder- en Jeugdtraumacentrum in Haarlem.
Hierbij dient ook aandacht te zijn voor medische hulpverlening
aan het slachtoffer.
Groepsleiders en pleegouders dienen in voldoende mate
betrokken te worden bij het opstellen van een hulpverleningsplan
en, zo mogelijk, in samenspraak met het kind behandeldoelen op
te stellen.
Groepsleiders en pleegouders moeten bekend zijn met de voor-geschiedenis van een kind en diens eventuele ervaringen met sek-
sueel misbruik. Hoe slechter men op de hoogte is van de voorge-schiedenis en ervaringen van een kind, hoe moeilijker het is diens
gedrag te begrijpen en eventuele signalen van seksueel misbruik
te verstaan.
Veel jongeren hebben al verscheidene plaatsingen in de jeugd-hulpverlening achter de rug. Goed zicht op de voorgeschiedenis en
problematiek van het kind maakt het waarschijnlijker dat het kind
in een passende omgeving geplaatst wordt. Daarmee kan een toe-komst van vele overplaatsingen, die zeer belastend zijn, beter
worden voorkomen.
B.3 Signalering en melding
Het kind bepaalt wie het vertrouwt en aan wie het over seksueel
misbruik vertelt. Dat kan ook de buurvrouw of leraar op school
zijn. De omgeving, zoals huisartsen, fysiotherapeuten, tandartsen,
leraren, buren enzovoort, moet weten dat een signaal in het offici-ele circuit terecht moet komen en dat – al dan niet via het AMK –
de raad van bestuur van de instelling het juiste niveau is. In geval
van melding bij het AMK heeft het AMK de verplichting de
melding door te zetten naar de raad van bestuur van de (pleeg-zorg)instelling. Het AMK moet de melder daarna op de hoogte
stellen van de ondernomen acties.
Soms wil een kind zich wel uiten, maar niet dat een melding in
het formele circuit terechtkomt vanwege de mogelijke consequen-ties. De Kindertelefoon biedt deze mogelijkheid. Toch is een actie
meestal nodig ter bescherming van het kind zelf en van andere
kinderen. Het is zaak hierbij zo veel mogelijk in samenspraak met
het kind te werk te gaan en het vertrouwen van het kind niet te
schenden. Daarnaast wil de commissie op deze plaats nadrukke-lijk wijzen op de mogelijkheden die de moderne media bieden:
laagdrempelige en veilige wegen om te melden, om je verhaal
kwijt te kunnen en om ervaringen met lotgenoten uit te wisselen.
Hoe en welke rol deze media kunnen spelen moet nader worden
bekeken.
B.4 Zorg voor veiligheid en werken met onzekerheid
Bij vermoedens van seksueel misbruik in een pleeggezin staat
men vaak voor de moeilijke keus het kind daar om redenen van
veiligheid weg te halen, met het risico dat dit, tot schade van kind
112
8. Aanbevelingen
113
8. Aanbevelingen
en pleeggezin, ten onrechte gebeurt, of het kind daar te laten, met
het risico dat het seksueel misbruik ongehinderd doorgaat.
In het overleg met deskundigen op het gebied van pleegzorg
werd onmiddellijk ingrijpen afgewezen als een vorm van op safe
spelen met te grote risico’s voor alle betrokkenen. Om uit
genoemd dilemma te komen wordt gepleit voor een strategie
waarin eraan gewerkt wordt dat: a) alle betrokkenen de ernst van
de situatie onderkennen, inclusief de bestaande onzekerheid;
b) er – in de onderkenning dat die onzekerheid voorlopig niet op
te lossen is – met elkaar en met personen uit het sociale netwerk
van pleegouders en pleegkind afspraken gemaakt worden ter ver-hoging van de veiligheid en minimalisering van de risico’s; c) er
afspraken worden gemaakt over toezicht op de nakoming van die
afspraken; d) er afspraken worden gemaakt over eventuele sanc-ties op niet-nakoming van gemaakte afspraken.
56
B.5 Diagnostiek en hulpverlening na seksueel misbruik
Gebleken is dat na seksueel misbruik of seksuele grensoverschrij-dingen tussen groepsgenoten het nogal eens voorkomt dat een
kind of jongere wordt overgeplaatst naar een andere groep zon-der adequaat diagnostisch onderzoek en zonder dat adequate
hulpverlening plaatsvindt voor het (vermeende) slachtoffer en de
(vermeende) pleger. Er dient altijd passende hulpverlening voor
beiden beschikbaar te zijn. Dat impliceert dat er voldoende spe-cialisten op korte afstand zijn, zowel voor diagnostisch onderzoek
als voor daarop aansluitende hulpverlening.
B.6 Klachtenprocedure
Instellingen moeten voorzien in een heldere en toegankelijke
klachtenprocedure. De mentor (instelling) en de (gezins)voogd
(pleeggezin) moeten het kind bij binnenkomst informeren over
de klachtenprocedure, en ook de biologische en pleegouders moet
hierop gewezen worden. Het is zaak aan de klachtenprocedure
voldoende bekendheid te geven, bijvoorbeeld door middel van
posters en klachtenbussen in de instelling. De IJZ dient niet alleen
56 Principes en aard van deze werkwijze worden beschreven in: Turnell, A. & Essex, S.
(2010).Als er ‘niets aan de hand’ is: Een oplossingsgerichte methode bij ontkenning van
kindermishandeling.Bohn Stafleu van Loghum: Houten.
procedureel, maar ook inhoudelijk toezicht te houden op de kwali-teit en snelheid van de klachtafhandeling.
C. De residentiële jeugdzorginstelling
Waar bovengenoemde aanbevelingen zowel betrekking hebben
op de residentiële jeugdzorg als op de pleegzorg, richten onder-staande aanbevelingen zich specifiek op residentiële jeugdzorgin-stellingen. Het betreft drie preventieve maatregelen om seksueel
misbruik in instellingen te voorkomen.
C.1 Screening en aandacht voor seksueel misbruik in
sollicitatie- en functioneringsgesprekken
Organisaties in de residentiële jeugdzorg dienen in de sollicitatie-procedure altijd referenties op te vragen en na te trekken. Dit ver-plicht instellingen ook eerlijke referenties aan mogelijke nieuwe
werkgevers te verstrekken, ook als deze negatief zijn. Uiteraard
moet hierover met de sollicitant worden gesproken. Het kan niet
zo zijn dat er negatieve referenties worden verstrekt zonder dat de
sollicitant dat weet en zich daartegen kan verdedigen en bezwaar
kan maken. Van de sollicitant wordt verwacht dat hij in staat is
open te praten over erotische gevoelens op het werk en eventuele
ervaringen daarmee. Ook dient er tijdens sollicitatie- en functio-neringsgesprekken (mogelijk in de vorm van een jaarlijks terugke-rend assessment) standaard aandacht voor de problematiek van
seksueel misbruik te zijn. De omgang met jeugdigen brengt een
spanningsveld van afstand versus nabijheid met zich mee. Het
bespreekbaar maken van eigen seksuele gevoelens van groepslei-ding richting minderjarigen verdient aandacht in functionerings-gesprekken. De meeste daders komen niet als dader binnen. Uit
de gesprekken is naar voren gekomen dat relatief veel mensen die
werkzaam zijn in de residentiële jeugdzorg zelf een problemati-sche voorgeschiedenis hebben. De sollicitant moet er blijk van
geven te beseffen dat en hoe eigen jeugdervaringen een rol
kunnen spelen in zijn werk. Tijdens functioneringsgesprekken
moet een verandering in de persoonlijke omstandigheden deel
uitmaken van het gesprek, omdat hierin een risicoverhogende
factor kan liggen.
114
8. Aanbevelingen
115
8. Aanbevelingen
C.2 Samenstelling leefgroep
De samenstelling van de groepen luistert nauw. Instellingen
hebben een acceptatieplicht. De commissie onderschrijft dat
‘lastige gevallen doorschuiven’ niet acceptabel is, zeker niet
zonder dat het complete dossier meegaat. Factoren als leeftijd,
kwetsbaarheid en problematiek zijn belangrijke variabelen om bij
plaatsing in een groep rekening mee te houden. Er dient altijd een
grondige risicoanalyse plaats te vinden, mede op basis van de
bekende voorgeschiedenis, alvorens een jeugdige in een groep
wordt geplaatst. Hierbij moet expliciet bezien worden of plaatsing
in een gemengd samengestelde groep gewenst is, omdat een
gemengde groep risicoverhogend kan zijn, vooral voor meisjes.
C.3 Ratio begeleider-pupil
Uit huis geplaatste kinderen en jongeren hebben veelal te maken
met ernstige problematiek en een belastende voorgeschiedenis
waarvoor zij een intensieve behandeling nodig hebben. Bij die
behandeling hoort ook de begeleiding van het kind bij zijn seksu-ele ontwikkeling. De ratio begeleider–pupil dient dusdanig te zijn
dat voldoende aandacht aan deze behandeling kan worden
gegeven. Ook moet er voldoende controle en toezicht kunnen
worden uitgeoefend. De sector dient hiertoe nadere normen op te
stellen; de IJZ ziet toe op de naleving van deze normen.
D. Pleegzorg
Onderstaande aanbevelingen richten zich op het preventieproces
in de pleegzorg.
D.1 Screening aspirant-pleegouders
Pleegzorgorganisaties dienen altijd referenties op te vragen en af
te geven bij de aanmelding van aspirant-pleegouders. Daarnaast
is in aanbeveling A.2 al opgemerkt dat seksualiteit, (afwijkende)
seksuele ontwikkeling en seksueel misbruik onderdeel dienen te
zijn van de voorbereidende training, evenals een mogelijk proble-matische voorgeschiedenis van aspirant-pleegouders. Bovendien
dient er door de sector een landelijke norm ontwikkeld te worden
waaraan de voorbereidende training moet voldoen.
De commissie merkt hierbij op dat ook bij netwerkplaatsingen
de voorbereiding op pleegouderschap en de beoordeling van
geschiktheid enmatchingvoldoende aandacht dienen te krijgen.
D.2. Voorbereiding en ondersteuning pleegouders
Pleegouders moeten door de pleegzorgorganisatie voorbereid
worden op de komst van een kind met een traumatische voorge-schiedenis (zie ook aanbeveling B.2). Bij de intakeprocedure dient
vermeld te worden dat kinderen met een misbruikverleden mo-gelijk seksueel wervend gedrag kunnen vertonen. Te bespreken
onderwerpen zijn hoe pleegouders deze gedragingen van pleeg-kinderen moeten interpreteren en hoe ze ermee moeten omgaan.
Daarnaast dient besproken te worden dat pleegkinderen moge-lijk seksuele gevoelens bij pleegouders en hun kinderen oproe-pen. Het is erg belangrijk dat pleegouders zich hiervan bewust
zijn en hier adequaat op voorbereid worden. Inadequaat informe-ren van pleegouders belemmert bovendien hun mogelijkheid
zich een oordeel te vormen over de vraag of een pleegkind bij hen
en in hun gezin op zijn plaats zal zijn. De voorbereiding dient dus
uit meer te bestaan dan alleen waarschuwen voor genoemde
risico’s.
Ook dient de pleegzorgorganisatie te voorzien in ondersteuning,
bijvoorbeeld door een orthopedagoog, in geval van gedragspro-blemen (ook seksuele problematiek) van het kind. Mogelijk in de
vorm van een 24-uurs hulplijn, chat en waar nodig via face-to-face-contact.
De pleegzorgwerker dient bij of enige tijd na aanvang van de
plaatsing met pleegouders te bespreken wie in hun sociaal
netwerk belangrijk zijn als steun bij hun pleegouderschap. Het is
raadzaam vervolgens, samen met de pleegouders, een overleg te
arrangeren van pleegouders met deze personen en de pleegzorg-werker, waarin besproken wordt welke verwachtingen en moge-lijkheden tot steun er over en weer zijn.
D.3 Evaluatie pleegouders
Jaarlijkse evaluatie door de pleegzorgorganisatie (pleegzorgwer-ker) met nadrukkelijk oog voor de stabiliteit van de gezinssituatie
en expliciete aandacht voor wijzigingen zoals scheiding, werkloos-116
8. Aanbevelingen
117
8. Aanbevelingen
heid of ziekte, is gewenst. De commissie refereert hierbij ook aan
het recentelijk ( juni 2012) door de staatssecretaris van VenJ geuite
voornemen om een ‘apk’ voor pleegouders in te voeren. Tijdens
reguliere contacten tussen pleegzorgorganisatie en pleegouders
dient er eveneens aandacht te zijn voor de relatie van de pleeg-ouders.
D.4 Duidelijke rolverdeling tussen pleegzorgwerker en
(gezins)voogd en verhoging van de contactfrequentie
met het kind
De commissie heeft verscheidene malen vastgesteld dat er in het
veld grote onduidelijkheid is over de rolverdeling tussen pleeg-zorgwerker en (gezins)voogd. Er is geen eenduidige mening over
hoe deze rolverdeling er idealiter uit zou moeten zien. Mogelijk
kunnen beide rollen vertegenwoordigd worden in één functiona-ris. Daarbij moeten de bewindslieden van VWS en VenJ bezien of
er aanleiding is tot aanpassing van de wet. De commissie advi-seert de sector dringend om te komen tot een duidelijke rolverde-ling. De werkdruk van de functionaris die verantwoordelijk is voor
de veiligheid van het kind dient zodanig te zijn dat voldoende
face-to-face- en een-op-eencontact met het kind mogelijk is, afge-stemd op de zwaarte van de casus. Decaseloadzal hiervoor ver-laagd dienen te worden.
D.5 Ondersteuning en toezicht pleegzorg
De inzet van het sociale netwerk biedt kansen om pleegouders te
ondersteunen en eventueel ook om ongewenste ontwikkelingen
te signaleren. Daarnaast kan het sociale isolatie van pleeggezin-nen tegengaan. Naast de preventieve werking die van het sociale
netwerk uitgaat, oefent het netwerk ook een vorm van controle
uit op het pleeggezin. Er kijken immers meer ogen mee in het
gezin. Met de overgang van de residentiële jeugdzorg en de pleeg-zorg naar de gemeenten is het raadzaam om samenwerking
tussen pleegzorgorganisatie en het buurtmaatschappelijk werk
tot stand te brengen.
E. Het systeem van de residentiële jeugdzorg en
de pleegzorg
E.1 Casusoverleg
In elke regio moet multidisciplinair casusoverleg zijn, met daarin
alle professionals die betrokken zijn bij het kind, waar een casus
van (vermoedelijk) seksueel misbruik ingebracht kan worden.
Hierdoor wordt alle aanwezige informatie en expertise gebun-deld. Alle betrokken organisaties dienen in goed overleg informa-tie met elkaar te delen en acties af te stemmen. In het bijzonder
is dit ook van belang om het opsporingstraject en hulpverlenings-traject gelijk op te laten gaan zonder dat ze elkaar tegenwerken.
Het is belangrijk dat voor iedereen duidelijk is wie de regie heeft.
Ook op bestuurlijk niveau, zowel bij het rijk als bij de gemeen-ten, moet voorzien worden in een periodiek overleg. Bestuurders
blijven daardoor goed op de hoogte van het handelen van hun
organisaties en kunnen met ketenpartners gezamenlijk belem-meringen die zich op operationeel niveau voordoen, oplossen.
E.2 Versterking rol Inspectie Jeugdzorg
De IJZ dient voldoende instrumenten in handen te hebben om de
sector te innoveren, te controleren en waar nodig te sanctioneren.
De IJZ moet af van alleen maar papieren toezicht, en moet van
reactief naar meer proactief het veld in. De inspectie zou in ern-stige gevallen meer gebruik moeten maken van bestaande inter-ventiemogelijkheden (schorsen van professionals, bestuurders en
toezichthouders). Als ultieme remedie zou de inspectie het minis-terie moeten adviseren instellingen definitief te sluiten. Tot slot
pleit de commissie ervoor dat er een klachtenafdeling voor bur-gers ingericht wordt bij de IJZ. In ernstige gevallen kan de inspec-tie zelf onderzoek doen en indien nodig maatregelen nemen. De
commissie gaat ervan uit dat aan de melders wordt teruggekop-peld wat er met een signaal is gedaan. De verhouding van deze
klachtenafdeling tot de klachtenprocedures van de instellingen
dient nader te worden bezien.
Ook na de stelselwijziging moet de handhavingstaak bij de IJZ
liggen. Op dit moment is hier niet in voorzien. De commissie vindt
het zorgwekkend dat deze taak vooralsnog bij de gemeenten
dreigt te worden belegd, waardoor het toezicht versnippert.
118
8. Aanbevelingen
119
8. Aanbevelingen
E.3 Raden van toezicht
De afgelopen jaren hebben raden van toezicht in de non-profitsec-tor een steeds zwaardere taak gekregen in het toezicht op de
publieke taken. De raden oriënteren zich thans breed op deze ont-wikkeling. De commissie beveelt ook voor de residentiële jeugd-zorg een intensivering van het inhoudelijke toezicht aan, waarvan
de thematiek van seksueel kindermisbruik expliciet deel uitmaakt.
E.4 Vergroting capaciteit gespecialiseerde zedenpolitie
Het ministerie van VenJ moet ervoor zorgen dat de capaciteit van
kindverhoorstudio’s en gespecialiseerde rechercheurs in elke poli-tieregio voldoende is, zodat er minder barrières zijn om aangifte
te doen en de doorlooptijden van onderzoeken verkort kunnen
worden.
E.5 Kinderrechter
De commissie heeft van ouders, pleegouders en kinderrechters
signalen gekregen dat in het systeem te weinig checks-and-balan-ces zitten en de onafhankelijke toets door de rechter dreigt te ver-worden tot een louter formele handeling. De kinderrechter zou
meer tijd moeten krijgen voor een (gezins)voogdijzaak, opdat hij
ruimer dan marginaal kan toetsen.
E.6 Mediation
Een uithuisplaatsing is een emotioneel beladen maatregel. De
emoties maken dat de communicatie tussen ouders, pleegouders
en hulpverleners ernstig kan worden verstoord. Dit kan ook ge-beuren enige tijd na de plaatsing, bijvoorbeeld op het moment
van heroverweging van de plaatsing. De ‘strijd’ waarin men met
elkaar verwikkeld raakt kan resulteren in verkeerde beslissingen,
die niet meer worden genomen in het belang van het kind, en
daarmee schadelijk zijn voor het kind.
Uit het veld zijn signalen ontvangen dat er behoefte is aan een
laagdrempelige vorm van geschilbeslechting buiten de rechter om
voor de kleinere geschillen tussen (pleeg)ouder en (gezins)voogd
en pleegzorgwerker en tussen ouder en pleegouder. Voordeel
daarvan is dat snel zelf naar een oplossing gezocht wordt en dat
een constructieve samenwerking bevorderd wordt. Het gedeelde
belang is het belang van het kind in kwestie. De commissie wil op
deze plaats wijzen op de mogelijkheden die mediation in deze
situaties kan bieden.
F. De politiek
F.1 Erkenning en excuses
Slachtoffers hebben behoefte aan erkenning en excuus van bestu-ren van instellingen. De commissie meent dat de huidige bestuur-ders erkenning moeten geven en excuses moeten aanbieden, ook
voor misbruik uit het verleden. Daarbij past niet dat zij zich ver-schuilen achter gebrekkige en/of afwezige dossiers.
De commissie heeft het ingevolge haar opdracht niet tot haar
taak gerekend een uitspraak te doen over mogelijke financiële
genoegdoening aan de slachtoffers. Zij heeft wel geconstateerd
dat slachtoffers van seksueel misbruik terechtkunnen bij het
Schadefonds Geweldsmisdrijven. Een belemmering hierbij wordt
echter gevormd door het feit dat het Schadefonds zaken van voor
1973 niet in behandeling mag nemen, waardoor veel slachtoffers
geen financiële handreiking kunnen krijgen. De commissie advi-seert het ministerie van VenJ dringend om de tijdsrestrictie van
het Schadefonds Geweldsmisdrijven te laten vallen en zaken van
voor 1 januari 1973 ook toe te laten.
F.2 Breed meldpunt en toegang tot hulpverlening
De recente aandacht voor seksueel misbruik heeft veel losge-maakt bij slachtoffers. Daarnaast zijn er veel slachtoffers die pas
op latere leeftijd problemen/klachten ondervinden van het seksu-eel misbruik in hun kinderjaren of pas op latere leeftijd de wens/
kracht hebben om naar buiten te treden. De ministeries van VenJ
en VWS dienen één breed meldpunt voor slachtoffers van seksueel
misbruik en geweld te organiseren. Het meldpunt heeft betrek-king op zaken uit het verleden en op zaken waarvoor op dit
moment niet in een meldpunt is voorzien.
Daarnaast dienen beide ministeries zorg te dragen voor vol-doende financieel haalbare en passende hulpverlening. Ook voor
slachtoffers die geen aanspraak kunnen maken op de bijzondere
regeling van Jeugdzorg Nederland (JN) mag de eigen bijdrage
ggz hiervoor geen beletsel vormen.
120
8. Aanbevelingen
121
8. Aanbevelingen
F.3 Cliëntvolgsysteem
De ministeries van VenJ en VWS moeten voorzien in een cliënt-volgsysteem, waardoor voor opvolgende hulpverleners duidelijk
is wie zich professioneel met het kind heeft beziggehouden, wat
de problematiek en voorgeschiedenis zijn en welke interventies
geboden zijn. De BJZ’s en de zorgaanbieders moeten zorg dragen
voor goede dossiervorming en een compleet en overzichtelijk
overgangsdossier als een kind elders geplaatst wordt. Deze infor-matie dient op centraal gemeentelijk niveau vastgelegd te
worden.
F.4 Meer transparantie door sturing op een toename van
meldingen
Gezien de wanverhouding tussen wat professionals aan signalen
van seksueel misbruik opvangen en de mate waarin seksueel mis-bruik zich volgens jongeren voordoet, evenals het feit dat signalen
van seksueel misbruik lang niet altijd resulteren in een melding,
zouden de ministeries van VWS en VenJ moeten sturen op een stij-ging van het aantal meldingen, om meer transparantie rond sek-sueel misbruik te bewerkstelligen. Bedenk een incentive voor alle
residentiële jeugdzorg- en pleegzorginstellingen om het aantal
meldingen te laten stijgen.
F.5 Sturing en kwaliteitsborging
De commissie heeft geconstateerd dat het ministerie van VWS te
veel aan het veld overlaat vanuit de filosofie ‘sturen op afstand’.
Dit kan in een complexe situatie ook gezien worden als ‘afschui-ven’ op het veld. De plannen voor verdergaande positionering van
de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg bij de gemeenten zijn in
een vergevorderd stadium. De overheveling van dure voorzienin-gen naar de gemeenten, die vanwege de schaal vermoedelijk vaak
zullen moeten gaan samenwerken om aan de behoefte te kunnen
voldoen, vraagt om duidelijke richtlijnen waarin kwaliteitseisen
worden gesteld. Het ministerie van VWS moet bij verdergaande
decentralisatie zorgen voor kwaliteitsborging. Hiertoe dient het
ministerie de sector te verplichten een kwaliteitskader57
te ont-57 Waar het de justitiële jeugdinrichtingen betreft dient het kwaliteitskader opgelegd
te worden door het ministerie van Veiligheid en Justitie.
wikkelen. De IJZ moet een duidelijke handhavende taak krijgen
en toezien op de naleving van de kwaliteitsnormen.
Het ministerie van VWS moet erop toezien dat dit kwaliteits-kader eind 2012 gereed is. Over twee jaar moet de gehele sector,
inclusief de JJI’s, vanwege de transitie naar de gemeenten aan de
kwaliteitseisen voldoen. Het ministerie van VWS moet zorgen dat
de IJZ over twee jaar voldoende instrumenten in handen heeft om
te kunnen sanctioneren als instellingen en/of professionals niet
aan de gestelde normen voldoen.
De commissie maakt zich zorgen over het transitieproces van de
residentiële jeugdzorg en de pleegzorg naar de gemeenten. De
commissie heeft uit het veld signalen ontvangen dat er nog zeer
veel gemeenten zijn die op dit moment onvoldoende kennis over
de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg in huis hebben. Het zal
nog de nodige tijd in beslag nemen eer deze kennis op orde is.
Tot die tijd mag de verantwoordelijkheid voor de residentiële
jeugdzorg en de pleegzorg niet overgaan naar de gemeenten.
De commissie sluit hiermee aan bij de bevindingen van de Kinder-ombudsman.
58
G. Wetenschappelijk onderzoek
G.1 Nader wetenschappelijk onderzoek
De complexiteit van het veld en de aard van de problematiek ma-ken onderzoek naar seksueel misbruik in de residentiële jeugd-zorg en de pleegzorg moeilijk. De volgende thema’s dienen
volgens de commissie in elk geval nader wetenschappelijk onder-zocht te worden:
• aard en omvang van seksueel misbruik van minderjarigen met
een (licht) verstandelijke beperking, waarbij zowel voor slacht-offers als plegers aandacht is
• mechanismen die maken dat iemand die als professional of
pleegouder de zorg heeft voor een kind ertoe komt het kind
seksueel te misbruiken
122
8. Aanbevelingen
58 Brief Kinderombudsman aan de algemene commissie voor Jeugdzorg, d.d. 18 juni
2012.
123
8. Aanbevelingen
• seksueel misbruik in de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg
van kinderen jonger dan 12 jaar
• de impact (medisch, psychisch en maatschappelijk) van seksu-eel misbruik door leeftijdgenoten in vergelijking met de impact
van seksueel misbruik door verzorgende volwassenen
• fysieke gevolgen van seksueel misbruik.
G.2 Data-infrastructuur
Zorg met het oog op toekomstig onderzoek en beleidsontwikke-ling voor een data-infrastructuur die het mogelijk maakt om later
beleidsaanpassingen te evalueren. De ministeries van VWS en
VenJ moeten samen met de sector onderzoeken hoe een dergelijke
data-infrastructuur vorm moet krijgen.
G.3 Prevalentiemonitor
De commissie beveelt een tweejaarlijkse prevalentiemonitor sek-sueel misbruik in de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg aan.
H. Implementatie
H.1 Rapportage aan de Tweede Kamer
De commissie heeft geconstateerd dat JN ervan doordrongen is
dat er snel een forse kwaliteitsslag gemaakt moet worden en dat
er begonnen is met de opstelling van een kwaliteitskader voor de
aangesloten organisaties. De commissie juicht deze beweging toe.
Daarnaast doet de commissie aanbevelingen die anderen aan-gaan, zoals de ministeries van VWS en VenJ. De commissie reali-seert zich dat de Taskforce kindermishandeling onder leiding van
Van der Laan eveneens is begonnen verbetermaatregelen te
treffen. Maar de commissie is zich er ook van bewust dat al meer
dan twintig jaar beleidsplannen zijn gemaakt over kindermishan-deling en terugdringen van seksueel misbruik, terwijl de imple-mentatie is achtergebleven. Daarom vindt zij het nodig dat het
proces kritisch gevolgd wordt en komt zij tot de volgende aanbe-veling: de ministeries van VWS en VenJ dienen jaarlijks aan de
Tweede Kamer te rapporteren in hoeverre de implementatie van
de aanbevelingen is gerealiseerd en of het kind beter wordt
beschermd.
H.2 Monitoren
Daarnaast dient er een monitoring bij een onafhankelijke instan-tie te worden belegd. Naar het oordeel van de commissie is de Kin-derombudsman de enige die daarvoor in aanmerking komt.
8.2 En verder
De commissie realiseert zich dat met haar adviezen geld gemoeid
is, wat in deze tijd van bezuiniging een lastig punt kan zijn. In
deze context bestaat het gevaar dat er te weinig oog is voor de
effecten op langere termijn. Op de lange(re) termijn zijn de maat-schappelijke effecten en financiële besparingen van vroegtijdig
adequaat verleende zorg groot. De commissie stelt ook vast dat in
het verleden intensiveringen en bezuinigingen elkaar hebben
afgewisseld, wat tot kapitaalvernietiging heeft geleid. Daarnaast
heeft de commissie vastgesteld dat sommige verbetermaatrege-len waartoe zijzelf concludeert al eerder zijn voorgesteld en/of al
deels zijn ingevoerd, maar dat ze of niet zijn uitgevoerd of niet
(goed) zijn geïmplementeerd. Kwaliteitsverbetering van de
huidige middelen kan uiteraard ook bijdragen aan terugdringing
van seksueel misbruik in de residentiële jeugdzorg en de pleeg-zorg.
De commissie wil op deze plaats benadrukken dat een incident-regelreflex te allen tijde voorkomen dient te worden. Kinderen en
jongeren hebben behoefte aan een zo normaal mogelijke seksuele
ontwikkeling, aan intimiteit en genegenheid. Bescherming in
extremo kan deze normale ontwikkeling en bejegening in gevaar
brengen.
Daarnaast merkt de commissie op dat protocollen zeker
houvast kunnen bieden bij het werk in complexe situaties, maar
altijd hulpmiddel zijn en nooit doel op zich. Protocollen zijn richt-lijnen waar je als professional beargumenteerd van moet/mag
afwijken. We willen weg van de ‘vinkjescultuur’ en in plaats
daarvan een heldere centrale kwaliteitsstandaard en zelfbewuste
professionals met discretionaire bevoegdheden.
124
8. Aanbevelingen
125
8. Aanbevelingen
8.3 Ten slotte
De aanbevelingen van de commissie moeten gezien worden als
richtingwijzers voor de aanpak van een probleem waar we als
samenleving maar moeizaam vat op krijgen. Dat gaat ons zo
moeilijk af doordat het ons schort aan de vereiste kennis, de ver-eiste vaardigheden, de vereiste methoden en de vereiste regelge-ving. Ook de inrichting en organisatie van de residentiële jeugd-zorg en de pleegzorg en de vereiste samenhang tussen jeugdzorg
en andere zorgsectoren maken het lastig. Daar komt nog bij dat
de aard van het probleem maakt dat het niet eenvoudig is, zo het
al mogelijk is, om eenduidig en voorgoed te bepalen wat er precies
aan kennis, vaardigheden, regelgeving, methoden en organisatie
van zorg vereist is. Zonder iets te willen afdoen aan de relevantie
van de aanbevelingen is het goed dat men zich realiseert op welk
type verschijnsel ze betrekking hebben.
Seksueel misbruik van kinderen is een fenomeen dat alle kenmer-ken heeft van wat soms een ongetemd
59
, een taai
60
probleem of
eenwicked problem
61
wordt genoemd, niet in de zin van ‘duivels
moeilijk’, al is het dat ook, maar in de zin van ‘grillig’, ‘onvoorspel-baar’, ‘ongrijpbaar’. Ongetemde problemen zijn maatschappelijke
fenomenen waar begripsmatig, cijfermatig, beleidsmatig en prag-matisch moeilijk vat op te krijgen is. Dat is allemaal van toepas-sing op het thema van dit rapport: seksueel misbruik van kinderen
en meer in het bijzonder seksueel misbruik van kinderen in de
residentiële jeugdzorg en de pleegzorg.
—Begripsmatig: er is geen eenduidige formulering van het ver-schijnsel, want deze verandert in de loop der tijd en varieert met
verschuivingen in visie op onder meer de verhouding tussen
rechten van kinderen, plichten van de overheid en belangen van
59 Gerritsen, E. (2011).De slimme gemeente nader beschouwd: Hoe de lokale overheid
kan bijdragen aan het oplossen van ongetemde problemen. Amsterdam: Amsterdam
University Press.
60Vermaak, H. (2009).Plezier beleven aan taaie vraagstukken: Werkingsmechanismen
van vernieuwing en weerbarstigheid. Deventer: Kluwer.
61 Rittel, H.W.J. & M.M.Webber (1973). ‘Dilemma’s in a general theory of planning’.Policy
Sciences,4, 155-169.
de samenleving en met verschuivingen in visie op seksuele
moraal, op grootbrengen en op groot worden. Deze formulering
varieert ook tussen beroepsgroepen en tussen sectoren, elk met
hun eigen opvattingen, opleidingen, praktijken, regels en tradities.
En het verschijnsel zelf kent diverse variaties. Seksueel misbruik
door een groepsgenoot is in verschillende opzichten iets anders
dan seksueel misbruik door een pleegvader.
—Getalsmatig: problemen met de definitie van het verschijnsel
maken dat het ook moeilijk te becijferen is. Ook de relatieve
onzichtbaarheid van het fenomeen en de verschillen in databron-nen (informanten, kinderen zelf, variaties in vermogens van kin-deren als informant) maken dat het moeilijk is er getalsmatig vat
op te krijgen.
—Beleidsmatig: seksueel misbruik kent ontwikkelingspsychologi-sche, psychiatrische, medische, juridische, maatschappelijke en
morele aspecten, die allemaal in – delen van – het beleid verdis-conteerd moeten zijn. Evaluatie van het beleid zal meer moeten
zijn dan een herhaalde becijfering van de omvang van het ver-schijnsel. Taaie problemen vergen een lange adem, en beleid en
politiek zijn veelal kortademig en uit op snelle en liefst goedkope
successen.
—Pragmatisch: in de praktijk van alledag zijn er tal van maatrege-len te treffen. Zoals de eis van een VOG, goede dossiervorming,
adequatematchingvan pleegkind en pleeggezin, en is er veel
belang te hechten aan een open communicatie tussen professio-nals onderling en tussen professionals en jongeren. Er kan niet
worden volstaan met een handjevol losse maatregelen. Alleen met
een combinatie van samenhangende maatregelen en praktijken
kunnen we dit complexe probleem te lijf gaan. Overigens zonder
er ooit definitief grip op te krijgen.
Vaak stopt investering in het probleem niet omdat het verdwijnt,
maar omdat het geld, de energie, de aandacht, de mankracht op
zijn, omdat de prioriteiten verschoven zijn of omdat een politicus,
beleidsmaker of bestuurder plaatsmaakt voor een ander. Er zijn
geen pasklare oplossingen. Elke casus van een ongetemd pro-bleem is uniek en in elke situatie is de oplossing dus een kwestie
van passen en meten. Wanneer er een beslissing over de veiligheid
van een kind genomen moet worden, is elke oplossing eenone-126
8. Aanbevelingen
127
8. Aanbevelingen
shot-actie: het moet in één keer raak zijn. Men kan niet vrijblijvend
een aantal alternatieve oplossingen zoals werken aan veiligheid
thuis of een uithuisplaatsing na elkaar uitproberen. Maar al te
vaak geldt: ‘Baat het niet, dan schaadt het wel.’
Seksueel misbruik van kinderen is een taai, een ongetemd pro-bleem. Dat geldt ook voor seksueel misbruik van kinderen in de
residentiële jeugdzorg en de pleegzorg. De aanpak van onge-temde problemen vergt van ‘hoog’ tot ‘laag’, van minister en direc-teur-generaal tot gezinsvoogd en groepsleider, een cultuuromslag.
In die cultuuromslag komt bijvoorbeeld vertrouwen in plaats van
beheersen en controle; komt samenspraak in plaats van dictaat;
gaat eigen oordeel boven het protocol; is het bestaan van risico’s
geaccepteerd omdat onderkend wordt dat de werkelijkheid
slechts ten dele controleerbaar is; zijn het vermogen te werken
met onzekerheid en onzekerheid te verdragen aspecten van pro-fessionaliteit; wordt er naar tegenspraak gezocht en wordt unani-miteit gewantrouwd; wordt er systematisch geleerd van ervaring;
komt beleidbottom-uptot stand; wordt er niet alleen geïnves-teerd in systemen en in het beheersen van geldstromen, maar ook
en vooral in de expertise van professionals op de werkvloer; zijn
verantwoordelijkheid encommitmentde verbindende elementen
tussen beleidsmakers, bestuurders en uitvoerders; laten jeugd-zorgwerkers zich leiden door verwondering (dat is: openstaan
voor wat nieuw en onbekend is, waarbij ieder kind en iedere
ouder telkens weer een nieuwe onbekende is) en door hoop: elke
nieuwe situatie kent nieuwe en eigen kansen.
Zeker in deze periode van transitie van de residentiële jeugdzorg
en de pleegzorg is het van belang dat politici en beleidsmakers het
ongetemde karakter van het probleem van seksueel misbruik
onderkennen, en daarmee de noodzaak zien om te investeren in
de lange termijn in plaats van te scoren op de korte termijn. Daar-naast moedigt onderkenning van het ongetemde karakter van het
probleem professionals aan minder op safe te spelen, in de weten-schap dat ellende die mensen elkaar aandoen niet definitief te
voorkomen is, dat risico bij leven hoort en dat in de residentiële
jeugdzorg en de pleegzorg, vooral als het om veiligheid van kinde-ren gaat, werken met risico’s onvermijdelijk is.
Door aanbevelingen te doen zegt de commissie dat er iets te ver-beteren valt, en ze zegt dat in het volle besef dat we te maken
hebben met een taai probleem. ‘Het is niet de vraag of het kan,
maar weten dat het moet’, aldus de ondertitel van de eerste over-heidsnota (1990) over de bestrijding van kindermishandeling. Met
dit rapport heeft de commissie – naar ze hoopt – niet alleen dui-delijk gemaakt dat hetmoet, maar ook suggesties willen doenhoe
het kan.
128
8. Aanbevelingen
129
9. Samenvatting
Aanleiding en inrichting onderzoek
In april 2010 besluiten de toenmalige ministers voor Jeugd en
Gezin en van Justitie onderzoek te laten doen naar mogelijke sig-nalen van seksueel misbruik van minderjarigen die op gezag van
de overheid in instellingen of pleeggezinnen zijn geplaatst.
Daartoe wordt de commissie-Samson ingesteld. De commissie
heeft de opdracht onderzoek te doen naar de signalen van en de
reactie op seksueel misbruik van uit huis geplaatste kinderen
over de periode van 1945 tot en met 2010 en naar huidige mecha-nismen voor signalering. De opdracht is dus niet het onderzoeken
van individuele gevallen van seksueel misbruik. Het rapport
Omringd door zorg, toch niet veiligbevat de resultaten van het
onderzoek.
Het rapport is opgebouwd uit drie delen. Deel 1 geeft de resul-taten van het onderzoek van de commissie weer en de conclusies
en aanbevelingen die de commissie hieraan verbindt. Deel 2
betreft een uitgebreide verantwoording van het werk van de com-missie. Deel 3 omvat de inhoudelijke input die de commissie heeft
gebruikt om tot haar eindoordeel te komen. Dat zijn de rapporta-ges van de onderzoeken, de verslagen van rondetafelgesprekken
en de internationale expertmeeting evenals de eigen analyses van
de meldingen die bij de commissie zijn gedaan. Ook zijn er rappor-tages beschikbaar gekomen naar aanleiding van rondetafelge-sprekken over de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg. Verder
heeft de commissie met een veertigtal melders – hoofdzakelijk
slachtoffers – gesprekken gevoerd. De commissie heeft een onder-zoeksterrein betreden dat grotendeels nieuw is in Nederland.
Waarover gaat dit rapport?
De overheid (de kinderrechter op vordering van de RvdK en op
advies van het BJZ en in strafzaken op vordering van het OM
plaatst regelmatig kinderen uit huis. In 2010 verbleven er in totaal
46.826 kinderen in een residentiële jeugdzorginstelling of pleeg-gezin.
Aan die uithuisplaatsing kunnen diverse redenen ten grond-slag liggen, variërend van opvoedingsproblemen bij de ouders tot
ernstige gedragsproblemen bij de kinderen. Na een uithuisplaat-sing worden veel kinderen vervolgens nog verscheidene keren ver-plaatst. Deze instabiliteit in leef- en opvoedingssituatie doet hun
uiteraard geen goed.
Uit de verhalen van slachtoffers en eerder verricht wetenschap-pelijk onderzoek blijkt dat uit huis geplaatste kinderen extra
kwetsbaar zijn om slachtoffer van seksueel misbruik te worden.
Deze kinderen blijken ook in de nieuwe situatie, waarin ze welis-waar omringd zijn door zorg, dikwijls toch te weinig beschermd te
zijn. De behoeften, de rechten en de belangen van kinderen zijn
nadrukkelijk het uitgangspunt geweest bij het onderzoek van de
commissie.
Context en wettelijk kader
De overheid heeft altijd oog gehad voor de bescherming van het
kind en voor de onwenselijkheid van seks met kinderen. Seks met
niet-weerbaren is al ruim voor de onderzoeksperiode strafbaar
gesteld. Het meest recent is de zedelijkheidswetgeving ingrijpend
gewijzigd in 1990 en 1991. Belangrijke artikelen voor de strafbaar-stelling van seksueel misbruik zijn de artikelen 242 t/m 245, 247 en
249 van het Wetboek van Strafrecht (WvSr). Vooral artikel 249
eerste lid en tweede lid, sub 2 WvSr is van belang, omdat het expli-ciet ingaat op seksueel misbruik van een kind dat zich in een spe-cifieke afhankelijkheid bevindt ten opzichte van de dader. De
strafrechtwetgeving is toereikend gebleken om op seksueel mis-bruik van minderjarigen te kunnen reageren.
De eerste wetten op het terrein van de kinderbescherming date-ren van 1905. In 1965 treden de Beginselenwet voor de kinderbe-scherming en het Uitvoeringsbesluit kinderbescherming in
werking met regels over de tenuitvoerlegging van straffen en
maatregelen. In 1989 volgt de Wet op de jeugdhulpverlening met
regels over planning en kwaliteit van, samenwerking bij en voor-waarden voor jeugdhulpverlening. In 2005 wordt de Wet op de
130
9. Samenvatting
131
9. Samenvatting
jeugdzorg ingevoerd. De huidige BJZ’s verrichten hun taken op
basis van een plan dat toegesneden moet zijn op de behoeften
van de cliënt. Zorgaanbieders verlenen de feitelijke zorg en bieden
accommodaties aan. De kinderrechter beslist over de uithuisplaat-sing.
De bewindslieden van VWS en van VenJ hebben altijd de eind-verantwoordelijkheid gedragen voor het plaatsings- en kwaliteits-beleid in de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg, respectievelijk
de JJI’s. Er bestaat tussen beide departementen echter verschil in
de mate van bemoeienis met de uitvoering van het in de instellin-gen gevoerde beleid. De achtergrond hiervan ligt enerzijds in de
noodzaak om bij vrijheidsbeperking en vrijheidsbeneming in het
strafrechtelijk domein duidelijke regels te stellen en anderzijds in
het bezwaar van overheidsbemoeienis met de opvoeding in het
civielrechtelijk domein. Het ministerie van VWS ziet voor zichzelf
een ‘systeemverantwoordelijkheid’ en stuurt niet op de inhoud
van het veiligheidsbeleid. VWS laat het dus ook aan de residenti-ële jeugdzorg en de pleegzorg zelf over om de aanpak van seksu-eel misbruik vorm te geven. Het ministerie van VenJ heeft een
andere verantwoordelijkheid waar het gaat om het veiligheids-beleid in de JJI’s. Deze zijn namelijk hiërarchisch ondergeschikt
aan de minister, die zich, in tegenstelling tot zijn collega van VWS,
volledig ministerieel verantwoordelijk acht. Voor de JJI’s worden
de veiligheidsnormen waaraan personeel en jongeren zich te
houden hebben daarom van bovenaf opgelegd.
Beeld van de residentiële jeugd- en pleegzorg in de tijd
In de periode na de Tweede Wereldoorlog (1945-1965) is de kinder-bescherming, zoals toen de residentiële jeugd- en pleegzorg
werden aangeduid, sterk verzuild. Inrichting en toezicht zijn in
eerste instantie de verantwoordelijkheid van de zuil. Inmen-ging van de overheid wordt slechts zeer beperkt geaccepteerd.
Uiteraard aanvaardt de overheid de eindverantwoordelijkheid,
maar ze stelt zeer geringe middelen ter beschikking (personeel)
voor de inspectie, zodat intensief toezicht niet mogelijk is. Het
toezicht beperkt zich tot de formele verantwoording. Kinderen
moeten beschermd worden tegen lichamelijke en zedelijke onder-gang. Seksualiteit is een van de domeinen waarop een kind ont-sporen kan als het – hoe of door wie dan ook – voortijdig daarmee
in aanraking komt. Seksueel misbruik is echter geen bijzonder
probleem dat aparte aandacht krijgt.
In de periode 1965-1990 wankelt het systeem van de verzuiling
en verandert de seksuele moraal. Er is sprake van een groeiende
openheid op het gebied van seksualiteit. Tegelijkertijd ontstaat
er grotere terughoudendheid om in gezinnen in te grijpen. Vanaf
1990 staat de veiligheid van het kind voorop en wordt een strin-gent beleid gevoerd met betrekking tot seksuele contacten van
groepsleiders met pupillen. De protocollering neemt toe. In een
beleidsbrief van het toenmalige ministerie van Welzijn, Volksge-zondheid en Cultuur (WVC) uit 1990 wordt aandacht gevraagd
voor kindermishandeling, de noodzaak tot samenwerking bij de
aanpak ervan, en er wordt een inventarisatie aangekondigd naar
de aard en omvang van kindermishandeling in residentiële hulp-verleningsinstellingen. Dergelijke voornemens worden daarna
meerdere malen herhaald. De implementatie is echter nooit van
de grond gekomen.
Gedurende de gehele beschreven periode is seksueel misbruik
van kinderen een onderwerp waarmee professionals zich nauwe-lijks raad weten. Deels hangt dit ongemak samen met een sfeer
van taboe rond seksualiteit. Pas sinds het midden van de jaren
tachtig wordt seksueel misbruik, hoewel men al wel eerder met
het verschijnsel bekend was, als een bijzonder probleem voor het
kind gearticuleerd. Sindsdien is er meer dan voorheen oog voor
het traumatiserende karakter ervan. Nu wordt ook duidelijk dat
ernst en complexiteit van seksueel misbruik hoge eisen stellen
aan de professionaliteit van werkers in de jeugdzorg en aan het
functioneren van de jeugdzorg als systeem. De professionaliteit
in de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg is de afgelopen der-tig jaar duidelijk toegenomen. Dat die toename minder ver is dan
wenselijk hangt voor een deel samen met de complexiteit van het
verschijnsel seksueel misbruik. De ernst ervan maakt het noodza-kelijk met de ontwikkeling van die professionaliteit vaart te
maken.
Aard, omvang en gevolgen
De omvang van seksueel misbruik is niet eenvoudig te ‘meten’.
Dat geldt voor seksueel misbruik in het algemeen en in versterkte
132
9. Samenvatting
133
9. Samenvatting
mate voor het misbruik waarover de commissie zich heeft
gebogen.
Uit de literatuur en uit de gesprekken met slachtoffers weten
we dat we ervan moeten uitgaan dat slachtoffers veel minder
seksueel misbruik rapporteren dan heeft plaatsgevonden. Met
andere woorden, er is sprake van onderrapportage. In de door de
commissie uitgezette onderzoeken naar het verleden is gebleken
dat het niet mogelijk is een goed beeld te krijgen van de aard en
omvang van seksueel misbruik. Veel informatie blijkt niet vastge-legd en archieven zijn conform de regelgeving geschoond. Dat
komt overeen met wat slachtoffers de commissie vertelden. Als ze
al melding maakten van misbruik, werden ze meestal niet ge-loofd of kregen ze straf voor hun vermeende leugens en vieze
praatjes.
Ook nu vindt seksueel misbruik plaats, zo blijkt uit onderzoek
naar de prevalentie in 2010. Het onderzoek levert een aantal
opmerkelijke resultaten op. Zo nemen professionals minder dan
2 procent waar van het aantal gevallen dat door kinderen zelf
wordt gerapporteerd. De jongeren willen in een groot deel van
de gevallen niet zeggen wie de pleger is. Als slachtoffers dat wel
doen, rapporteren zij dat in meer dan de helft van de incidenten
de pleger jonger dan 21 jaar is. Opvallend is ook dat de kinderen
aangeven dat in één derde van de gevallen een vrouwelijke pleger
(mede)betrokken is, terwijl in officiële registraties vrijwel uitslui-tend mannelijke plegers aangetroffen worden. In het onderzoek
is geconstateerd dat misbruik door groepsleiders of pleegvaders
jarenlang kan aanhouden. Er vinden aanrandingen, maar ook ver-krachtingen plaats. De onderzoekers concluderen dat het risico op
seksueel misbruik inherent is aan de residentiële jeugdzorg en de
pleegzorg. Dat komt door de inrichting van de zorg, de problema-tiek en de zwaarbelaste achtergrond van de (samengeplaatste)
kinderen, de machtspositie van de professionals en pleegouders,
en het gegeven dat fysiek contact onvermijdelijk en soms ook
broodnodig is. Jeugdzorg is een setting waarin het risico op seksu-eel misbruik relatief hoog is en het risico op ontdekking en repre-sailles voor de plegers laag.
Uit huis geplaatste kinderen rapporteren gemiddeld bijna twee
keer zo vaak (143 per 1000) als gemiddelde Nederlandse kinderen
(74 per 1000) dat zij in 2010 seksueel misbruikt zijn. Nadere
analyse van de gegevens laat zien dat vooral kinderen in residen-tiële jeugdzorginstellingen een verhoogde prevalentie rapporte-ren (194 per 1000), terwijl dat voor kinderen in de pleegzorg niet
geldt (55 per 1000). De onderzoekers melden dat deze verschillen
in werkelijkheid waarschijnlijk groter zijn. Een vergelijking binnen
de onderzochte groep uit huis geplaatste kinderen laat zien dat
kinderen in de residentiële jeugdzorg ruim 2,5 keer meer seksueel
misbruik rapporteren dan kinderen in de pleegzorg (respectieve-lijk 229 en 88 per 1000). Dat verschil is significant en ook in abso-lute zin groot. Er is geen significant verschil in de chroniciteit van
het seksueel misbruik tussen pleeggezinnen en residentiële
jeugdzorginstellingen. Meisjes zijn meer dan twee keer zo vaak
slachtoffer als jongens (264 versus 126 per 1000). Ook dit verschil is
significant. Op grond van rapportages van personen werkzaam
met kinderen met een (licht) verstandelijke beperking lijken deze
kinderen ruim drie keer zo vaak slachtoffer te zijn van seksueel
misbruik als kinderen zonder (licht) verstandelijke beperking.
De gevolgen van seksueel misbruik zijn – ook op lange termijn–
groot. Slachtoffers die op dit moment te kampen hebben met pro-blemen ten gevolge van hun verleden kunnen moeilijk hun
verhaal en vragen kwijt. Evident is dat er hulp geboden moet
worden waar fysieke en/of psychische schade opgelopen is. Medio
2011 is op aandringen van de commissie van politieke zijde de toe-zegging gedaan dat er een voorziening komt waardoor de eigen
bijdrage ggz geen beletsel voor hulp aan deze categorie slacht-offers meer hoeft te vormen. De commissie heeft daarnaast her-haalde malen naar buiten gebracht dat een meldpunt zoals dat
van de commissie ook na opheffing van de commissie in stand
gehouden moet worden. Er zijn veel meldpunten; deze zijn echter
alle bestemd voor actuele zaken.
Plegers van seksueel misbruik in de residentiële jeugdzorg
en de pleegzorg
De verschillende onderzoeken die in opdracht van de commissie
zijn uitgevoerd naar het vóórkomen van seksueel misbruik laten
alle zien dat in ongeveer de helft van de gevallen de pleger een
leeftijdgenoot is. Er is verdiepend onderzoek gedaan naar de ach-tergronden van veroordeelde daders. Minderjarige daders zijn
gemiddeld 15 jaar oud ten tijde van het misbruik. Zij zijn veelal
134
9. Samenvatting
135
9. Samenvatting
medebewoners van slachtoffers in residentiële jeugdzorginstellin-gen, of hun pleegbroers. Zij zijn overwegend autochtoon en
zwakbe-gaafd of licht verstandelijk beperkt. De volwassen daders zijn
gemiddeld 37 jaar en ook meestal autochtoon. Slechts sporadisch
zijn zij eerder veroordeeld voor zeden- of andere delicten. In
tegenstelling tot de jonge daders zijn de volwassen daders gemid-deld tot bovengemiddeld intelligent. De diagnose pedofilie wordt
nauwelijks gesteld. Opvallend is dat ongeveer één derde van deze
daders zelf in zijn jeugd is mishandeld, verwaarloosd of mis-bruikt. Het daderonderzoek laat zien dat het niet waarschijnlijk
is dat additionele screening van professionals die met kinderen
werken seksueel misbruik kan voorkomen. De daders hebben
veelal geen opvallende kenmerken. Veruit de meeste daders
hebben bij aanvang van het werk met kinderen, als groepsleider
of pleegouder, niet de intentie kinderen seksueel te misbruiken.
Mechanismen
Het proces dat uiteindelijk tot misbruik leidt, begint niet altijd
met een seksuele belangstelling voor de jeugdige. De onderlinge
verhoudingen in een leefgroep zijn complex. De pikorde veran-dert voortdurend als bewoners komen en gaan. Er zijn zondebok-ken en er ontstaan onderling affectieve banden. Groepsleiders
staan hier verder van af, maar ook zij maken deel uit van dit
systeem. Zo kan er tussen groepsleider en pupil een wederzijdse
affectie ontstaan die uiteindelijk resulteert in seksuele grensover-schrijding. Het gevaar van groepsleiders die ‘meer dan een klik’
hebben met een jeugdige, geldt in nog sterkere mate voor een
pleegouder. Een pleeggezin kent immers situaties van meer inti-miteit dan de leefgroep. Over de manier waarop hulpverleners en
pleegouders dader worden is betrekkelijk weinig bekend. De com-missie vindt het wenselijk om in die processen meer inzicht te
verwerven om pleegouders, groepsleiders en andere professionals
beter toe te rusten met kennis en kunde, zodat zij beter zicht
krijgen op de risico’s bij henzelf en in hun omgeving.
Overheidsreactie op signalen van seksueel misbruik
Wanneer signalen van seksueel misbruik bekend zijn geworden,
kan de overheid daar op twee manieren op reageren: via het
strafrecht en via het toezicht door de inspectie.
Het onderzoek over de periode 1945-1990 heeft duidelijk
gemaakt dat professionals en leidinggevenden in de kinderbe-scherming met een zeer gering aantal gevallen van seksueel mis-bruik worden geconfronteerd. In de archieven van zowel de
instellingen als de overheidsorganisaties worden althans weinig
concrete zaken aangetroffen. Desondanks komt het misbruik in
een zodanige frequentie voor dat men zich op verschillende
niveaus bewust wordt van het verschijnsel. De reactie daarop
varieert. In ‘minder ernstige’ gevallen wordt er in het algemeen
naar gestreefd met zo min mogelijk omhaal een einde te maken
aan de ongewenste situatie: pupillen worden overgeplaatst, per-soneelsleden worden ontslagen. De inspectie houdt in dit soort
gevallen ‘de vinger aan de pols’. De opgetekende en bewaard
gebleven beschrijvingen van reacties op incidenten wekken wel
de indruk dat de overheid handelend optreedt, maar ze zijn te
schaars om daar algemene conclusies aan te kunnen verbinden.
Het strafrecht wordt slechts zeer ten dele gezien als een ade-quaat middel. Slechts in een zeer gering aantal gevallen wordt
daartoe overgegaan. Voor zover het schaarse bronnenmateriaal
dat toestaat lijkt de conclusie te moeten zijn dat het dan gaat
om ernstige incidenten, dan wel langdurige en structurele mis-standen.
Wat de politie en het OM betreft kunnen we over de periode
tot 1990 alleen uitspraken doen op basis van de meldingen bij de
commissie. Politie en OM worden vrijwel niet ingeschakeld. De
meeste slachtoffers doen geen aangifte. Als er al aangifte wordt
gedaan, leidt dat volgens de melders meestal niet tot vervolging,
omdat bewijs ontbreekt. De aanpak van zedenzaken bij het OM
is tot het einde van de jaren tachtig geen bijzondere.
Door het veranderde maatschappelijk klimaat in de laatste decen-nia worden slachtoffers van seksueel misbruik in de residentiële
jeugdzorg en de pleegzorg geleidelijk aan meer serieus genomen.
Er ontstaat een sterke behoefte aan meer duidelijkheid over de
aanpak ervan. Op verzoek van het ministerie van WVC zijn er alge-mene richtlijnen voor het handelen bij een vermoeden van seksu-eel misbruik ontwikkeld. Deze gelden niet specifiek voor de
residentiële sector en de pleegzorg. De IJZ heeft sterk de nadruk
gelegd op protocollering. Eind jaren tachtig en begin jaren negen-136
9. Samenvatting
137
9. Samenvatting
tig zetten enkele zedenzaken met een grote landelijke bekend-heid ook bij de politie en het OM aan tot de ontwikkeling van
meer beleid en meer expertise. De commissie heeft geconstateerd
dat het handelen van de politie in gevallen waarin aangifte is
gedaan de laatste tien jaar logisch en begrijpelijk overkomt. Dat-zelfde geldt voor het OM over de laatste twintig jaar.
Uit meldingen bij de IGZ in de jaren 2008, 2009 en 2010 van
kinderen met een (licht) verstandelijke beperking blijkt dat er in
de helft van die gevallen ook aangifte bij de politie is gedaan. Men
ziet vaak af van het doen van aangifte, omdat men deze jongeren
niet wil confronteren met moeizame juridische procedures,
waarvan de afloop veelal onzeker is. In veruit de meeste gevallen
(94 procent) is ten tijde van de melding bij de IJZ niet bekend of
het incident bij het OM terecht is gekomen.
Zoals hierboven reeds opgemerkt, verschillen de ministeries
van VenJ en VWS in hun sturing op veiligheid in de JJI’s en de resi-dentiële jeugdzorg en de pleegzorg. Het ministerie van VenJ voert
hierin meer regie dan het ministerie van VWS, dat de zorg voor
veiligheid meer aan de sector zelf overlaat. Vanzelfsprekend is
sturing slechts een randvoorwaarde voor bescherming tegen sek-sueel misbruik. Voor de feitelijke bescherming speelt de professio-naliteit van de medewerkers een grotere rol.
Huidige bescherming van het kind
De commissie heeft gewerkt vanuit het perspectief van het kind.
De belangen van het kind staan centraal. De beschermingsmecha-nismen in de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg zijn in kaart
gebracht aan de hand van een concentrisch model (zie 6.2). Het
kind vormt het middelpunt, met daaromheen in verschillende
ringen de personen en instanties op wier bescherming het is aan-gewezen. Uitgangspunt voor de analyse van het beschermingssys-teem is dat een kind voor zijn bescherming primair is aangewezen
op de personen die hem in het leven van alledag het meest nabij
zijn, van personen dus in de binnenste ring. In deze binnenste ring
bevinden zich de (pleeg)ouders, (pleeg)kinderen, groepsleiders,
groepsgenoten en docenten.
Waar jongeren – veelal van beide seksen – dagelijks met elkaar
verkeren is seksualiteit voortdurendin the air. Kinderen die om
redenen van bescherming in een pleeggezin worden geplaatst
brengen daar, net als jongeren dat doen in een leefgroep, de
gevolgen in van wat ze aan misbruik, geweld en/of verwaarlozing
hebben meegemaakt. Die gevolgen, in termen onder meer van
mindere weerbaarheid, overafhankelijkheid, geringe zelfwaarde
en verwarring van seks met affectie, maken hen kwetsbaarder,
ook voor seksueel misbruik.
Tal van studies op dit gebied laten desondanks zien dat seksuele
ontwikkeling, normen voor seksueel gedrag en in samenhang
daarmee het thema seksueel misbruik nauwelijks een plaats
hebben in de opleiding en op de werkagenda van de professio-nals in termen van training, begeleiding, overleg, reflectie, regels.
Komt het in de voorbereiding van pleegouders op hun pleegou-derschap al voldoende aan bod, dan krijgt het daarna in de bege-leiding vaak te weinig aandacht. Wanneer de onderwerpen wel
op de agenda van de instelling staan, sneuvelen de noodzakelijke
intervisie en werkbegeleiding als eerste bij bezuinigingen of toe-nemende werkdruk.
Elke residentiële jeugdzorgsetting kent regels, vormen van con-trole, toezicht en discipline die noodzakelijk zijn. Een te eenzijdige
cultuur van regelhandhaving kan echter maken dat bij seksueel
grensoverschrijdend gedrag de nadruk meer ligt op maatregelen
achteraf tot handhaving van de orde en bescherming van de
instelling, en minder op een preventieve actie en therapeutische
reactie. Een repressief klimaat vormt voor jongeren een beletsel
om zich met gevoelige informatie tot de leiding te wenden. Een
sfeer van macht en intimidatie, tussen volwassenen onderling,
tussen volwassenen en jongeren, en tussen jongeren onderling
kan een rol spelen in het afdwingen van seks en in handhaving
van een cultuur van zwijgen daarover.
Door een gebrekkige dossiervorming hebben groepsleiders en
pleegouders vaak onvoldoende weet van de achtergrond en het
gedrag van het kind, wat een adequate benadering en behande-ling verhindert. Daardoor kan het voorkomen dat kinderen met
een (te) zware problematiek geplaatst worden in pleeggezinnen
die voor het betreffende kind niet geschikt zijn, of dat het kind in
een groep geplaatst wordt waarin het niet past.
138
9. Samenvatting
139
9. Samenvatting
Op de werkvloer in de residentiële jeugdzorg is sprake van grote
handelingsverlegenheid waar het seksualiteit betreft. Kinderen
worden in leefgroepen bij elkaar geplaatst. Hun seksuele ontwik-keling gaat gepaard met (onderling) experimenteergedrag en het
opzoeken van grenzen. Jeugdzorgwerkers en groepsleiders zijn
onvoldoende toegerust en missen handvatten om dit met de jon-geren en met elkaar te bespreken. De hoge frequentie van perso-neelswisselingen in veel teams maakt dat er veelal geen veilige
basis is om openlijk over deze moeilijke onderwerpen te praten.
Voldoende continuïteit in het team is eveneens een voorwaarde
voor de jongeren om een vertrouwensband met een groepsleider
op te bouwen. Als er geen vertrouwen is, zullen jongeren niet zo
snel praten over seksualiteit en seksueel misbruik. In de praktijk
van de pleegzorg is het contact tussen pleegkind en gezinsvoogd
vaak onvoldoende om een dergelijke vertrouwensband op te
bouwen.
Voorkomen is beter dan genezen. Referenties inwinnen over
nieuw personeel, maar ook eerlijke referenties geven over vertrek-kend personeel zijn een must. Tijdens de sollicitatieprocedure
dient er aandacht te zijn voor de bespreekbaarheid van seksuali-teit en seksueel misbruik. De sollicitant moet er blijk van geven te
beseffen dat en hoe eigen – eventueel traumatische – jeugderva-ringen een rol kunnen spelen in zijn werk. Ook in de voorberei-ding van aspirant-pleegouders op het pleegouderschap dient sek-sualiteit voldoende aandacht te krijgen.
De meerduidigheid van signalen en daarmee de onzekerheid
over wat er precies aan de hand is, verhoogt de drempel om ver-moedens van seksueel misbruik te melden. Niet iedereen weet
waar hij met een signaal van seksueel misbruik naartoe moet,
waardoor signalen lang niet altijd in het officiële circuit terecht-komen. Mede omdat er zoveel – en soms te veel – instanties en
functionarissen zijn, voelt niemand zich probleemeigenaar en
neemt niemand de regie in de afhandeling van (vermoedens van)
seksueel misbruik.
Conclusies
• De overheid is gedurende de gehele onderzochte periode
bekend geweest met het vóórkomen van seksueel misbruik van
door haar uit huis geplaatste kinderen. Van de gevolgen voor
het kind heeft ze, net als de rest van de samenleving, jarenlang
vrijwel geen weet, evenmin als van de mate waarin het voor-komt. Er zijn weinig zaken in het strafrechtelijk traject terecht-gekomen. Waar dat wel is gebeurd, is begrijpelijk gereageerd.
Met de in 1990 door haarzelf geuite wens inzicht te krijgen in
aard en omvang van seksueel misbruik in instellingen voor
jeugdhulpverlening is door de overheid twintig jaar lang niets
gedaan. Het ministerie van VWS heeft de ontwikkeling van
beleid te veel overgelaten aan de sector; het ministerie van
VenJ heeft wel een sturende rol vervuld.
• Er is altijd sprake geweest van seksueel misbruik in de residen-tiële jeugdzorg en de pleegzorg. In de residentiële jeugdzorg is
het risico ruim 2,5 keer zo hoog als bij de gemiddelde Neder-landse jeugd. Meisjes zijn ruim twee keer zo vaak slachtoffer als
jongens, en kinderen met een (licht) verstandelijke beperking
lijken drie keer vaker slachtoffer te zijn dan uit huis geplaatste
kinderen zonder (licht) verstandelijke beperking.
• Meer dan de helft van de plegers is een leeftijdgenoot, vaak een
groepsgenoot. De volwassen daders hebben geen opvallende
kenmerken. Verreweg de meeste daders hebben niet bij de
aanvang van het werk als groepsleider of pleegouder de inten-tie om kinderen seksueel te misbruiken. Het is niet waarschijn-lijk dat additionele screening seksueel misbruik kan
voorkomen.
• De sector is onvoldoende in staat om seksuele problematiek te
onderkennen, bespreekbaar te maken en adequaat in te
grijpen.
• Algemene problemen rond samenwerking, communicatie en
regie in de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg zijn extra
manifest rond signalering van seksueel misbruik. Dit hangt
samen met de complexiteit van dit verschijnsel en de impact
die het heeft op alle betrokkenen. Werken aan deze algemene
problemen dient daarom hand in hand te gaan met investe-ring in de professionaliteit die deze complexiteit vergt.
Aanbevelingen
De commissie gaat ervan uit dat maatregelen gericht op de
directe omgeving van het kind de grootste bijdrage kunnen leve-ren om seksueel misbruik te voork0men en tijdig aan het licht te
140
9. Samenvatting
141
9. Samenvatting
brengen. Daarom adviseert zij de kwaliteit zo veel mogelijk daar
te verbeteren.
De aanbevelingen zijn geordend naar acht thema’s, te begin-nen met (A) professionalisering. Op alle niveaus is een serieuze
professionalisering van de sector nodig op het terrein van seksua-liteit, (ongezonde) seksuele ontwikkeling en seksueel misbruik
van kinderen en jongeren. De aanbevelingen van het tweede
thema (B) richten zich op de twee ringen direct om het kind. Ver-volgens maakt de commissie onderscheid in aanbevelingen
gericht op (C) de residentiële jeugdzorg en aanbevelingen die zich
toespitsen op (D) de pleegzorg. Daarna volgen (E) het systeem van
de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg en (F) de politiek. De
commissie geeft nog een aantal algemene noties mee aan het
veld, de politiek en maatschappij en beveelt nader wetenschappe-lijk onderzoek aan (G). Ten slotte gaat de commissie in op de
implementatie (H).
JN is zich inmiddels bewust van de ernst van het probleem en
werkt aan een kwaliteitskader voor de aangesloten organisaties.
Seksueel misbruik in de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg
is een complex en een taai probleem, waar geen eenvoudige
oplossingen voor zijn. Het vergt een meervoudige aanpak, com-mitment van iedereen – van ‘hoog tot laag’ – die hierin verant-woordelijkheid draagt. Het vraagt tevens een lange adem van
politici en beleidsmakers en een brede maatschappelijke onder-kenning dat risico’s bij het werken in de residentiële jeugdzorg en
de pleegzorg onontkoombaar zijn.
10. Summary
Background to and structure of the research
In April 2010, the Ministers for Youth and Family and of Justice
decided that there should be an investigation into possible signs
of the sexual abuse of minors who had been placed in institutions
or foster families on the authority of the government. For this
purpose the Samson Committee was established. The committee
was charged with the investigation into the signs of and response
to the sexual abuse of children in care during the period between
1945 and 2010, and into current mechanisms for spotting abuse.
Thus, the task was not to investigate individual cases of sexual
abuse. The report ‘Surrounded by care, still unsafe’ contains the
results of the investigation.
The report is divided into three parts. Part one of the report
describes the results of the committee’s investigation and the con-clusions and recommendations that the committee has linked to
these results. Part two concerns a detailed account of the commit-tee’s work. Part three contains the substantive input used by the
committee to come to its final conclusion. This consists of reports
on the research, and the reports on the round-table discussions
and an international expert meeting, along with its own analyses
of the reports made to the committee. Some reports also became
available following the round-table discussions on residential
juvenile care and foster care. Furthermore, the committee carried
out discussions with around forty informants, primarily victims.
The field of research in which the committee operated is largely
new in the Netherlands.
The subject of this report
The government (the juvenile magistrate, on the order of the Child
Welfare Council and on the recommendation of the Youth Care
Office; and in criminal cases, on the order of the Public Prosecutor)
142
143
10. Summary
regularly puts children into care. In 2010, a total of 46,826 children
were living in a residential institution or foster family.
Diverse reasons can underlie the decision to put a child into
care, varying from parental problems with upbringing to serious
behavioural problems on the part of the child. After having been
put into care, many children are subsequently moved again a
number of times. This instability in their living and upbringing
situation obviously does them no good.
From the victims’ stories and earlier academic research, it has
been shown that children in care are particularly vulnerable to
becoming victims of sexual abuse. In addition, these children fre-quently receive too little protection in the new situation, despite
being surrounded by care. The needs, rights and interests of chil-dren emphatically formed the basis of the committee’s investiga-tion.
Context and legal framework
The government has always paid heed to child protection and to
the undesirability of sex with children. Sex with vulnerable
persons was already a criminal offence long before the period of
investigation. The most recent, and radical changes to the moral-itylaws (zedelijkswetgeving) date from 1990 and 1991. The impor-tant articles for the penalisation of sexual abuse are Articles
242-245, 247 and 249 of the Dutch Criminal Code (Wetboek van
Strafrecht). Article 249, first and second paragraph, sub-section 2
of the Criminal Code is of particular importance, because it explic-itly concerns the sexual abuse of a child who is in a position of
specific dependence vis-à-vis the perpetrator. The criminal legisla-tion has proved to be satisfactory for responding to the sexual
abuse of minors.
The first laws relating to child protection date from 1905. In
1965, the Childcare and Protection Framework Act (Beginselenwet
voor de kinderbescherming) and the Childcare and Protection
Implementation Decree (Uitvoeringsbesluit kinderbescherming)
came into effect, with rules on the enforcement of punishments
and measures. In 1989, the Youth Services Act (Wet op de jeugd-hulpverlening) came next with rules on how to plan youth serv-ices on the quality required and on the cooperation between and
the conditions for youth services. In 2005, the Youth Care Act (Wet
op de jeugdzorg) was introduced. The current Youth Care Offices
(Bureaus Jeugdzorg) carry out their duties on the basis of a plan
that must be tailored to the needs of the client. Care providers
render the actual care and offer accommodation. Juvenile magis-trates make decisions regarding putting children into care.
The Minister of Health, Welfare and Sport (HWS) and the Minis-ter of Security and Justice (S&J) have always borne final responsi-bility for policy relating to placement and quality in residential
juvenile care and foster care and juvenile detention institutions,
respectively. However, the two departments differ with respect to
their degree of involvement in the implementation of the policy
pursued in the institutions. The background to this, on the one
hand, is the need to set out clear rules in the criminal domain
regarding the restriction and removal of freedom; and, on the
other hand, the difficulty of governmental involvement in
upbringing in the civil domain. The Ministry of HWS sees itself as
having a ‘systemic responsibility’ and does not direct the content
of the security policy. HWS therefore also leaves it up to the resi-dential juvenile care and foster care sector to formulate the
approach to sexual abuse. The Ministry of S&J has a different
responsibility concerning security policy in juvenile detention
institutions. Namely, these are hierarchically subordinate to the
minister, who, in contrast to his colleague at HWS, holds full minis-terial responsibility. The security norms to which personnel and
young people adhere in juvenile detention institutions are set
from above.
Description of residential and of foster care over time
In the period following the Second World War (1945-1965), child
protection, as residential juvenile care and foster care were then
called, was characterised by a compartmentalisation along social
or religious lines. Each ‘compartment’ bore prime responsibility for
organisation and supervision, and government interference was
accepted only to a very limited degree. The government accepted
its final responsibility as a matter of fact, but did little to provide
means (i.e. staff) for the inspectorate, which made strict supervi-sion impossible. Supervision was limited to formal responsibility.
Children had to be protected against physical and moral ruin. Sex-uality was one of the areas in which a child might go ‘off the rails’
144
10. Summary
145
10. Summary
if they were to encounter it prematurely, however or via whom-ever that might happen. However, sexual abuse was not a particu-lar problem that received special attention.
In the period between 1965 and 1990, the system of compart-mentalisation lost influence and sexual morals changed. There
was a growing openness in the area of sexuality. At the same time,
a greater reluctance to interfere in families arose. From 1990, the
safety of the child was central, and a stringent policy was intro-duced in relation to sexual contact between group leaders and
pupils. The development of protocols gathered pace. An action
plan (beleidsbrief) by the Ministry of Welfare, Health and Culture
from 1990 demanded attention to child maltreatment and the
need for cooperation in the approach to it, and announced an
inventarisation of the nature and extent of child maltreatment
in residential care institutions. After this, similar intentions were
repeated a number of times, but they were never adequately
acted upon.
During the entire period described, the sexual abuse of children
was a subject that professionals hardly knew how to tackle. This
discomfort is linked, in part, to the atmosphere of taboo surround-ing sexuality. Even though people were previously familiar with
the phenomenon, sexual abuse has only been articulated as a par-ticular problem for children since the mid-1980s. Since then, more
attention has been given to its traumatic character than was the
case in the past. In addition, it is now clearer that the gravity and
complexity of sexual abuse makes great demands on the profes-sionalism of workers in juvenile care and on the functioning of
juvenile care as a system. The professionalism of juvenile care has
clearly improved over the last thirty years. That it has not
improved as much as one would wish is partly to do with the com-plexity of the phenomenon of sexual abuse; its seriousness makes
it essential to make quick progress with the development of this
professionalism.
Nature, extent and consequences
It is not easy to ‘measure’ the extent of sexual abuse. This is true
for sexual abuse in general and, to a greater extent, for the abuse
that was examined by the committee.
From the literature and from the discussions with victims, we
know that our assumption must be that victims report less sexual
abuse than has occurred. In other words, under-reporting is taking
place. The reports into the past commissioned by the committee
show that it is not possible to achieve a clear picture of the nature
and extent of sexual abuse. A lot of information was not recorded,
and the archives have been cleaned up in accordance with regula-tions. This tallies with what the victims told the committee. If they
reported the abuse, they were mostly not believed, or were pun-ished for their ‘lies’ and ‘dirty talk’.
Sexual abuse is also occurring now, as research into the preva-lence in 2010 shows. The research produced a number of striking
results. For example, professionals actually perceive less than 2%
of the number of cases that are reported by children. In a large
number of the cases, the young people are unwilling to reveal the
name of the perpetrator. When the victims did want to, they
reported that in more than half of the incidents, the perpetrator
was younger than 21 years old. It is also notable that the children
state that one third of the cases involved a female perpetrator (or
co-perpetrator), while almost only male perpetrators are to be
found in official records. The investigation established that abuse
by group leaders or foster fathers can go on for years. Not only
assaults, but also rapes, take place. The researchers conclude that
the risk of sexual abuse is inherent in juvenile care. This is due to
the organisation of the care, the complexity of the issue and the
deeply troubled background of the children (together in care), the
position of power of the professionals and foster parents, and the
fact that physical contact is unavoidable and sometimes also
sorely needed. Juvenile care is a setting in which the risk of sexual
abuse is relatively high, and the risk of detection and reprisals for
perpetrators is low.
On average, children in care reported almost twice as often
(143 per 1000) as average Dutch children (74 per 1000 children)
that they were sexually abused in 2010. A closer analysis of the
facts shows that primarily children in residential institutions
reported an increased prevalence (194 per 1000), while children in
foster care didn’t report an increased prevalence (55 per 1000). The
researchers state that these differences are probably greater in
reality. A comparison within the group of children in care that was
investigated shows that children in residential juvenile care
146
10. Summary
147
10. Summary
reported over 2.5 times more sexual abuse than children in foster
care (229 per 1000 and 88 per 1000, respectively). This difference
is significant, and also large in an absolute sense. There was no
significant difference in the chronic nature of the sexual abuse
between foster families and residential institutions. Girls are
victims more than twice as often as boys (264 per 1000 versus
126 per 1000), this, too, is a significant difference. On the basis of
reports from people working with children with intellectual dis-abilities or mild intellectual disabilities, it appears that these chil-dren are victims of sexual abuse over three times more often than
children without such an intellectual disability.
The consequences of sexual abuse are serious, also in the long
term. Victims who are currently dealing with problems stemming
from their past find it difficult to put their stories and questions
behind them. It is clear that help must be offered when physical
and/or psychological damage has been incurred. In mid-2011, at
the urgent request of the committee, there was a promise from
political quarters that provision would be made, whereby the per-sonal charge for psychological health services (ggz) would no
longer necessarily hinder this category of victims from obtaining
help. In addition, the committee has stated a number of times
that a reporting centre such as the committee’s must also be
maintained after the committee has been dissolved. While there
are many reporting centres, these are all intended for current
cases.
Perpetrators of sexual abuse in juvenile care
The various investigations that the committee commissioned into
the incidence of sexual abuse all show that in approximately half
of the cases, the perpetrator was a peer of the victim. In-depth
research was undertaken into the backgrounds of convicted per-petrators. On average, juvenile perpetrators are 15 years old at the
time of the abuse. They usually live with the victims in residential
institutions or are their foster brothers. They are principally native
Dutch and retarded or have a mild intellectual disability. The adult
perpetrators are, on average, 37 years old, and they are also mainly
native Dutch. Only rarely do they have a previous conviction for
sexual or other offences. In contrast with the young perpetrators,
the adult perpetrators are of average to above-average intelli-
gence. Paedophilia is rarely diagnosed. It is notable that about
one third of these perpetrators were themselves mistreated,
neglected or abused in their youth. The research into perpetra-tors shows that it is unlikely that additional screening of profes-sionals who work with children would prevent sexual abuse. The
perpetrators usually have no marked characteristics. By far the
majority of perpetrators do not intend to sexually abuse children
when they start to work with children as group leaders or foster
parents.
Mechanisms
The process that ultimately leads to abuse does not always begin
with a sexual interest in the young person. The mutual relations
in a residential group are complex, the pecking order changes con-stantly as residents come and go, there are scapegoats, and mutu-ally affective bonds develop. While group leaders are more distant
from this, they also form part of this system. Reciprocal affection
can thus develop between a group leader and a pupil that ulti-mately results in a sexual transgression. The danger of group
leaders who feel ‘more than a click’ with a young person is also
true, to an even greater extent, of a foster parent. After all, there
are situations in a foster family that involve more intimacy than
in a residential group. Relatively little is known about the process
by which care providers and foster parents become perpetrators.
The committee finds it advisable that greater insight be acquired
into these processes in order to better equip foster parents, group
leaders and other professionals with knowledge and skills, so that
they gain a better understanding of the risks to themselves and
in their environment.
The government response to signs of sexual abuse
After signs of sexual abuse have been identified, the government
can respond to them in two ways: by means of criminal law and
by means of supervision by the inspectorate.
The research relating to the period between 1945 and 1990
made it clear that professionals and managers in child protection
were confronted with only a small number of cases of sexual
abuse. That is to say, it has not been possible to find much specific
information in the archives of either the institutions or the gov-148
10. Summary
149
10. Summary
ernmental organizations. However, the phenomenon of sexual
abuse occurs with such a frequency that awareness of it has
arisen at various levels. It evokes a variety of responses. In less
‘serious’ cases there is a general tendency to put an end to the
undesirable situation with as little fuss as possible: children are
moved to other institutions, staff members are dismissed. The
inspectorate keeps a close watch in this kind of case. The surviving
recorded descriptions of responses to incidents do give the
impression that the government takes action, but they are too few
in number to be able to draw general conclusions from them.
Criminal law is only partly considered an adequate recourse. Only
very few cases go to court. In as far the limited source material
makes it possible to draw any conclusion, this would have to be
that such cases concern grave incidents, or long-lasting and struc-tural abuse.
With regard to the police and the Public Prosecutor, for the
period up until 1990, the committee can only draw conclusions on
the basis of the informants’ reports. The police and the Public Pros-ecutor were hardly called. Most victims did not report the crimes,
and if a crime was reported, according to the informants, this
tended not to lead to prosecution, owing to insufficient evidence.
The Public Prosecutor did not adopt a special approach to sexual
offences until the end of the 1980s.
Due to the changing social climate in recent decades, victims
of sexual abuse in residential juvenile care and foster care were
gradually taken more seriously. There was a strong need for
greater clarity regarding the approach to this. At the request of
the Ministry of Welfare, Health and Culture, general guidelines for
action in the case of suspicions of sexual abuse were developed.
These did not specifically apply to the residential sector and foster
care. The Inspectorate for Youth Care put strong emphasis on the
development of protocols. At the end of the 1980s and beginning
of the 1990s, a few sexual offence cases that were widely known
at the national level, convinced the police and the Public Prosecu-tor of the need for more policy and more expertise. The committee
found that the police handling of cases in which crimes were
reported in the last 10 years could be regarded as logical and
understandable. The same is true for the Public Prosecutor for the
last 20 years.
Reports made to the Health Care Inspectorate dating from
2008, 2009 and 2010 on children with an intellectual disability or
mild intellectual disability show that in half of these cases, the
crime was also reported to the police. People frequently decide not
to report a crime, because there is an unwillingness to confront
these young people with laborious judicial procedures that often
have an uncertain outcome. In the vast majority of the cases
(94%), the inspectorate did not know at the time of the report
whether the incident had been brought to the Public Prosecutor.
As mentioned above, the Ministries of S&J and HWS differ
regarding their control over security in the judicial sector and the
juvenile care sector, respectively. The Ministry of S&J exercises
more control than the Ministry of HWS, which leaves taking care
of security more to the sector itself. It is obvious that control is
only a precondition for protection against sexual abuse. For the
actual protection, the professionalism of staff members plays a
larger role.
The current protection of children
The committee worked from the perspective of the child, whose
interests it considers to be central. The protection mechanisms in
residential juvenile care and foster care have been mapped out on
the basis of a concentric model. The child forms the central point,
surrounded by the people and bodies who have been designated
to protect them in the different circles. The analysis of the protec-tion system was based on the principle that for their protection, a
child is primarily dependent on the people who are closest to
them in everyday life, that is, the people in the innermost circle.
This innermost circle contains the parents (or foster parents), chil-dren (or foster children), group leaders, peers and teachers.
When young people – usually of both sexes – are with each
other on a daily basis, sexuality is constantly ‘in the air’. Just like
young people in a residential group, children who are placed in a
foster family, for reasons of protection, bring with them the conse-quences of their experiences of abuse, violence and/or neglect.
These consequences – among other things, in terms of having
fewer defences, being over-dependent, having low self-esteem and
confusing sex with affection – increase their vulnerability, includ-ing to sexual abuse.
150
10. Summary
151
10. Summary
Despite this, numerous studies in this area show that sexual
development, norms of sexual behaviour and, linked to this, the
theme of sexual abuse, hardly have a place in the training and the
work agendas of professionals, in terms of training, supervision,
consultation, reflection and rules. If it is adequately addressed
when preparing foster parents for foster-parenthood, then after-wards, it often receives too little attention in supervision. When
the subjects are included in an institution’s agenda, the essential
peer supervision and work guidance are the first to perish when
financial cuts occur or workload increases.
Every residential setting has rules, forms of control, supervision
and discipline that are essential. However, an overly one-sided
culture of maintaining rules can mean that with sexually trans-gressive behaviour, the emphasis lies more on the taking of post-facto measures for the maintenance of order and the protection
of the institution, and less on pre-emptive action and a therapeu-tic response. A repressive climate hinders young people from
turning to leaders with sensitive information. An atmosphere of
power and intimidation between adults themselves, between
adults and young people and between young people themselves,
can play a role in the forcing of sex and in maintaining a culture
of keeping silent about this.
Due to incomplete records, group leaders and foster parents
often have insufficient knowledge of the background and behav-iour of a child, which can hinder the development of an effective
approach and treatment. As a result, children with (too) complex
problems can be placed in foster families that are not appropriate
for the child in question, or a child can be placed in a group in
which he or she does not fit.
In the practice of residential juvenile care, there is great confu-sion about how best to act where sexuality is concerned. Children
are placed together in peer groups. Their sexual development is
accompanied by (mutually) experimental behaviour and the
pushing of boundaries. Youth workers and group leaders are
insufficiently equipped and lack methods of discussing this with
the young people and with each other. The high rate of staff
turnover in many teams means that a safe basis to talk openly
about this difficult subject is often lacking. Sufficient continuity
in the team is also a condition for young people to enter into a
relationship of trust with a group leader. If there is an absence of
trust, then young people will not talk so readily about sexuality
and sexual abuse. In practice, in foster care, the contact between
the foster family and the family guardian is often not frequent
enough to realise such a relationship of trust.
Prevention is better than cure. Gathering references on new
personnel is a must, but so is giving honest references for person-nel when they leave. During the application procedure, attention
should be paid to talking about sexuality and sexual abuse. The
applicant should show that they realise that, and how, their own
possibly traumatic childhood experiences can play a role in their
work. In preparing aspiring foster parents for foster-parenthood,
sexuality should also be given sufficient attention.
The ambiguity of the signs and, with this, the uncertaintyabout
what exactly is going on, raises the bar for reporting suspicions of
sexual abuse. Not everyone knows what they should do when they
spot potential sexual abuse, which is why indications have not
always been reported to the official bodies. This is also because
there are so many – and sometimes too many – bodies and offi-cials that no one feels that they are problem owner, so that no one
takes the lead in dealing with (suspected) sexual abuse.
Conclusions
• During the entire period investigated, the government knew of
the incidence of the sexual abuse of the children that it had put
into care. Just like the rest of society, for years, the government
knew almost nothing of the effects this abuse had on children,
or the extent to which it occurred. Few cases ended up in the
criminal justice system. When this did occur, the response was
understandable. For twenty years, the government has done
nothing about the wish that it had expressed in 1990, to gain
insight into the nature and extent of sexual abuse in juvenile
care institutions. The Ministry of HWS has left the development
of policy too much to the sector itself. However, the Ministry of
S&J did play a steering role.
• There has always been sexual abuse in residential juvenile care
and foster care. In residential juvenile care, the risk is more
than 2.5 times higher than for the average Dutch child. Girls are
victims more than twice as often as boys, and children with an
152
10. Summary
153
10. Summary
intellectual disability or mild intellectual disability are victims
three times more often than children in care without such an
intellectual disability.
• More than half of the perpetrators are peers, often a member
of the same group. The adult perpetrators have no marked
characteristics. By far the majority of perpetrators did not
intend to sexually abuse children when they started their work
as group leaders or foster parents. It is unlikely that additional
screening could prevent sexual abuse.
• The sector is insufficiently able to recognise sexual problems,
make them subject of discussion and intervene effectively.
• General problems surrounding cooperation, communication
and leadership in juvenile care are particularly manifest with
regard to the spotting of sexual abuse. This is linked to the
complexity of the phenomenon and the impact that it has on
all those involved, primarily the child. Dealing with these
general problems must therefore go hand-in-hand with invest-ing in the professionalism that this complexity demands.
Recommendations
The committee assumes that measures that focus on the direct
environment of the child can make the greatest contribution to
preventing sexual abuse and bringing such abuse to light in a
timely manner. Therefore, they advise that the quality be
improved here as far as possible.
The recommendations are divided into eight themes, beginning
with (A) professionalisation. At all levels, a serious professionali-sation of the sector is needed in the area of sexuality, sexual
development (including unhealthy sexual development), and the
sexual abuse of children and young people. (B) The recommenda-tions in the second theme are focused on the two circles directly
surrounding the child. Subsequently, the committee makes a dis-tinction between recommendations focused on (C) residential
juvenile care and recommendations that concentrate on (D) foster
care. Then follow (E) the system and (F) politics. The committee
issues some additional general notes to the profession, politics
and society and recommends more detailed academic research
(G). Finally, the committee discusses the implementation (H).
Youth Care Netherlands is aware of the gravity of the problem and
is working on a quality framework for the organisations involved.
Sexual abuse in juvenile care is a complex and tough problem, to
which there are no easy solutions. It requires an approach from
multiple sides, commitment from very responsible official, from
top to bottom. It also requires patience and persistence on the
part of politicians and policymakers, and a society-wide recogni-tion of the fact that risks are inherent in work in juvenile care.
154
10. Summary
155
Literatuur
Algemene Rekenkamer (2012).Centra voor Jeugd en Gezin in
gemeenten; een samenwerkingsproject met gemeentelijke reken-kamers
Alink, L.R.A., Euser, S., Tharner, A., Van IJzendoorn, M.H. van & Baker-mans-Kranenburg, M.J. (2012).Prevalentie Seksueel Misbruik in
de Nederlandse Jeugdzorg in 2008-2010: Een Kwantitatieve
Studie. Den Haag: Boom
Alink, L.R.A., Euser, S., Tharner, A., IJzendoorn van, M.H. & Baker-mans-Kranenburg, M.J. (2012).Prevalentie Seksueel Misbruik bij
Kinderen met een Lichte Verstandelijke Beperking in de Neder-landse Jeugdzorg in 2008-2010: Een Kwantitatieve Studie. Den
Haag: Boom
Baartman, H. (2010). ‘Werken met angst’,Ouderschapskennis,13,
125-141
Beck, J.J., Bekker, M.D., Driel, M.F. van, Roshani, H., Putter, H., Pelger,
R.C. & Elzevier, H.W.(2011). ‘Prevalence of Sexual Abuse among
Patients Seeking General Urological Care’,Journal of Sexual
Medicine, 8, 2733-2738
Beleidsbrief staatssecretarissen WVC en Justitie. Bestrijding van
kindermishandeling (1990).Het is niet de vraag of het kan maar
weten dat het moet, TK 21 938, nrs. 1 en 2
Berg, D. van den & Goot, S. van der (2012).Soms kun je het alleen
maar fout doen.Den Haag: Boom
Boonstra, J.J. (2010).Leiders in cultuurverandering. Koninklijke Van
Gorcum: Assen
Brief Kinderombudsman aan de Algemene commissie voor Jeugd-zorg, d.d. 18 juni 2012
Brief van minister en staatssecretaris WVC, d.d. 4 maart 1991,
TK 1990-1991, 22 028, nrs. 1 en 2
Commissie Seksueel Misbruik van Jeugdigen (1994).Handelen bij
vermoeden van seksueel misbruik van kinderen en jeugdigen:
Richtlijnen voor beroepsbeoefenaren. Van Gorcum/Dekker &
van de Vegt: Assen
Dekker, J.J.H., Dane, J., Walhout, E.C. (2012).Overheid en gedwongen
jeugdzorg: een nader onderzoek naar toezicht en inspectie in de
periode na de Tweede Wereldoorlog tot midden jaren tachtig.
Den Haag: Boom
Dekker, J.J.H., Amsing, Bijl, M.I. van der, Dekker, M., Grietens, H.,
Harder, A., Koedijk, P.C.M., Parlevliet, S., Schreuder, P., Talhout, M.
& Timmerman, M.C. (2012).Jeugdzorg in Nederland 1945-2010.
Resultaten van deelonderzoek 1 van de commissie-Samson. His-torische schets van de institutionele ontwikkeling van de jeugd-sector vanuit het perspectief van het kind en de aan hem/haar
verleende zorg.Den Haag: Boom
Draijer, P.J. (1988).Seksueel misbruik van meisjes door verwanten;
een landelijk onderzoek naar de omvang, de aard, de gezinsach-tergronden, de emotionele betekenis en de psychische en psycho-somatische gevolgen. Den Haag: Ministerie van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid
Elzevier, H.W. (2008),Female sexual function in urological practice.
Doctoral thesis. Leiden University Medical Center
Felitti, V.J. (2002). ‘The relationship between adverse childhood
experiences and adult health turning gold into lead’.The Per-manente Journal, 6: 44-47
Finkelhor, D. & Browne, A. (1986). ‘Initial and long-term effects: a
conceptual framework’. In: D. Finkelhor (ed.).A sourcebook on
child sexual abuse. Beverly Hills, CA: Sage Publications
Gerritsen, E. (2011).De slimme gemeente nader beschouwd: Hoe de
lokale overheid kan bijdragen aan het oplossen van ongetemde
problemen.Amsterdam: Amsterdam University Press
Green, L. (2005). ‘Theorizing sexuality, sexual abuse and residential
children’s homes: adding gender to the equation’.British Jour-nal of Social Work, 35, 453-481
Grietens, H. (2012).Seksueel misbruik van kinderen in de pleegzorg.
Deelrapportage bij deelonderzoek 4: Aard en omvang van seksu-eel misbruik in de jeugdzorg in de periode 1945-2007.Den Haag:
Boom
Hayden, C. (2010). ‘Offending behaviour in care: is children’s resi-dential care a “criminogenic” environment?’Child & Family
Social Work, 15, 461-472
156
Literatuur
157
Literatuur
Horst, W. ter (1977).Herstel van het gewone leven. Groningen:
Wolters Noordhoff
Jong, R. de (2012).Daders van seksueel misbruik van onder toezicht
gestelde kinderen: een verkennende studie.Den Haag: Boom
Kempe, C.H., Silverman, F.N., Steele, B.F., Droegemueller, W. & Silver,
H.K. (1962). ‘The battered child syndrome’.Journal of the Ameri-can Medical Association, 181, 17-24
Klaveren, S.J. van, Rossem-Broos, R.S.T. van & Wit, L.A.J.M. de (2012).
Onderzoek OM-afdoeningen van seksueel misbruik in de residen-tiële jeugdzorg en pleegzorg. Den Haag: Boom
Korfker, D. & Vink, R. (2007).Inventarisatie van aandacht voor Hui-selijk Geweld, Seksueel Geweld en Kindermishandeling in de
beroepsopleidingen Jeugd(gezondheids)zorg tot 12 jaar. TNO:
Leiden
Lamers-Winkelman, F. & Tierolf, B. (2012).Literatuurstudie, inter-views en dossierstudie seksueel misbruik in pleeggezinnen en
instellingen voor jeugdzorg.Den Haag: Boom
Lünnemann, K.D., Six, F.E. & Smit, W. (2012).Seksueel misbruik in de
jeugdzorg. Governance vanuit het kindperspectief.Den Haag:
Boom
Ministers voor Jeugd en Gezin en van Justitie (2007).Actieplan
Aanpak Kindermishandeling; kinderen veilig thuis, TK 2006-2007, 31 015, nr.16
Montfoort, A. van (1994).Het topje van de ijsberg: Kinderbescher-ming en de bestrijding van kindermishandeling in sociaal-juri-disch perspectief. SWP: Utrecht
Nagtegaal, M.H. (2012).Gerapporteerde problemen van slachtoffers
van seksueel misbruik in de kindertijd: een metareview.Den
Haag: WODC
Parlementaire werkgroep Toekomstverkenning Jeugdzorg.Jeugd-zorg dichterbij, TK 2009-2010, 32 296, nr. 7
Rittel, H.W.J. & Webber, M.M. (1973). ‘Dilemma’s in a general theory
of planning’,Policy Sciences, 4, 155-169
Sleutel, J. & de Ruyter, D. (2011), ‘What should be the moral aims of
compulsary sex education’,British Journal of Educational
Studies, 59, 75-86
Staatssecretaris VWS en minister VenJ,Actieplan aanpak kinder-mishandeling ‘Kinderen Veilig’, TK 2011-2012, 31 015, nr. 69
Timmerman, M.C., Schreuder, P.R., Harder, A.T., Dane, J., Klein, M.
van der & Walhout, E.C. (2012).Aard en omvang van seksueel
misbruik in de residentiële jeugdzorg en reacties op signalen van
dit misbruik (1945-2008).Den Haag: Boom
Turnell, E. & Essex, S. (2010).Als er ‘niets aan de hand’ is: Een oplos-singsgerichte methode bij ontkenning van kindermishandeling.
Bohn Stafleu van Loghum: Houten
UNICEF Nederland & Defence for Children (2012).Jaarbericht Kin-derrechten 2012
Verenigde Naties (1989).Internationaal Verdrag inzake de Rechten
van het Kind
Vermaak, H. (2009).Plezier beleven aan taaie vraagstukken; wer-kingsmechanismen van vernieuwing en weerbarstigheid.Deven-ter: Kluwer
VSK (1982).De straf op zwijgen is levenslang. Nijgh & Van Ditmar
Wiarda, J.J. (2011).Onderzoek naar seksueel misbruik van kinderen
die onder verantwoordelijkheid van de overheid zijn geplaatst in
instellingen en bij pleegouders. Beschrijving van het relevante
juridische kader. Den Haag: Boom
Wijk, A.Ph. van & Ferwerda, H.B. (2012).Seksueel misbruik in de
jeugdzorg. Onderzoek op basis van politieregistraties in opdracht
van de commissie-Samson.Den Haag: Boom
Wissink, I.B., Stams, G.J.J.M., Vugt, E.S. & Moonen, X. (2012).Seksueel
Grensoverschrijdend Gedrag en Misbruik bij Kinderen en Jonge-ren met een (Licht) Verstandelijke Beperking. Den Haag: Boom
158
Literatuur
159
Lijst van afkortingen
AMK Advies- en Meldpunt Kindermishandeling
BJZ Bureau Jeugdzorg
BVA Bureau Vertrouwensarts inzake kindermishandeling
CJG Centrum voor Jeugd en Gezin
ggz Geestelijke Gezondheidszorg
IGZ Inspectie Gezondheidszorg
IJZ Inspectie Jeugdzorg
IVRK Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind
JJI Justitiële jeugdinrichting
JN Jeugdzorg Nederland
KNMG Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot
Bevordering der Geneeskunst
LVB Licht verstandelijk beperkt
OM Openbaar Ministerie
OTS Ondertoezichtstelling
RvdK Raad voor de Kinderbescherming
SHN Slachtofferhulp Nederland
VenJ Veiligheid en Justitie
VKM Vereniging tegen Kindermishandeling
VOG Verklaring Omtrent het Gedrag
VSK Vereniging tegen Seksuele Kindermishandeling
VWS Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Wjz Wet op de jeugdzorg
WODC Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
WVC Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur

Bijlage III

Verantwoording Commissie Samson

Deel 2
Verantwoording

1. De commissie
Op 31 maart 2010 kondigden de toenmalige ministers voor Jeugd
en Gezin en van Justitie in een brief
1
aan de Tweede Kamer een
onderzoek aan naar signalen van (seksueel) misbruik van kinde-ren die onder verantwoordelijkheid van de overheid zijn geplaatst
in rijksjeugdinrichtingen en particuliere jeugdinrichtingen.
Daarbij diende tevens te worden onderzocht of destijds signalen
van vermeend misbruik bekend waren bij overheidsinstanties en
zo ja, hoe de overheidsinstanties zijn omgegaan met dergelijke
signalen. Voorts werd een inventarisatie aangekondigd van (het
functioneren van) de huidige mechanismen voor signalering van
(seksueel) misbruik van kinderen. De Tweede Kamer is spoedig
daarna geïnformeerd over de precieze opzet en inrichting van het
onderzoek.
Mevrouw H.W. (Rieke) Samson-Geerlings werd bereid gevonden
als voorzitter van de onderzoekscommissie op te treden. De com-missie is vervolgens in overleg met de voorzitter samengesteld.
Bij de samenstelling van de commissie is gezocht naar leden met
specialismen op het te onderzoeken terrein. De commissie is
ondersteund door een secretaris, tevens projectdirecteur van het
secretariaat, drs. C.J. (Christiaan) Ruppert. De commissie trad naar
buiten onder de naam van haar voorzitter als de commissie-Samson. In deze verantwoording wordt verder gesproken over de
commissie.
De commissie kwam voor het eerst bijeen op 10 augustus 2010 en
is formeel ingesteld op 16 augustus 2010,
2
waarbij als leden
werden benoemd:
163
1 Brief 31 maart 2010, TK 2009-2010, 32123-VI, nr. 91.
2 Instellingsbesluit 16 augustus 2010, Staatscourant 2010 13487.
• mr. H.W. (Rieke) Samson-Geerlings, voormalig procureur-generaal, voorzitter
• dr. P.C.M. (Nelleke) Bakker, universitair hoofddocent historische
pedagogiek aan de Rijksuniversiteit Groningen (lid tot en met
31 december 2011)
• prof. dr. mr. C.C.J.H. (Catrien) Bijleveld, hoogleraar methoden en
technieken van criminologisch onderzoek aan de Vrije Univer-siteit te Amsterdam en senior onderzoeker Nederlands Studie-centrum Criminaliteit en Rechtshandhaving
• dr. S. (Sietske) Dijkstra, lector huiselijk geweld en hulpverlening
in de keten aan de Hogeschool Avans te Breda en ’s-Hertogen-bosch
• prof. dr. mr. G.D. (Goos) Minderman, hoogleraar public gover-nance aan de faculteit der economische wetenschappen en
bedrijfskunde van de Vrije Universiteit te Amsterdam en voor-zitter van het Zijlstra Center.
In de loop van het onderzoek bleek binnen de commissie behoefte
te bestaan aan meer deskundigheid op het gebied van daders van
zedendelicten. Om daarin te voorzien is op 13 oktober 2011 tot lid
van de commissie benoemd:
3
• prof. dr. J. (Jan) Hendriks, bijzonder hoogleraar forensische psy-chiatrie en psychologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam,
en bijzonder hoogleraar forensische orthopedagogische diag-nostiek en behandeling aan de Universiteit van Amsterdam,
tevens klinisch psycholoog bij De Waag.
In december 2011 heeft dr. P.C.M. Bakker zich teruggetrokken. Per
30 januari 2012 is zij vervangen door:
• prof. dr. H.E.M. (Herman) Baartman, emeritus hoogleraar pre-ventie en hulpverlening inzake kindermishandeling aan de
Vrije Universiteit te Amsterdam.
Een aantal leden van de commissie is betrokken (geweest) in het
veld van de jeugdzorg. Uitgangspunt bij de commissie was dat er
164
1. De commissie
3 Wijzigingsbesluiten 13 oktober 2011, Staatscourant 2011, 19198 en 9 februari 2012,
Staatscourant 2012, 5374.
geen sprake van belangenverstrengeling mocht zijn. De commissie
heeft hierover steeds transparant gecommuniceerd door vermel-ding van relevante nevenfuncties op de website.
Volgens het instellingsbesluit diende de commissie binnen twee
jaar na haar instelling een rapport uit te brengen aan de minis-ters. Het is niet haalbaar gebleken om het onderzoek binnen deze
periode te voltooien. Daarom is bij wijzigingsbesluit van 9 febru-ari 2012 de periode waarin gerapporteerd moest worden verlengd
tot 31 december 2012.
Secretariaat
De commissie is ondersteund door een secretariaat onder leiding
van drs. C.J. Ruppert. Het secretariaat is op 16 juli 2010 van start
gegaan, kort voor de eerste vergadering van de commissie, die
plaatsvond op 10 augustus 2010.
Het secretariaat bestond uit 7 fte’s. De medewerkers waren
gedetacheerd vanuit het ministerie van VenJ en het ministerie van
VWS dan wel op contractbasis via het ministerie van VenJ of als
zelfstandige werkzaam. Zij werkten onafhankelijk van de depar-tementen en waren alleen verantwoording schuldig aan de secre-taris. De secretaris legde verantwoording af aan de voorzitter van
de commissie. Niet alle medewerkers zijn gedurende de gehele
duur van het onderzoek betrokken geweest. De medewerkers
van het secretariaat waren: drs. J.A. (Jeroen) Aalderink, P. (Patricia)
de Bruijn, L. (Louis) Cornelisse, K.A.G. (Katja) Crooijmans MSc,
drs. I.H.A.M. (Inge) Daemen, M.E. (Mechteld) Giesen MSc,
mr. D.E.M. (Divera) van den Hoogen, S.S. (Sjulaika) Jarbandhan MSc,
drs. C.J. (Christiaan) Ruppert, mr. I. (Ineke) Otting-Noordhoek,
drs. H. (Hans) Veld en dr. ing. A.T. (Ansgar) Willenborg.
165
1. De commissie
2. Werkwijze
Inleiding
De commissie is ingesteld door de toenmalige ministers van Justi-tie en voor Jeugd en Gezin. In de brief die de ministers op 16 juli
2010
4
aan de Tweede Kamer hebben gestuurd en die een uitwer-king is van de brief van 31 maart 2010 is de taakopdracht aan de
commissie als volgt omschreven:
Het onderzoek heeft in de eerste plaats betrekking op signa-len van seksueel misbruik van minderjarigen die onder
verantwoordelijkheid van de overheid zijn geplaatst in
rijksjeugdinrichtingen, particuliere jeugdinrichtingen en
internaten, kindertehuizen en pleeggezinnen. Dit zijn de
zogeheten gedwongen plaatsingen. Bekend is dat in deze
instellingen en voorzieningen kinderen die vrijwillig en kin-deren die gedwongen geplaatst waren, vaak samen verble-ven. Het onderzoek zal moeten uitwijzen of in de praktijk dit
onderscheid volledig gehanteerd kan worden.
In het onderzoek gaat het in de tweede plaats om de vraag
of deze signalen van misbruik bij de overheid bekend waren
en zo ja, hoe de overheid hierop gereageerd heeft. De verant-woordelijkheid van de overheid is meer dan de vraag of er
wel toezicht uitgeoefend werd op de kinderen en of er inge-grepen werd bij signalen van misbruik. Er is de nodige
kennis vereist over hoe de betrokken instellingen zelf met dit
soort signalen omgingen, hoe de interne cultuur was, beslo-ten of niet, hoe de taakinvulling van de toezichthouders was.
166
4 Brief 16 juli 2010, TK 2009-2010, 32123-VI, nr. 119.
In de derde plaats richt het onderzoek zich op de huidige
mechanismen voor signalering van seksueel misbruik van
kinderen.
De opdracht van de bewindslieden om onderzoek te doen
naar seksueel misbruik van jeugdigen in de residentiële
jeugdzorg en de pleegzorg die gedwongen uit huis waren
geplaatst vroeg om een fundamentele bezinning op taak-stelling en werkwijzen. Het onderwerp seksueel misbruik
van minderjarigen ligt gevoelig, komt bijna dagelijks in de
media en heeft maatschappelijk een grote impact. De onder-zoeksperiode is lang. Het veld kent veel spelers en daarnaast
door de jaren heen vele veranderingen van spelers. Dat alles
tezamen maakte het onderzoek complex.
De commissie is twintig keer samengekomen, heeft twee
keer telefonisch vergaderd en een tweedaagse werkconfe-rentie gehouden. Daarnaast heeft de commissie gesprekken
gevoerd met slachtoffers, (rondetafel)gesprekken gevoerd
met professionals en andere personen, en is zij nauw betrok-ken geweest bij de begeleiding van de verschillende weten-schappelijke deelonderzoeken. De commissie heeft besloten
om na het uitbrengen van haar eindrapport een congres te
organiseren waar de bevindingen worden toegelicht en
waar alle betrokkenen zullen worden uitgenodigd mee te
denken over de implementatie van de aanbevelingen.
De commissie heeft zich bij de organisatie en uitvoering van haar
opdracht afgevraagd vanuit welke invalshoek zij het onderzoek
zou verrichten. Het antwoord was primair vanuit het slachtoffer.
De eerste actie van de commissie was daarom de inrichting van
een meldpunt waar slachtoffers en anderen melding konden doen
van individuele gevallen van seksueel misbruik van uit huis
geplaatste minderjarigen. Naar aanleiding van de binnengeko-men meldingen ontstond er bij de commissie zorg voor zowel de
minderjarige slachtoffers die recentelijk misbruikt zijn als voor
degenen die in hun jeugd misbruikt zijn en inmiddels volwassen
zijn. In de eerste vergadering van de commissie is afgesproken dat
indien de commissie signalen zou krijgen van actueel en schrij-167
2. Werkwijze
nend misbruik, dit meteen bij het OM gemeld zou worden, zodat
snel kon worden ingegrepen. Melders werden bij actueel misbruik
tevens geattendeerd op het Advies- en Meldpunt Kindermishan-deling (AMK). Ook de vraag hoe voorzien kon worden in hulpverle-ning aan slachtoffers kwam aan bod. Daarbij realiseerde de
commissie zich dat zij slechts gedurende beperkte tijd deze pro-blematiek onder haar hoede heeft. Daarom is zo veel mogelijk
naar structurele oplossingen in het veld zelf gezocht.
Verder is nagedacht over de reikwijdte van het onderzoek, de defi-nitie van seksueel misbruik, de onderzoeksopzet, het gebruik van
en de relatie tussen de verschillende informatiebronnen, de ver-houding tot het onderzoek van de commissie-Deetman, de samen-loop met de strafrechtelijke procesgang en de communicatie over
het werk van de commissie.
Bij het onderzoek naar seksueel misbruik hebben de behoeften,
de rechten en de belangen van het kind centraal gestaan. Vanuit
dit normatieve perspectief zijn er bijvoorbeeld analyses gemaakt
van de bescherming van het kind, van de voor het kind merkbare
oplossingen van problemen en van de rol die het kind en diens
directe omgeving daarin spelen. Het gaat dan niet over de nale-ving van wetten of protocollen, maar om een meer persoonsge-richte oplossing waarin het kind zich herkent. Daarbij heeft de
commissie ook nadrukkelijk aandacht gehad voor seksueel mis-bruik in pleeggezinnen. De aandacht voor seksueel misbruik in
de pleegzorg lijkt lange tijd te zijn achtergebleven bij de aandacht
daarvoor in de residentiële jeugdzorg.
Reikwijdte van het onderzoek en definitie
De onderzoeksopdracht bestrijkt een lange periode en een
complex veld. De commissie heeft uitvoerig stil gestaan bij de
vraag hoe zij haar onderzoek moest afbakenen. Vanzelfsprekend
gaf de opdracht van de bewindslieden al enig houvast. Het moest
gaan om:
a.seksueel misbruik
b.seksueel misbruik vanaf 1945
168
2. Werkwijze
c. seksueel misbruik van jeugdigen vanaf 1945
d.de gezagsbeslissing
e. uithuisplaatsing van jeugdigen.
Toch gaven deze begrippen nog veel stof tot discussie. Want moet
bij het begrip ‘seksueel misbruik’ gekeken worden naar geldende
maatschappelijke opvattingen of eerder naar bepalingen in het
Wetboek van Strafrecht? ‘Seksueel misbruik’ is geen term die let-terlijk in het Wetboek van Strafrecht gedefinieerd wordt. Hoe
moet worden omgegaan met wijzigingen in de zedelijkheidswet-geving? Kan er sprake zijn van seksueel misbruik als de minder-jarige op vrijwillige basis seks had met de vermeende dader?
Besloten is aansluiting te zoeken bij Titel XIV van het Wetboek van
Strafrecht, maar dit wel te beperken tot de bepalingen waarin
sprake is van lichamelijk contact, de zogenoemde hands-on delic-ten. De reden voor deze keuze is drieledig. De eerste reden is dat
een beperking tot alleen hands-on delicten correspondeert met
een aantal zedendelicten zoals in het Wetboek van Strafrecht
omschreven. De tweede is dat de beperking tot seksueel misbruik
waarbij fysiek contact is tussen dader en slachtoffer een heldere
definitie en afgrenzing geeft. De derde reden is dat daarmee het
accent ligt op de ernstigste vormen van seksueel misbruik.
De commissie realiseert zich dat de bepalingen in de artikelen
248c t/m 248e van het Wetboek van Strafrecht, waarin het tonen
van porno, seksueel corrumperen en grooming strafbaar zijn
gesteld, niet onder de gebruikte afbakening van de commissie
vallen. Er is voor de ernstigste en duidelijkst te interpreteren vorm
van seksueel misbruik gekozen.
Ook het onderzoek aan of in het lichaam om medische redenen
zoals een gynaecologisch onderzoek of ter controle op het bezit
van verdovende middelen (visitatie), valt buiten de onderzoeksop-dracht, omdat er daarbij geen sprake is van seksueel misbruik en
er een wettelijke grondslag is voor het aanraken van het lichaam.
Bij het begrip ‘jeugdigen’ is aangesloten bij de leeftijdsgrenzen
van artikel 1:233 van het Burgerlijk Wetboek. Complicatie hierbij
was de verlaging van de meerderjarigheidsleeftijd van 21 naar
18 jaar in 1988. De bepaling van het begrip ‘jeugdigen’ is daarom
169
2. Werkwijze
vastgesteld op basis van de op het moment van het misbruik gel-dende wetgeving.
Onder ‘op gezag van de overheid’ is verstaan een maatregel van
kinderbescherming, een vrijheidsbenemende of vrijheidsbeper-kende maatregel indien deze gepaard ging met uithuisplaatsing
van de jeugdige of vreemdelingenbewaring.
5
In alle situaties
moest het dus gaan om een rechterlijke beslissing. Dat betekent
dat vrijwillige plaatsing in de jeugdzorg buiten het onderzoeks-bereik valt. In het onderzoek was het niet altijd mogelijk om de
zaken precies uit te splitsen, bijvoorbeeld omdat jongeren in
instellingen en gezinnen daar zowel gedwongen geplaatst waren
als vrijwillig verbleven.
Wanneer het seksueel misbruik plaatsvond op een moment dat
de minderjarige uit huis was geplaatst, maar feitelijk niet direct
onder de verantwoordelijkheid van de uitvoerders van de maat-regel viel, bijvoorbeeld tijdens verlof, buiten de instelling of buiten
het pleeggezin, viel de zaak buiten het onderzoeksbereik. Vanwege
de ernst van het onderwerp en het grote aantal meldingen van
seksueel misbruik buiten het onderzoeksbereik heeft de commis-sie hieraan toch enige aandacht besteed. Hierop wordt in deel 3
van het rapport teruggekomen.
Tot slot heeft de commissie zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij
de definitie die de Rijksoverheid
6
gebruikt. Wel is het bereik op een
170
2. Werkwijze
5 Vreemdelingenbewaring van jeugdigen wordt ten uitvoer gelegd in justitiële
jeugdinrichtingen. Omdat het om een vrijheidsbenemende maatregel van de rechter
gaat, valt deze titel binnen het onderzoeksdomein. De opvang van alleenstaande min-derjarige vreemdelingen (AMV’s) hoort daar niet toe.
6 Zie Postbus 51.
7 Tekst en commentaar Personen en Familierecht. Artikel 16 IVRK luidt: ‘1. Geen enkel
kind mag worden onderworpen aan willekeurige of onrechtmatige inmenging in zijn
of haar privéleven, in zijn of haar gezinsleven, zijn of haar woning of zijn of haar corres-pondentie, noch aan enige onrechtmatige aantasting van zijn of haar eer en goede
naam. 2. Het kind heeft recht op bescherming door de wet tegen zodanige inmenging
of aantasting.’
Artikel 19 IVRK luidt:
‘1. De Staten die partij zijn, nemen alle passende wettelijke en bestuurlijke maatre-gelen en maatregelen op sociaal en opvoedkundig gebied om het kind te beschermen
tegen alle vormen van lichamelijk of geestelijk geweld, letsel of misbruik, lichamelijke
of geestelijke verwaarlozing of nalatige behandeling, mishandeling of exploitatie, met
inbegrip van sexueel misbruik, terwijl het kind onder de hoede is van de ouder(s),
wettige voogd(en) of iemand anders die de zorg voor het kind heeft.
2. Deze maatregelen ter bescherming dienen, indien van toepassing, doeltreffende
procedures te omvatten voor de invoering van sociale programma’s om te voorzien in
de nodige ondersteuning van het kind en van degenen die de zorg voor het kind
belangrijk punt uitgebreid, namelijk met het misbruik door leef-tijdgenoten. De reden hiervoor is dat naar het oordeel van de com-missie de overheid zoveel mogelijk bescherming moet bieden
tegen risico’s en dient te zorgen voor een zo veilig mogelijk leefkli-maat op het moment dat zij de ouders hun verantwoordelijkheid
ontneemt. Deze zienswijze komt overeen met de artikelen 16, 19 en
20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind
(IVRK)
7
en is in lijn met de opvatting van de Inspectie Jeugdzorg.
8
De commissie heeft de volgende definitie van seksueel misbruik
gehanteerd:
Seksueel misbruik van kinderen is seksueel contact van
( jong)volwassenen met kinderen jonger dan 18 jaar (tot 1988
21 jaar). Deze lichamelijke contacten zijn tegen de zin van het
kind of zonder dat het kind deze contacten kan weigeren.
Daders zetten het kind emotioneel onder druk, dwingen het
kind of weten door hun overwicht te bereiken dat het kind
geen nee durft te zeggen tegen seksuele toenaderingen.
Voor het onderzoek naar seksueel misbruik van jeugdigen
die op gezag van de overheid in instellingen of pleeggezin-nen zijn geplaatst, wordt hieronder tevens begrepen seksu-eel misbruik door groepsgenoten of door andere kinderen in
het pleeggezin,
9
waartegen de volwassene uit hoofde van
zijn functie bescherming had moeten bieden.
171
2. Werkwijze
hebben, alsmede procedures voor andere vormen van voorkoming van en voor opspo-ring, melding, verwijzing, onderzoek, behandeling en follow-up van gevallen van kin-dermishandeling zoals hierboven beschreven, en, indien van toepassing, voor
inschakeling van rechterlijke instanties.’
Artikel 20 IVRK luidt:
‘1. Een kind dat tijdelijk of blijvend het verblijf in het gezin waartoe het behoort,
moet missen, of dat men in zijn of haar eigen belang niet kan toestaan in het gezin te
blijven, heeft recht op bijzondere bescherming en bijstand van staatswege.
2. De Staten die partij zijn, waarborgen, in overeenstemming met hun nationale
recht, een andere vorm van zorg voor dat kind.
3. Deze zorg kan, onder andere, plaatsing in een pleeggezin omvatten, kafalah
volgens het islamitische recht, adoptie, of, indien noodzakelijk, plaatsing in geschikte
instellingen voor kinderzorg. Bij het overwegen van oplossingen wordt op passende
wijze rekening gehouden met de wenselijkheid van continuïteit in de opvoeding van
het kind en met de etnische, godsdienstige en culturele achtergrond van het kind en
met zijn of haar achtergrond wat betreft de taal.’
8 Inspectie Jeugdzorg: ‘Onderzoek naar het leef- ,werk- en behandelklimaat in JJI’s’,
2007.
9 In de oorspronkelijk geformuleerde definitie stonden de woorden ‘of door andere
kinderen in het pleeggezin’ niet opgenomen, omdat aan deze situatie niet was gedacht.
Zodra zich een melding van misbruik door een ander kind in het pleeggezin voordeed,
is de definitie in deze zin verruimd.
Deze definitie impliceert dat het gaat om:
• seksueel misbruik van gedwongen uit huis geplaatste kinderen
in de residentiële jeugdzorg of pleegzorg, waarbij sprake is van
een afhankelijkheidsrelatie (tussen slachtoffer en pleger) binn-en de context van de plaatsing, of van misbruik door groeps-genoten of andere kinderen in het pleeggezin, en waarbij bij
het misbruik sprake is van een hands-on (dus fysiek) contact
• een afhankelijkheidsrelatie die maakt dat seksueel contact
tussen volwassenen en kinderen per definitie seksueel mis-bruik is
• ‘dwang’ in die gevallen waarin het misbruik is gepleegd door
leeftijdgenoten
en dat seksueel misbruik door biologische ouders of anderen dan
bovengenoemde personen niet binnen de definitie van de com-missie valt. Deze zaken kunnen wel als commissiegerelateerde
zaken beschouwd worden.
172
2. Werkwijze
3. Contacten met slachtoffers
Inleiding
De commissie heeft het steeds van groot belang gevonden contact
te hebben met slachtoffers. Er moest een oplossing gevonden
worden voor vragen als: Hoe kan de commissie het slachtoffer
bereiken? Welke privacyvraagstukken spelen er? Welke hulp heeft
het slachtoffer eventueel nodig? Is de toegang tot hulpverlening
goed geregeld? Wat betekent een contact met de commissie voor
strafrechtelijke procedures? Daartoe zijn een meldpunt en een
website in het leven geroepen, zijn gesprekken gevoerd en is de
privacybescherming geregeld. Voor hulpverlening zijn afspraken
gemaakt met SHN en is er een lotgenotenbijeenkomst georgani-seerd. Verder is contact gelegd met het Schadefonds Gewelds-misdrijven. Met het oog op mogelijke vervolging c.q. het interfe-reren met lopende strafrechtelijke onderzoeken zijn afspraken
gemaakt met het OM, onder meer over de overdracht van dos-siers.
De inrichting van een meldpunt waar slachtoffers, plegers, fami-lieleden, professionals en andere betrokkenen de commissie
konden informeren over seksueel misbruik in de residentiële
jeugdzorg en de pleegzorg is van grote invloed geweest op het
onderzoek van de commissie. Het meldpunt bood bij uitstek de
mogelijkheid om rechtstreeks contact te hebben met betrokkenen.
De meldingen kwamen van slachtoffers zelf, professionals, ouders,
overige familieleden, kennissen en een enkele pleger. De commis-sie wilde de informatie van het meldpunt gebruiken als een van
de onderzoeksbronnen. Daarom zijn de meldingen aan de hand
van een formulier ingevoerd. Op 19 juli 2010 stond een bericht op
teletekst dat er een meldpunt voor seksueel misbruik in de jeugd-zorg geopend was. Diezelfde dag kwamen er 8 meldingen binnen.
173
Tot 16 maart 2012 zijn er via het meldpunt per telefoon, e-mail of
brief 741 meldingen over seksueel misbruik onder de aandacht
van de commissie gekomen. 30 meldingen zijn gedaan door pro-fessionals. Van de meldingen door professionals vielen er 11 buiten
het onderzoeksbereik van de commissie. 3 meldingen waren
afkomstig van plegers. De informatie van deze meldingen is statis-tisch geanalyseerd. Hierop wordt in deel 3 van het rapport terug-gekomen.
Het meldpunt heeft de meldingen die na 16 maart 2012 bin-nenkwamen genoteerd en bekeken op de noodzaak om ze voor
te leggen aan het OM. Deze laatste meldingen maken geen deel
uit van de statistische analyse, maar droegen wel bij aan de beeld-vorming over het seksueel misbruik in de jeugdzorg. Eenzelfde
lijn is gevolgd ten aanzien van de meldingen (ongeveer 35 pro-cent) die buiten het onderzoeksbereik van de commissie vallen. Op
deze meldingen wordt in deel 3 van het rapport apart ingegaan.
Op 19 juli 2012, twee jaar na opening van het meldpunt en de dag
dat deze rapportage werd afgerond, waren 828 meldingen ont-vangen.
Beschrijving werkwijze
Telefoon
De commissie heeft primair gekozen voor een telefonisch meld-punt, waarmee de contacten laagdrempelig konden plaatsvinden.
Het persoonlijk contact bleek voor veel slachtoffers belangrijk.
Naast de informatie die voor het onderzoek werd vergaard, bood
het telefonisch meldpunt ook een luisterend oor voor de melders,
die vaak voor het eerst hun verhaal vertelden. Het waren verhalen
over het misbruik, soms nog zeer vers, maar vaker van langere tijd
terug, en over de impact die het misbruik heeft gehad op het
leven van betrokkenen.
Met veel melders zijn er verscheidene contacten geweest. De duur
van de telefoongesprekken varieerde van tien minuten tot ander-half uur. De gesprekken bleken bij de melders regelmatig tot
heftige emoties en herinneringen te leiden.
174
3. Contacten met slachtoffers
Het meldpunt was op werkdagen geopend. Het telefoonnum-mer van het meldpunt is verscheidene keren genoemd in de
media. Direct na de publiciteit was het extra druk bij het meld-punt en was er extra ondersteuning nodig. Op W.A.M. (Wampie)
Curvers, M. (Martie) Nagel-Blijleven en L.H.M. (Leo) Valk kon steeds
een beroep gedaan worden. Op 19 juli 2012, toen deze rapportage
werd afgerond, waren 451 telefonische meldingen ontvangen. Op
16 maart 2012, het peilmoment voor de statistische analyse, was
417 keer telefonisch melding van misbruik gedaan.
E-mail
Voor optimale bereikbaarheid van het meldpunt tijdens de ope-ningstijden, maar ook buiten de openingstijden en na de media-momenten, zijn er in september 2010 twee e-mailadressen
aangemaakt: info@comsamson.nl was bestemd voor algemene
vragen en opmerkingen en meldpunt@comsamson.nl voor mel-dingen over seksueel misbruik.
Bij de beantwoording van de e-mails is gekozen voor een persoon-lijke benadering. Het streven was om de e-mails binnen drie tot
vijf dagen te beantwoorden. Vanwege de hoeveelheid e-mails en
de complexiteit van de verhalen werd deze termijn niet altijd
gehaald. Melders sloten met enige regelmaat (veel) bijlagen bij
hun meldingen bij via de e-mail om misstanden duidelijker te
maken. Vaak werd er na een eerste e-mailcontact, mits melder dat
wilde, telefonisch contact gezocht voor aanvullende informatie. Er
waren op 16 maart 2012 252 meldingen van seksueel misbruik per
mail binnengekomen. Met de vervolgmails erbij waren tot 19 juli
2012 983 mails ontvangen in de meldpuntbox en daarnaast nog
323 in de infobox.
Post
Melders konden hun verhaal ten slotte ook per post naar de com-missie sturen. In 81 gevallen werd de melding van seksueel mis-bruik per brief gedaan. De commissie heeft in totaal ruim
186 brieven ontvangen. De brieven konden kosteloos gestuurd
worden naar het antwoordnummer van het meldpunt.
175
3. Contacten met slachtoffers
Wederom is bij de behandeling van de brieven gekozen voor een
zo persoonlijk mogelijke benadering. De beantwoordingstermijn
van de brieven lag gemiddeld op zeven dagen. Bij sommige
brieven zijn boeken (levensverhalen) meegestuurd. Melders die
een brief of melding hebben opgestuurd per post en een telefoon-nummer hadden vermeld, zijn vaak daarna telefonisch benaderd
voor aanvullende informatie.
Omgaan met informatie
Het is van belang duidelijkheid te bieden aan melders over wat
ze wel en niet kunnen verwachten. De commissie doet weliswaar
onderzoek naar seksueel misbruik, maar is niet gericht op indivi-duele waarheidsvinding. In principe werd elke melding serieus
genomen, tenzij er evident sprake was van onwaarheid. In een
enkel geval heeft de commissie naar aanleiding van een casus bij
instanties als Bureau Jeugdzorg, een jeugdzorgvoorziening of de
Raad voor de Rechtspraak informatie gevraagd. De gevraagde
inlichtingen zijn telkens verstrekt. De commissie heeft slechts een
beperkt aantal onjuiste meldingen ontvangen.
De medewerkers van het meldpunt zijn de eerste maanden
vanwege de impact van de gesprekken begeleid door een lid van
de commissie. Voorts hebben de medewerkers een korte training
gekregen hoe om te gaan met dit type gesprekken.
Anonimiteit en privacy
Het meldpunt heeft het steeds aan de beller overgelaten of de
melder zijn/haar naam wilde noemen, eventueel alleen de voor-naam, dan wel anoniem wilde blijven. Vrijwel altijd werden per-sonalia verstrekt.
De commissie heeft voor haar onderzoek een gedragscode op
basis van artikel 25 Wet bescherming persoonsgegevens opge-steld (zie bijlage 10) en haar activiteiten en getroffen maatrege-len bij het onderzoek – vooral rond de werkzaamheden van het
176
3. Contacten met slachtoffers
meldpunt – gemeld bij het College Bescherming Persoonsgege-vens.
10,11
Totstandkoming en gebruik vragenformulier
De commissie wilde de informatie van het meldpunt zoals gezegd
gebruiken als een van de onderzoeksbronnen. De informatie is
daarom genoteerd met gebruik van een vragenformulier. De
vragen gaan onder andere over zeer persoonlijke en vertrouwe-lijke aspecten, die een beeld moeten geven van de achtergrond
van de slachtoffers. De vragen waren in eerste instantie gericht
op de plaats en periode van het seksueel misbruik, de aard en
frequentie van het seksueel misbruik, de omstandigheden waar-onder het seksueel misbruik kon plaatsvinden, de pleger(s), de
reactie van leidinggevenden en/of toezichthouders, van de verzor-gers en van de politie. Al snel was er behoefte aan meer uitdieping
van de problematiek. Ook de contacten met SHN en het OM
hebben geleid tot verdere precisering van de vragen. Het vragen-formulier telde uiteindelijk 45 vragen. In bijlage 8 is het formulier
opgenomen.
Bij alle meldingen waarin de informatie met het oog op de statis-tische bewerking tekortschoot, is opnieuw contact met de melder
opgenomen om de leemtes op te vullen. Deze systematische
aanpak legde het fundament voor de statistische analyse.
Binnen en buiten de onderzoeksopdracht
Voortdurende alertheid op de vraag of de melding al dan niet
binnen het onderzoeksbereik viel, was nodig. (Zie voor de definitie
de paragraaf Reikwijdte van het onderzoek en definitie.) Er moest
daartoe in veel gevallen worden doorgevraagd over het vrijwillige
of gedwongen karakter van de uithuisplaatsing. Melders wisten
177
3. Contacten met slachtoffers
10 Meldingsformulier verwerking persoonsgegevens, ingediend op 17 mei 2011.
11 Brief College Bescherming Persoonsgegevens 20 juni 2011, nr. m1474786.
dat niet altijd, bijvoorbeeld omdat zij te jong waren bij de uithuis-plaatsing en niet werden geïnformeerd, of omdat zij niet de gele-genheid hebben gehad om hun dossier over de reden van
uithuisplaatsing in te zien. Aan de hand van het verdere relaas
werd gereconstrueerd of het om een gedwongen uithuisplaatsing
ging of niet.
Melders reageerden vaak teleurgesteld en soms boos als zij
hoorden dat wat hun was overkomen niet binnen het onderzoeks-bereik viel en de commissie niet kon voldoen aan hun verwachtin-gen. Het ging dan bijvoorbeeld om seksueel misbruik dat op
andere locaties had plaatsgevonden, zoals op school, bij sport of
tijdens vervoer. Het moest bovendien steeds gaan om seksueel
misbruik. Dat kon gepaard gaan met geweld. Maar de aanwezig-heid van het element ‘seksueel’ was een criterium. Vooral ook
fysieke mishandelingen en geestelijke vernederingen (het ging
daarbij vooral om oudere meldingen van mishandeling door
nonnen) hebben een grote impact gehad, maar bleven buiten het
onderzoeksbereik van de commissie. 35 procent van de meldingen
viel niet binnen de definitie. De melding is in de statistische
bewerking gemarkeerd als niet vallend binnen het onderzoeksbe-reik. Zie voorts deel 3 van het rapport.
Als de medewerker van het meldpunt de indruk had dat er sprake
was van actueel misbruik of dat betrokkene begeleiding nodig
had, is deze steeds verder geholpen richting politie, het Advies-en Meldpunt Kindermishandeling en SHN, ook als hij/zij niet
onder de strikte definitie van de commissie viel. Het slachtoffer
stond voorop.
Ernst van de meldingen
De commissie heeft geconstateerd dat veel meldingen ernstige
gevallen van seksueel misbruik betreffen. Het is steeds de beslis-sing van betrokkene geweest om contact op te nemen met de
commissie. Dat kan betekenen dat vooral personen die ernstig
seksueel misbruikt zijn en/of het misbruik niet hebben kunnen
verwerken en er na zoveel jaren nog de gevolgen van ondervin-den een melding hebben gedaan. De ontvangen meldingen zijn
178
3. Contacten met slachtoffers
dus mogelijk niet representatief voor de aard en frequentie van
het seksueel misbruik in de jeugdzorg. De bevindingen uit de
commissiegesprekken en de kwantitatieve analyses dienen in dat
licht te worden bezien.
Commissiegesprekken
Naast de informatie die werd vergaard vanuit de meldingen en
de deelonderzoeken had de commissie behoefte aan meer per-soonlijk contact met melders. Aan alle melders is gevraagd (tele-fonisch of in het formulier) of zij bereid waren om in een persoon-lijk gesprek met de commissie dieper op hun ervaringen in te
gaan. Het merendeel van de melders gaf aan dat zij hiervoor
benaderd mochten worden. Bij de afweging om een melder uit te
nodigen is zoveel mogelijk rekening gehouden met de emotio-nele belasting en draagkracht van betrokkene. Daarnaast is een
verdeling gemaakt over de periode waarin het misbruik plaats-vond en is getracht de gesprekken evenredig te verdelen over mis-bruik in pleeggezinnen en instellingen. Tevens is besloten geen
melders uit te nodigen die buiten het onderzoeksbereik van de
commissie vielen of wier zaak aan het OM was overgedragen. Dit
om het slachtoffer niet te vaak te confronteren met het misbruik
en om geen ruis in de strafprocedure te veroorzaken.
Van 7 maart 2011 tot en met 22 maart 2012 heeft de commissie
40 persoonlijke gesprekken gevoerd met melders – 38 slachtoffers,
1 pleegouder en 1 pleger – om beter zicht te krijgen op de omstan-digheden waaronder het seksueel misbruik kon plaatsvinden en
op de gevolgen van het misbruik voor het slachtoffer. Het waren
indringende en vaak ook emotionele gesprekken. Telkens spraken
een lid van de commissie en een medewerker van het secretariaat
met betrokkene, die zich vaak liet vergezellen door een partner of
een hulpverlener. Door de gesprekken hebben de commissieleden
een beter zicht gekregen op de enorme impact die misbruik op
het slachtoffer kan hebben. Er is gesproken met 16 mannelijke
slachtoffers, 22 vrouwelijke slachtoffers, 1 pleegmoeder en 1 vrou-welijke pleger. De oudste zaak speelde zich af in 1946 en de meest
recente zaak speelde zich af in 1997. De slachtoffers waren inmid-179
3. Contacten met slachtoffers
dels tussen de 29 jaar en 74 jaar. Een paar dagen na het gesprek
vroeg het secretariaat aan betrokkene hoe deze het gesprek had
ervaren. Vrijwel alle melders gaven aan het gesprek als ‘prettig’
beleefd te hebben, het gevoel te hebben dat zij volledig hun
verhaal konden doen en dat ook echt naar hen geluisterd werd.
Wel gaven verscheidene melders aan nog een aantal dagen nodig
te hebben gehad om tot rust te komen na alle emoties en herin-neringen die het gesprek had opgeroepen. Van alle gesprekken
zijn verslagen gemaakt, die na verwerking van het commentaar
van betrokkene zijn geanonimiseerd. De anonieme versie is na
toestemming van het slachtoffer en de pleegster aan de weten-schappelijk onderzoekers ter beschikking gesteld.
Voorts is met een aantal betrokkenen in het kader van een
wetenschappelijk deelonderzoek ook nog gesproken door onder-zoekers van de Rijksuniversiteit Groningen.
Van de 40 commissiegesprekken is een kwalitatieve analyse
gemaakt. De analyse is terug te vinden in deel 3 van het rapport.
Lotgenotenbijeenkomst(en)
Op zondag 29 januari 2012 vond in Amersfoort een lotgenotenbij-eenkomst plaats die SHN op verzoek van de commissie en in
samenwerking met het secretariaat had georganiseerd. Uit deze
contacten met de slachtoffers bleek dat er grote behoefte was om
ervaringen te delen met lotgenoten. De lotgenotenbijeenkomst
was aangekondigd in een brief van 2 november 2011 over de voort-gang van het onderzoek, die was verstuurd naar alle melders die
binnen de taakopdracht van de commissie vielen. Deze brief is
ook geplaatst op de website van de commissie. De bijeenkomst
werd bezocht door 26 slachtoffers, het merendeel met begelei-ding. In leeftijd varieerde het gezelschap van begin 20 tot onge-veer 80 jaar. Behalve de slachtoffers waren medewerkers van de
Stichting Hulp na seksueel misbruik, de stichting Koepel Landelijk
Overleg Kerkelijk Kindermisbruik (KLOKK), SHN en een vertegen-woordiging van de commissie aanwezig.
Uit de feedback van de deelnemers bleek dat veruit de meesten
het een waardevolle ontmoeting hadden gevonden. De deelne-180
3. Contacten met slachtoffers
mers hebben aangegeven dat zij zich serieus genomen voelden,
zich herkenden in en gesteund voelden door de ervaringen van
anderen en antwoord hebben gekregen op vragen. Sommige deel-nemers hebben behoefte hun dossiers in te zien en er zo achter te
komen wat er in het verleden over hen is vastgelegd en na te gaan
of het seksueel misbruik mogelijk bekend was bij het personeel.
Zij gaven aan er moeite mee te hebben dat hun persoonsdossiers
niet meer beschikbaar zijn en vaak vernietigd blijken te zijn. Soms
werden daar kwade bedoelingen van de overheid bij veronder-steld. In reactie is aan betrokkenen uitgelegd dat er wettelijke
bewaartermijnen zijn voor persoonsdossiers en ook bepalingen
over wanneer een dossier moet worden vernietigd of voor weten-schappelijk onderzoek geanonimiseerd moet worden bewaard in
het archief.
Er waren ook kritiekpunten. Een aantal deelnemers vond dat zij
onvoldoende gelegenheid hadden om hun verhaal in hun eigen
tempo te vertellen en niet de antwoorden kregen die zij wilden
hebben. Daarnaast hadden deelnemers graag mensen willen ont-moeten per tehuis of instelling.
De deelnemers deden ook suggesties. Zij zouden graag betrokken
worden bij de totstandkoming van het rapport. Deze wens was
voor de commissie aanleiding om een rondetafelgesprek met
slachtoffers te organiseren waarin de belangrijkste bevindingen
en aanbevelingen aan hen zijn voorgelegd en toegelicht. Tijdens
deze bijeenkomst hebben zij ook nadere aanbevelingen aan de
commissie gesuggereerd (zie hoofdstuk 9). Tijdens de lotgenoten-bijeenkomst is al geconstateerd dat er behoefte bestaat aan een
breder meldpunt voor slachtoffers van andere vormen van kinder-mishandeling in instellingen en pleeggezinnen en voor seksueel
misbruik op scholen etc. Daarnaast gaven de deelnemers aan
behoefte te hebben aan meer lotgenotencontact. Ten slotte had-den sommige deelnemers de behoefte aan een vorm van confron-tatie met de leiding van de instellingen voor excuses, erkenning e.d.
Naar aanleiding van de lotgenotenbijeenkomst heeft SHN een
begeleid lotgenotencontact georganiseerd. In mei 2012 zijn
groepen in Den Bosch en Gouda gestart. SHN overweegt voorts
een aparte bijeenkomst te organiseren voor partners van slacht-offers.
181
3. Contacten met slachtoffers
Nieuw meldpunt
De commissie heeft verscheidene keren naar buiten gebracht dat
er een meldpunt zoals dat van de commissie ook na opheffing van
de commissie in stand gehouden zou moeten worden. Dat meld-punt zou dan tevens kunnen dienen als aanspreekpunt voor
mensen die als kind geweld hebben ondergaan dan wel misbruik
in een andere setting dan die van de residentiële jeugdzorg en
pleegzorg hebben ervaren. Er zijn tegenwoordig veel meldpunten.
Deze zijn echter alle bestemd voor actuele zaken. Slachtoffers die
op dit moment te kampen hebben met problemen uit het verle-den kunnen moeilijker hun verhaal kwijt. De toevloed van meldin-gen, zowel binnen als buiten het onderzoeksbereik van de com-missie en de op de lotgenotenbijeenkomst geuite wens van de
slachtoffers zelf, geven alle aanleiding om hierin te voorzien. De
commissie heeft hierover gesprekken gevoerd met de bewindslie-den en SHN. Minister Opstelten en staatssecretaris Veldhuijzen
van Zanten-Hyllner hebben op 15 februari 2012 in een Kamerdebat
over het rapport van de commissie-Deetman toegezegd dat zij er
zorg voor zullen dragen dat er een vast meldpunt zal worden
belegd bij SHN. De toezegging dat er per 1 oktober 2012 een der-gelijk meldpunt operationeel is, is door de staatssecretaris van
VWS in de reactie op een interview van Rieke Samson inTrouwop
11 juli 2012 gegeven.
Aandacht voor knelpunten
In de meldingen en de commissiegesprekken signaleerden slacht-offers tot op de dag van vandaag ernstig last te ondervinden ten
gevolge van het seksueel misbruik. Een belangrijk deel heeft psy-chische hulpverlening gehad en/of nog steeds nodig.
12
Recente
beleidswijzigingen hebben ertoe geleid dat voor de toegang tot de
psychische hulpverlening een eigen bijdrage wordt gevraagd. Een
aantal slachtoffers gaf aan dat zij de bijdrage niet zelf kunnen
182
3. Contacten met slachtoffers
12 Uit de analyse van de meldingen bleek dat 58 procent van de slachtoffers een vorm
van hulp had gehad of behoefte te hebben aan hulp; 38 procent had geen behoefte aan
hulp N = 197. Zie deel 3 van het rapport.
betalen en daarom afzien van zorg. Andere slachtoffers hebben
zich gewend tot het Schadefonds Geweldsmisdrijven voor een
tegemoetkoming wegens het seksueel misbruik. Het Schadefonds
kan daarin voorzien, maar heeft een wettelijke beperking tot mis-drijven die na 1 januari 1973 zijn gepleegd.
De commissie heeft bij herhaling aandacht gevraagd bij de
bewindspersonen van VWS en van VenJ voor de positie van de
slachtoffers. Het ging hierbij om de eigen bijdrage, de totstandko-ming van een breder meldpunt en de uitbreiding van het bereik
van het Schadefonds Geweldsmisdrijven voor zaken van seksueel
misbruik gepleegd voor 1 januari 1973. Vanaf juni 2011 is bij het
ministerie van VWS de kwestie van de eigen bijdrage bij de staats-secretaris onder de aandacht gebracht, waarop deze heeft toege-zegd dat er een oplossing van dit probleem zal komen.
Op 1 december 2011 is een brief geschreven aan staatssecretaris
Teeven met het verzoek om de regeling van het Schadefonds
Geweldsmisdrijven aan te passen. Op 24 juli 2012 was nog niets
geregeld.
183
3. Contacten met slachtoffers
4. Overdracht van zaken
Er zijn met een aantal organisaties praktische werkafspraken
gemaakt over de attendering op, dan wel overdracht van meldin-gen. Waar de commissie onderzoek doet naar signalen van sek-sueel misbruik en meldingen ontvangt van seksueel misbruik, is
het aan andere reguliere organisaties om de nodige actie richting
betrokkenen te nemen. Dat kan een vorm van hulpverlening zijn,
maar ook een strafrechtelijke reactie. De commissie heeft priori-teit gegeven aan werkafspraken met SHN en het OM over de
omgang met individuele zaken. De commissie is zeer tevreden
over de samenwerking met beide organisaties, die hebben
gezorgd voor de nodige faciliteiten om ‘onze melders’ vlot door het
proces te leiden.
Slachtofferhulp Nederland
De commissie heeft met SHN afspraken gemaakt over de door-verwijzing van mensen die bij het meldpunt van de commissie
aangaven behoefte te hebben aan een vorm van hulpverlening.
De gesprekspartners waren de directeur Beleid van SHN drs. V.
(Victor) Jammers en dr. S.B.L. (Sonja) Leferink, senior beleidsmede-werker.
SHN heeft daarvoor een speciaal telefoonnummer geopend.
Wanneer melders het moeilijk vonden om zelf met SHN contact
op te nemen, werden na overleg en met toestemming van de
melder zijn/haar personalia doorgegeven aan SHN, die dan zo snel
mogelijk telefonisch contact met de melder zocht. Het contact met
SHN bestond uit gesprekken of doorverwijzing naar reguliere
hulpverlening zoals huisarts of de geestelijke gezondheidszorg
(ggz). Verder is hulp geboden bij algemene of juridische vragen.
184
In totaal hebben 46 personen die een melding bij de commissie
hadden gedaan contact opgenomen met SHN.
13
SHN heeft aan alle personen praktische ondersteuning
geboden, bij sommigen op verscheidene gebieden. Vaak zijn er
meerdere contacten met de slachtoffers geweest. In dertien geval-len zijn ondersteunende gesprekken gevoerd. Drie personen zijn
bijgestaan bij hun verzoek om schadevergoeding. SHN heeft
negen personen doorverwezen naar specialistische hulp. Op 1 juni
2012 stonden nog elf casus open.
Openbaar Ministerie
Met de procureur-generaal mr. H.J. (Han) Moraal, portefeuillehou-der van het College van procureurs-generaal, en drs. E. (Erik)
Lanting, medewerker van het Parket-Generaal, is regelmatig over-legd. Er zijn afspraken gemaakt over de overdracht van meldingen
die onder de taakomschrijving van de commissie vielen met het
oog op een mogelijke strafvervolging en over een toets op de
eventuele verjaring. De beoordeling of een zaak nog strafrechtelijk
te vervolgen is, is lastig. De wettelijke bepalingen zijn in de loop
der jaren gewijzigd, waardoor de verjaringstermijn verschilt
afhankelijk van de van toepassing zijnde delictomschrijving en
van de periode waarin het misbruik plaatsvond.
De afspraken hielden in dat zaken waarin het secretariaat twij-felde over de mogelijke verjaring anoniem aan het zogenoemde
coördinatiepunt van het Parket-Generaal konden worden voor-gelegd. Het OM beoordeelde vervolgens de mogelijke verjaring en
koppelde dit terug aan het secretariaat.
Bij niet-verjaarde zaken is door het secretariaat aan de melder
om toestemming gevraagd om de betreffende casus niet-geanoni-miseerd aan het OM aan te bieden. Als de melder toestemming
gaf, werd de zaak door het coördinatiepunt doorgestuurd naar de
zedenaanspreekofficier in het betreffende arrondissement. Deze
officier droeg er zorg voor dat de zaak opgepakt werd, wat in de
185
4. Overdracht van zaken
13 Rapportage Slachtofferhulp Nederland 29 mei 2012.
regel betekende dat de melder door de politie uitgenodigd werd
voor een informatief gesprek. Naar aanleiding van het informa-tieve gesprek was het aan de melder om al dan niet over te gaan
tot het doen van aangifte. De primaire zorg van de commissie
ging ernaar uit om actueel misbruik te stoppen. Daarom heeft
de commissie 10 meldingen gezien hun ernst en actualiteit recht-streeks aan het OM overgedragen. Betrokkenen zijn hierover
naderhand geïnformeerd. Van deze zaken vielen 3 zaken buiten
het onderzoeksbereik. In totaal vielen van de 42 ter behandeling
overgedragen zaken 9 zaken buiten het onderzoeksbereik.
Ook deze zaken werden door tussenkomst van het coördinatie-punt opgepakt door de zedenaanspreekofficieren. Tot slot zijn
uitgeprocedeerde of verjaarde zaken ter informatie aan het OM
gestuurd. Het OM wilde deze zaken bij een eigen evaluatie betrek-ken.
Het Parket-Generaal heeft de voortgang van deze zaken goed
gevolgd. Inhoudelijk werd er bij de overgedragen meldingen geen
afwijkend beleid gevoerd en werden de zaken behandeld door de
arrondissementen waaronder de zaak regardeerde. Periodiek is
ook de commissie geïnformeerd over de stand van zaken van de
overgedragen meldingen. De afspraken met het OM zijn op de
website van de commissie geplaatst.
Het OM heeft de voorgelegde meldingen als volgt behandeld:
14
186
4. Overdracht van zaken
14 In een brief d.d. 22 juni 2012 heeft het College van procureurs-generaal gerappor-teerd hoe de zaken zijn afgedaan.
187
4. Overdracht van zaken
15 In deze gevallen is één keer geconcludeerd dat niet-strafrechtelijk optreden pre-valeerde, één keer was de melder onvindbaar en één keer gaven de vermeende slacht-offers aan dat er niets gebeurd was en mogelijk andere motieven van de melder, niet
zijnde een van de slachtoffers, een rol speelden.
Tabel 2
Uitsplitsing van alle casus die op verzoek van melder door
de commissie naar het OM zijn gestuurd
aantal
Veroordeling 3
Vrijspraak 2
Sepot 9
Dagvaarden 0
Opgelegd 4
In onderzoek 9
Onjuist 2
Melder ziet af van vervolg 10
Overig 3
15
Tabel 1
Totaal aantal overgedragen meldingen door de commissie
aan het OM in 2010 en 2011
2010 2011 totaal
Overgedragen op verzoek
van melder in verband met
mogelijke vervolging 35 7 42
Verjaringstoets 336 Ter informatie 9211
Totaal 47 12 59
5. Wetenschappelijk onderzoek
Onderzoeksplan
Ter voorbereiding op het uit te voeren onderzoek heeft de commis-sie een conceptonderzoeksplan opgesteld. Dit conceptonderzoeks-plan betrof een uitwerking van de zienswijze van de commissie
over de opzet en het doel van het uit te voeren wetenschappelijk
onderzoek. In september 2010 heeft de commissie het concept-onderzoeksplan gepresenteerd in haar eerste openbare bericht.
Vanwege de reikwijdte van het uit te voeren onderzoek heeft de
commissie het onderzoek onderverdeeld in verschillende deelon-derzoeken en vervolgens voor elk deelonderzoek de achtergron-den, het onderzoeksdoel, de vraagstellingen en de mogelijk te
gebruiken methoden geformuleerd. Het conceptonderzoeksplan
bevatte de volgende indeling:
• Een hoofdstuk over de historie van de institutionele ontwikke-ling van de jeugdsector. In dit hoofdstuk is beschreven dat
mede gekeken diende te worden naar hoe het kind het hande-len door verantwoordelijken binnen de instituties heeft ervaren
en de verschuivingen daarin door de tijd: het zogenoemde
kindperspectief.
• Een hoofdstuk over de ontwikkeling van de bevoegdheden in
de jeugdzorg. In dit hoofdstuk is onderscheid gemaakt tussen
enerzijds het juridisch kader waarbinnen de huidige jeugdzorg
opereert en de voormalige jeugdzorg heeft gehandeld ( juri-disch onderzoek) en anderzijds hoe de verantwoordelijkheden
in beleid, protocollen etc. zijn geformaliseerd in de praktijk van
alledag (het zogenoemde governanceonderzoek). Het uit te
voeren onderzoek zou een beschrijving moeten geven van de
vertaling van de wetgeving in praktische verantwoordelijkhe-den, waarbij het gaat om de directe uitwerking van de wets-teksten in de zin van:
188
—de verdeling van verantwoordelijkheden
—de aanwezigheid van gestandaardiseerde werkinstructies
—het toezicht op de werkwijze.
• Een hoofdstuk met betrekking tot de feitelijke beschrijving van
het seksueel misbruik van kinderen die onder verantwoordelijk-heid van de overheid in de jeugdzorg zijn geplaatst, waarbij
methodologisch onderscheid is aangebracht tussen recente en
oudere gevallen van seksueel misbruik. In dit hoofdstuk is
tevens opgenomen dat kinderen met een (licht) verstandelijke
beperking met een aparte methodologische aanpak moesten
worden benaderd.
• Een planning van het uit te voeren onderzoek en de aanpak
voor de analyse van de onderzoeksresultaten.
Bij de voorbereiding van het onderzoeksplan is er uitvoerig bij
stilgestaan hoe inzicht gekregen kon worden in de omvang van
het seksueel misbruik. De commissie heeft op basis van empirisch
onderzoek de overtuiging dat de omvang van seksueel misbruik
niet exact gemeten kan worden. Te veel methodologische factoren
als de bevragingswijze, het aantal gestelde vragen etc. kunnen de
uitkomsten van een prevalentieonderzoek zeer beïnvloeden. De
ervaring heeft geleerd dat alle onderzoek naar seksueel misbruik
een onderschatting oplevert van het feitelijk misbruik. Kinderen
die erg jong waren tijdens het misbruik kunnen het zich mis-schien helemaal niet meer herinneren. Wel is het mogelijk een
relatieve verhoging of verlaging te geven indien vergeleken wordt
met exact gelijk bevraagde groepen.
Een verdere complicatie is de (on)betrouwbaarheid van het
geheugen, die van invloed is op hetgeen gemeld wordt. Daarom is
een beperkte periode gehanteerd waarover de respondenten zijn
geënquêteerd. Voor onderzoek naar prevalentie lange tijd terug
speelt daarnaast dat een aantal van de slachtoffers overleden is,
en dat slachtoffers voor een deel niet zullen weten of ze destijds
onder toezicht van de overheid uit huis geplaatst waren. Om deze
redenen heeft de commissie besloten wat betreft het historisch
onderzoek in te zetten op archiefonderzoek en voor het actuele
misbruik om gebruik te maken van een goede actuele prevalentie-studie over het misbruik nu, en om vervolgens het onderzoek van
de commissie op precies dezelfde manier uit te voeren.
189
5. Wetenschappelijk onderzoek
Pas nadat het laatste deelonderzoek van start was gegaan, is het
conceptonderzoeksplan definitief vastgesteld door de commissie.
De inhoud van de offertes kon immers aanleiding vormen om het
onderzoeksplan aan te passen (zie bijlage 9 voor het definitieve
onderzoeksplan).
Offertetraject
Het conceptonderzoeksplan heeft als uitgangspunt gediend voor
het offertetraject van de deelonderzoeken. Daarbij is telkens bena-drukt dat het deelonderzoek diende bij te dragen aan het onder-zoek van de commissie dat zich richt op seksueel misbruik van
minderjarigen die op gezag van de overheid in instellingen en
pleeggezinnen zijn geplaatst. Dat impliceerde dat bij de onderzoe-ken naar aard en omvang de rapportage over die specifieke doel-groep moest gaan:
• Historisch onderzoek
Hoofdvraag: Hoe heeft de Nederlandse jeugdzorg zich tussen
1945 en 2010 ontwikkeld binnen de context van een verande-rende Nederlandse cultuur en samenleving? En wat betekende
dit in het licht van seksueel misbruik?
• Juridisch kader
Hoofdvraag: Hoe heeft de relevante wetgeving zich tussen 1945
en 2010 ontwikkeld?
• Governanceonderzoek
Hoofdvraag: Hoe is het wettelijk kader tussen 1945 en 2010 ver-taald in de uitvoering van de jeugdzorg en hoe was het toezicht
in de loop der tijd geregeld?
• Aard en omvang(prevalentieonderzoek)
Hoofdvraag: Wat is de aard en omvang van seksueel misbruik
bij kinderen zonder verstandelijke beperking binnen de jeugd-zorg in de periode 2008 tot en met 2010 (uitgesplitst naar ver-schillende vormen van jeugdzorg) en hoe is gereageerd op
signalen van seksueel misbruik?
16
190
5. Wetenschappelijk onderzoek
16 In de startnotitie is gesproken over onderzoek naar seksueel misbruik onder kinde-ren met een verstandelijke of psychische beperking. De toevoeging ‘psychische’ is in de
loop van het onderzoek niet meer gehanteerd, omdat vaak sprake is van comorbiditeit
en het onderzoek zich niet richt op seksueel misbruik in psychiatrische instellingen.
• Aard en omvang
Hoofdvraag: Wat was de aard van seksueel misbruik bij kinde-ren binnen de jeugdzorg vanaf 1945 tot en met 2007 (uitge-splitst naar verschillende vormen van jeugdzorg) en hoe is
gereageerd op signalen van seksueel misbruik? Kwam het mis-bruik incidenteel voor of was het structureel?
17
• Aard en omvang kinderen met een (licht) verstandelijke
beperking
Hoofdvraag: Wat is de aard en omvang van seksueel misbruik
van kinderen met een verstandelijke beperking binnen de
jeugdzorg (uitgesplitst naar verschillende vormen van jeugd-zorg) in de periode 2008 tot en met 2010?
Ten behoeve van het offertetraject heeft de commissie voor elk
deelonderzoek een startnotitie opgesteld waarin onder andere
waren opgenomen de doelstelling van het deelonderzoek, de
beleidscontext, de probleemstelling, de onderzoeksvragen en de
gevraagde producten. De startnotities vormden de basis voor de
offerteaanvragen. Voor elk deelonderzoek (met uitzondering van
de beschrijving van het juridisch kader) heeft de commissie enkele
onderzoeksinstituten benaderd met het verzoek offerte
uit te brengen voor het desbetreffende deelonderzoek. De onder-zoeksinstituten werd verzocht in de offerte de volgende elemen-ten nader uit te werken:
• de probleemstelling uit de startnotitie
• de operationalisering van de probleemstelling en de onder-zoeksvragen
• de opzet van het onderzoek, waaronder methode(n), populatie,
steekproeftrekking, dataverzameling, gegevensanalyse en de
verslaglegging
• de planning voor (de verschillende fasen van) het onderzoek
• informatie over de onderzoekers die het onderzoek zullen uit-voeren, alsmede over hun opleidingsniveau en deskundigheid,
en die van het instituut in het algemeen alsmede de eventuele
191
5. Wetenschappelijk onderzoek
17 Aanvankelijk is offerte gevraagd bij deelonderzoek 4 voor jeugdigen zonder verstan-delijke beperking en zou het onderzoek naar jeugdigen met een verstandelijke beper-king zowel het historische deel als de actuele plaatsingen omvatten. In de loop van het
offertetraject is hierop naar aanleiding van de ingediende offertes teruggekomen en is
opnieuw offerte gevraagd voor onderzoek naar seksueel misbruik van de gehele doel-groep.
verantwoordelijkheden (nu of in het verleden) van onderzoe-kers en/of hun leidinggevenden in of ten aanzien van de te
onderzoeken onderdelen van de jeugdzorg
• een duidelijke begroting van de kosten van het onderzoek.
De onderzoeksinstituten konden alvorens een offerte uit te
brengen binnen een gestelde termijn vragen ter verheldering aan
de commissie stellen. Deze vragen zijn vervolgens door de com-missie beantwoord met een ‘Nota van Inlichtingen’, die naar alle
aanbieders is verzonden.
De commissie achtte de onafhankelijkheid ten aanzien van het
onderzoeksdomein van groot belang. Om die reden is met de
onderzoeksinstituten afgesproken dat alle curricula vitae van de
betrokken onderzoekers vooraf aan de commissie zouden worden
voorgelegd.
In de loop van het onderzoek bleek het incidenteel nodig om een
aanvullend deelonderzoek te laten uitvoeren. Bij alle deelopdrach-ten is rekening gehouden met de bepalingen van de Europese
aanbestedingsprocedures. De commissie heeft de voorwaarden
voor het onderzoek analoog aan de aanpak van het Wetenschap-pelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) toegepast.
Bij de beoordeling van de ingediende offertes was de kwaliteit van
het onderzoeksvoorstel telkens leidend.
Randvoorwaarden voor het wetenschappelijk
onderzoek
Bij de voorbereiding van het wetenschappelijk onderzoek richtten
de activiteiten van de commissie zich tevens op het creëren van
randvoorwaarden voor een goede uitvoering van de deelonder-zoeken. Meer concreet ging het om medewerking van het veld,
toegang tot de archieven en bestanden, borging van de vertrou-welijkheid van het onderzoeksmateriaal, benaderen van deskundi-gen voor de begeleidingscommissies, bewaken van de samenhang
tussen de deelonderzoeken en voortgangsbewaking. Het ministe-rie van VenJ, de Dienst Justitiële Inrichtingen, het College van pro-192
5. Wetenschappelijk onderzoek
cureurs-generaal en andere (voormalige) organisaties hebben
steeds vlot hun medewerking aan de deelonderzoeken toegezegd
en toegang tot archieven en bestanden verleend.
Convenanten
In samenspraak met Jeugdzorg Nederland (JN), de Vereniging
Orthopedagogische Behandelcentra (VOBC) en de Vereniging
Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) is een convenant opgesteld
over inzage in archieven van de bij de drie koepels aangesloten
instellingen en/of Bureaus Jeugdzorg en in persoonsdossiers van
jeugdigen die onder de verantwoordelijkheid van de overheid in
hun (rijks)instellingen en pleeggezinnen zijn geplaatst. Omdat
het inzage in (bijzondere) persoonsgegevens betreft, zijn hierbij
de bepalingen van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp)
in acht genomen. JN, de VOBC en de VGN hebben het convenant
op hun intranet geplaatst, zodat de bij hen aangesloten leden het
ter beschikking hadden en ondertekend naar de commissie
konden opsturen. De commissie heeft 54 getekende convenanten
ontvangen. Bij de organisaties zijn respectievelijk 160 (JN),
20 (VOBC) en 160 (VGN) leden aangesloten. De commissie heeft
herhaaldelijk in bijeenkomsten van JN het belang van medewer-king aan het onderzoek benadrukt.
Uitwerking deelonderzoeken
Hierna volgt per deelonderzoek de nadere uitwerking van het
onderzoek zoals beschreven in de gegunde offerte.
Deelonderzoek 1: Historisch onderzoek
De hoofdvraag van het historisch deelonderzoek was de vraag
hoe de Nederlandse jeugdzorg zich in de periode 1945-2010 heeft
ontwikkeld binnen de context van een veranderende Nederlandse
cultuur en samenleving, en wat dit betekende in het licht van
seksueel misbruik. De ervaring van de aan de jeugdzorg toever-trouwde (ex-)tehuis- en pleegkinderen vormde de rode draad
binnen dit onderzoek.
193
5. Wetenschappelijk onderzoek
De hierboven beschreven hoofdvraag is nader uitgewerkt in de
volgende onderzoeksvragen:
• Welke instituties en actoren maakten deel uit van jeugdzorg
en hoe hebben deze instituties zich ontwikkeld?
• Hoe hebben veranderende normen en waarden (onder meer
op het vlak van seksualiteit) zich in de onderscheiden perioden
vertaald in de praktijk van de jeugdzorg?
• Hoe was de toerusting van professionals en op welke manier
heeft de professionalisering van de jeugdzorg plaatsgevon-den?
• Welke kinderen kwamen terecht in de jeugdzorg en wat waren
de redenen van plaatsing?
• Hoe werden de kinderen behandeld door de instellingen, pleeg-gezinnen en de verenigingen die uit naam van de overheid
voor hen moesten zorgen?
• Hoe is gereageerd op signalen van ontevredenheid van kinde-ren en bij wie konden zij met hun zorgen terecht?
• Voor de opzet van de studie is gekozen voor een zogenoemd
trechtermodel: het onderzoek startte met een survey over de
gehele breedte van de jeugdzorg in de periode 1945-2010,
waarna een vervolgonderzoek werd uitgevoerd in een subset
van instellingen. Hierna volgde een diepteonderzoek naar een
beperkt aantal instellingen. Het onderzoek is gegund aan de
Rijksuniversiteit Groningen. Prof. dr. J.J.H. (Jeroen) Dekker was
projectleider.
Deelonderzoek 2a: Juridisch kader
Het deelonderzoek naar het juridisch kader was vooral beschrij-vend van aard. In dit deelonderzoek is beschreven hoe de voor het
onderzoek van de commissie relevante strafrechtelijke, bestuur-lijke en privaatrechtelijke internationale en nationale wetgeving
vanaf 1945 zich heeft ontwikkeld. Hierbij is onderscheid gemaakt
in drie hoofdstukken: internationaal kader, seksueel misbruik en
plaatsing. Thematische onderdelen zijn onderverdeeld in een
beschrijving van het geldende recht, de situatie in 1945 en signi-ficante wijzigingen sindsdien.
Dit deelonderzoek stond ten dienste van de andere deelonder-zoeken, in het bijzonder deelonderzoek 1 (historisch) en deel-onderzoek 2b (governance). De betekenis van het beschreven
194
5. Wetenschappelijk onderzoek
kader kon dus pas duidelijk worden in zijn samenhang met de
andere deelonderzoeken, en met het eindrapport van de commis-sie.
Mr. J.J. (Just) Wiarda, voormalig raadadviseur bij de directie
Wetgeving van het toenmalige ministerie van Justitie heeft het
wettelijk kader beschreven.
Deelonderzoek 2b: Governanceonderzoek
Het governancedeelonderzoek hing nauw samen met het juridi-sche deelonderzoek en bouwde daarop voort. De hoofdvraag van
dit deelonderzoek luidde: Hoe is het wettelijk kader tussen 1945 en
2010 vertaald in de uitvoering van de jeugdzorg (pleegzorg, justiti-ële jeugdzorg; nu de justitiële jeugdinrichtingen) en overige
inrichtingen (nu besloten en open jeugdzorginstellingen), en hoe
was het toezicht in de loop der tijd geregeld? Het onderzoek betrof
de periode 1945 tot heden. De onderzoeksopzet bestond uit drie
blokken. Het eerste blok omvatte de formele vragen en het tweede
blok betrof de feitelijke uitvoering en bevoegdheden. Dit betrof
een verdieping op het eerste blok. Het derde blok betrof de analyse
en rapportage. De volgende deelvragen waren voor dit deelonder-zoek geformuleerd:
Formele toebedeling
• Welke organisaties en welke actoren hebben welke bevoegd-heid en verantwoordelijkheid in de bescherming tegen seksu-eel misbruik van kinderen in instellingen en pleegzorg?
• Hoe wordt de vertaling gemaakt naar instellingsregels (beleid,
protocollen, werkinstructies)? Is er sprake van ritualisme?
• Hoe zijn het toezicht en het afleggen van verantwoording gere-geld?
• Zijn er lacunes en ambiguïteit in de formele verantwoordelijk-heidstoedeling?
Feitelijke uitvoering
• Wie pakt verantwoordelijkheden op (dit kan iemand zijn die
formeel verantwoordelijk is, maar ook iemand zonder formele
verantwoordelijkheid)? Is er sprake van ritualisme in de uitvoe-ring van de regels?
• Welke factoren zijn van invloed op de feitelijke taakuitvoering?
195
5. Wetenschappelijk onderzoek
—Competenties: Hoe zijn de actoren toegerust om hun taak uit
te voeren (opleiding, deskundigheid, scholing etc.)?
—Conflicterende belangen: In hoeverre staat het belang van
het kind boven de reputatie van de instelling en de financie-ring?
—Cultuur: Onder andere: in hoeverre is de cultuur open, res-ponsief naar het belang van het kind en niet autoritair?
• Aan wie is feitelijk verantwoording afgelegd en wie heeft er fei-telijk toezicht gehouden?
De volgende onderzoekmethoden zijn voor deze deelstudie gehan-teerd: literatuurstudie, documentenstudie, diepte-interviews en
focusgroepen en een klachtenanalyse in het kader van de verant-woordelijkheidstoedeling. Daarnaast is gebruikgemaakt van
casusonderzoek, waarbij vestigingen de casus vormen. Bij de uit-voering van het onderzoek is de focus gelegd op het kindperspec-tief. Dat betekent dat vanuit het perspectief van het kind in kaart
is gebracht met welke functionarissen/gezagsdragers de pupil het
meest in aanraking komt en hoe daarvandaan de verantwoor-dingslijnen lopen naar degenen die wettelijke verantwoordelijk-heden dragen. Het onderzoek is van onderaf in de organisatie
rond het kind ingericht en niet vanuit de ministeriële verantwoor-delijkheid naar beneden. Het onderzoek is gegund aan het
Verwey-Jonker Instituut in samenwerking met de Vrije Universi-teit te Amsterdam. Projectleiders waren dr. mr. K.D. (Katinka) Lün-nemann en dr. F.E. (Frédérique) Six.
Deelonderzoek 3: Aard en omvang van seksueel misbruik
(prevalentieonderzoek) 2008-2010
De hoofdvraag van deelonderzoek 3 was: Wat waren aard en
omvang van seksueel misbruik bij kinderen zonder verstandelijke
beperking binnen de jeugdzorg, in de periode 2008 tot en met
2010 (uitgesplitst naar verschillende vormen van jeugdzorg), en
hoe is gereageerd op signalen van seksueel misbruik? Hierbij ging
het om de achtergronden van het seksueel misbruik, de context
waarin het plaatsvond of het misbruik werd besproken, wat er
met de melding gebeurde en wat de gevolgen (van het misbruik)
voor de kinderen, de betrokken professionals, hun instituties en
voor de plegers zijn geweest. Voor de onderzoeksperiode 2008-196
5. Wetenschappelijk onderzoek
2010 is gekozen in verband met de werking van het geheugen om
een duidelijk beeld te kunnen geven van de actuele situatie van
seksueel misbruik in de jeugdzorg in vergelijking met seksueel
misbruik van de ‘gemiddelde’ minderjarigen in de leeftijdsgroep
12-17 jaar (de Nationale Prevalentiestudie Mishandeling van Kinde-ren en Jeugdigen (NPM) 2010).
Deelonderzoek 3 bestond uit twee delen:
• Deel a betrof een kwantitatieve studie waarin op verschillende
manieren is onderzocht hoe vaak, uitgesplitst naar pleegzorg
en residentiële voorziening, seksueel misbruik in de jeugdzorg
voorkwam. Hierbij werd gebruikgemaakt van een vragenlijst
onder jongeren die in de jeugdzorg verbleven en van onderzoek
onder professionals die beroepsmatig met kinderen uit de ver-schillende onderdelen van de jeugdzorg te maken hebben. De
gevonden prevalentie zou worden vergeleken met de prevalen-tiecijfers van de ‘gemiddelde’ Nederlandse jeugdigen in de leef-tijdsgroep 12-17 jaar in 2008-2010 (NPM 2010).
• Deel b betrof een kwalitatieve studie, waaronder een literatuur-studie, waarin gekeken is naar reacties en beleid ten aanzien
van seksueel misbruik in de jeugdzorg. Het onderzoek is geba-seerd op interviews met jongeren en professionals uit de ver-schillende delen van de jeugdzorg en op een analyse van de
meldingen bij het meldpunt van de commissie over de periode
2008-2010.
In instellingen voor jeugdigen is niet altijd bekend of minderjari-gen gedwongen zijn geplaatst dan wel vrijwillig zijn geplaatst.
Daarom is bij deelonderzoek 3a de eis van de rechterlijke beslis-sing minder stringent gesteld. Het onderzoek is gegund aan de
Universiteit Leiden in samenwerking met het Verwey-Jonker Insti-tuut. Projectleiders waren prof. dr. L.R.A. (Lenneke) Alink en drs. B.
(Bas) Tierolf.
Deelonderzoek 4: Aard en omvang van seksueel misbruik
1945-2007
In deelonderzoek 4 stonden de aard en omvang van het seksueel
misbruik en de reactie daarop in het (verdere) verleden centraal.
Het gaat zowel om kinderen met als zonder verstandelijke beper-197
5. Wetenschappelijk onderzoek
king. Het onderzoek zou duidelijk moeten maken of eventueel
misbruik incidenteel voorkwam of dat er sprake was van een
structureel probleem. De volgende onderzoeksvragen zijn onder-zocht:
• Wat is uit internationale studies bekend over de aard van sek-sueel misbruik binnen de jeugdzorg en de reactie op signalen
van seksueel misbruik?
• Was het seksueel misbruik in de verschillende vormen van
jeugdzorg incidenteel of structureel? Hierbij dient uitgesplitst
te worden naar soort pleger (groepsleider, leidinggevende of
andere professional en pleegouder versus leeftijdgenoot in
groep of pleeggezin).
• Hoe is door de medewerkers binnen de instelling/toezichthou-ders en door de verantwoordelijken uit het institutionele kader
gereageerd op signalen van seksueel misbruik?
• Zijn er in de antwoorden patronen te onderscheiden in verschil-lende periodes?
De onderzoekers hanteerden het zogenoemde trechtermodel,
waarbij het onderzoek aan de hand van de bevindingen steeds
verder toegespitst werd uitgevoerd. Hierbij kwamen achtereenvol-gens aan bod literatuurverkenningen, verkenning en analyse van
de meldingen van het meldpunt van de commissie en een analyse
van incidenten in de media, surveys, onderzoek binnen een aantal
instellingen en interviews met focusgroepen. Het onderzoek is
gegund aan de Rijksuniversiteit Groningen. Projectleiders waren
prof. dr. M.C. (Greetje) Timmerman en prof. dr. H.W.E. (Hans) Grie-tens.
Deelonderzoek 5: Aard en omvang van seksueel misbruik
van kinderen met een beperking 2008-2010
In deelonderzoek 5 ging het om het vaststellen van de aard en
omvang van seksueel misbruik van kinderen met een (licht) ver-standelijke beperking. Kinderen met een (licht) verstandelijke
beperking vormden binnen het onderzoeksdomein een speciale,
extra kwetsbare groep. Veelal was er ook sprake van andere beper-kingen. Het deelonderzoek bestond uit een kwalitatief en een
kwantitatief onderzoek. Het doel van de kwantitatieve studie was
de prevalentie van seksueel misbruik van kinderen met een (licht)
198
5. Wetenschappelijk onderzoek
verstandelijke beperking vast te stellen. De prevalentie werd vast-gesteld door middel van vragenlijsten die waren uitgezet onder
professionals. Het kwalitatieve onderzoek richtte zich op de aard
van het misbruik en de context waarin het misbruik plaatsvond,
en daarnaast op wat er met eventuele meldingen was gedaan. De
volgende onderzoeksvragen zijn gesteld:
• Wat is uit internationale studies bekend over de aard en
omvang van seksueel misbruik van kinderen met een verstan-delijke beperking binnen de jeugdzorg?
• Hoe groot is het percentage seksueel misbruikte kinderen (pre-valentie) in de verschillende vormen van jeugdzorg (ten op-zichte van het totaal aantal onvrijwillig geplaatsten)? Hierbij
dient uitgesplitst te worden naar soort pleger (begeleider,
groepsleider, leidinggevende en pleegouder versus leeftijdge-noot in groep of pleeggezin), maar dienen ook de relatie tot de
pleger en hoe de pleger te werk ging betrokken te worden.
• Komt seksueel misbruik onder groepsgenoten met een verstan-delijke beperking meer voor dan bij kinderen zonder verstande-lijke beperking?
• Welke signalen van seksueel misbruik bij kinderen met een ver-standelijke beperking zijn binnen de jeugdzorg afgegeven door
betrokkenen en hoe frequent gebeurde dat?
• Hoe is door de medewerkers binnen de instellingen en door de
verantwoordelijken uit het institutionele kader (Bureau Jeugd-zorg, politie, OM etc.) gereageerd op signalen van seksueel mis-bruik?
Aangezien in instellingen voor jeugdigen met een verstandelijke
beperking moeilijk onderscheid gemaakt kan worden tussen min-derjarigen die gedwongen zijn geplaatst en minderjarigen die
vrijwillig zijn geplaatst, is hiervoor bij deelonderzoek 5a de eis van
de rechterlijke beslissing minder stringent gesteld.
Het onderzoek was gegund aan de Universiteit Leiden, in
samenwerking met de Universiteit van Amsterdam en het Kohn-stamm Instituut deelonderzoek 5b. In de loop van het onderzoek
is een deel van het onderzoek overgedragen aan Rutgers WPF.
Projectleiders waren prof. dr. L.R.A. (Lenneke) Alink, dr. I.B. (Inge)
Wissink en drs. W. (Willy) van Berlo.
199
5. Wetenschappelijk onderzoek
Begeleidingscommissies
De vijf deelonderzoeken hadden elk afzonderlijke begeleidings-commissies, met als doel de onderzoekers te ondersteunen en de
kwaliteit van de desbetreffende deelonderzoeken en het proces te
bewaken. Aan deze commissies namen externe deskundigen uit
wetenschap en praktijk of beleid deel, naast leden van de commis-sie. De secretaris van de commissie woonde de vergaderingen bij
van alle begeleidingscommissies. Daardoor konden indien nodig
snel organisatorische maatregelen worden getroffen en verban-den tussen de verschillende deelonderzoeken worden gelegd.
Medewerkers van het secretariaat fungeerden als secretaris van
de begeleidingscommissies. De begeleidingscommissies kwamen
periodiek bij elkaar. De individuele commissieleden traden in het
begeleidingsproces niet als onderzoeker op, maar zagen erop toe
dat de uitvoering van het onderzoek volgens de onderzoeksop-dracht werd uitgevoerd. In bijlage 4 is een overzicht van de samen-stelling van de begeleidingscommissies opgenomen.
Uitbreidingen van het onderzoeksplan
In de verschillende deelonderzoeken van de commissie ging de
aandacht uit naar onder andere de prevalentie van seksueel mis-bruik, naar slachtoffers en naar de context waarbinnen het seksu-eel misbruik kon plaatsvinden. Informatie over de dader werd in
die onderzoeken slechts indirect verkregen. Daardoor ontstond
de behoefte aan een extra hierop gericht onderzoek. Ook diende
meer inzicht te komen in de strafrechtelijke reactie op geconsta-teerd seksueel misbruik. Het onderzoek zou inzicht moeten geven
in de besluitvorming van de politie en het OM en moeten uitwij-zen of deze begrijpelijk was in het licht van de eisen die aan een
deugdelijk strafproces en bewijsvoering worden gesteld. Dit alles
in de context van de op dat moment geldende opvattingen en
regelgeving. Daarin is tegemoetgekomen door drie aanvullende,
kleinschalige deelonderzoeken te laten uitvoeren.
Omdat het om opdrachten van beperkte omvang ging, was een
formeel offertetraject niet nodig.
200
5. Wetenschappelijk onderzoek
Daderonderzoek
De centrale onderzoeksvraag van dit onderzoek luidde: Wat zijn
de kenmerken van plegers van seksueel misbruik van kinderen
die onder toezicht van de overheid zijn geplaatst? Om deze vraag
te beantwoorden heeft het onderzoek zich gericht op de volgende
aspecten:
• demografische kenmerken
• criminele-carrièrekenmerken
• modus operandi
• (seksuele) stoornissen, persoonlijkheidsprofiel
• relaties en sociaal leven
• ‘motief’ voor het misbruik
• de wijze waarop het misbruik verborgen werd gehouden en
aan het licht kwam
• afdoening.
Het onderzoek naar de plegers van seksueel misbruik van kinde-ren bestond uit een (internationale) literatuurstudie en een dos-sieranalyse. Voor de dossieranalyse zijn twee steekproeven
getrokken. De eerste steekproef betrof dossiers van personen die
getraceerd konden worden in forensisch-psychiatrische instellin-gen. Relevante dossiers zijn gevonden bij het Pieter Baan Centrum
in Utrecht, De Waag (diverse vestigingen) en De Tender in Deven-ter. De tweede steekproef betrof personen die zijn aangetroffen in
de systematische steekproef van zedenzaken tegen kinderen in
het kader van het onderzoek naar de afdoeningen door het OM
(zie hierna het OM-onderzoek). Het betrof in dit geval veroor-deelde daders en verdachten van wie de zaak bij het OM ter ver-volging was ingeschreven en niet was geëindigd in een vrijspraak
of een technisch sepot.
Het onderzoek is in eigen beheer van de commissie uitgevoerd
door een aangestelde junior onderzoeker, R. (Rinke) de Jong MSc,
die is bijgestaan door een medewerker van het secretariaat van de
commissie. De commissieleden prof. dr. mr. C.C.J.H. Bijleveld en
prof. dr. J. Hendriks waren verantwoordelijk voor de dagelijkse
begeleiding van de onderzoeker.
201
5. Wetenschappelijk onderzoek
Politieonderzoek
De commissie heeft Bureau Beke gevraagd een pilotonderzoek te
starten naar hoe de politie is omgegaan met meldingen en aan-giften van seksueel misbruik in de jeugdzorg. Bureau Beke heeft
voor dit onderzoek vijftien meldingen van seksueel misbruik die
bij het meldpunt van de commissie zijn binnengekomen nage-zocht en gekeken in hoeverre deze terug te vinden waren in de
politieregistraties en wat er vervolgens mee is gebeurd. Uit het
pilotonderzoek kwam naar voren dat zeven van de vijftien mel-dingen niet terug te vinden waren in de politiesystemen, ondanks
het feit dat het om recente meldingen zou gaan en er volgens de
melders aangifte was gedaan.
De bedoeling van de gefaseerde aanpak was dat afhankelijk
van de resultaten van het pilotonderzoek een grootschaliger
onderzoek zou worden uitgevoerd. Naar aanleiding van de resul-taten van het pilotonderzoek bleek echter dat een dergelijk ver-volgonderzoek niet opportuun zou zijn. Daarom is besloten om
het vervolgonderzoek op een andere manier in te vullen. In plaats
van de meldingen van de commissie als uitgangspunt te nemen
voor verder onderzoek, is ervoor gekozen om in twee politie-regio’s steekproeven te trekken uit de registraties die betrekking
hebben op zedenmisdrijven tegen kinderen en deze nader te
analyseren (elf zaken uit de regio Haaglanden en acht zaken uit
de regio Noord- en Oost-Gelderland). Het ging daarbij om de
jaren 2002 en 2007 (dezelfde onderzoeksjaren als waar het onder-zoek naar het OM zich op richtte). De projectleiders waren dr. mr.
A.Ph. (Anton) van Wijk en dr. H.B. (Henk) Ferwerda.
OM-onderzoek
Bij het onderzoek naar de afdoening van zaken van seksueel mis-bruik in de jeugdzorg door het OM zijn de arrondissementen
Amsterdam, Arnhem, Groningen, Den Haag, Maastricht, Roer-mond en Zutphen onderzocht. Er zijn steekproeven genomen uit
de jaren 1992, 1997, 2002 en 2007. De onderzoeksopdracht luidde:
• aan de hand van een representatieve steekproef en dossieron-derzoek nagaan of de sepot- en/of transactiebeslissing van het
OM op correcte en begrijpelijke wijze (inhoud en procedure) tot
stand is gekomen en van de bevindingen gemotiveerd verslag
doen aan de commissie
202
5. Wetenschappelijk onderzoek
• de casuïstiek van het onderzoek van Bureau Beke naar de
reactie van de politie (met name de zaken waarin de aangifte
werd doorgestuurd) bezien op de afdoening door het OM; een
en ander tegen de achtergrond van de gebruikelijke vervol-gingspraktijk in de onderzochte jaren.
Vanaf 1990 waren op alle parketten de administratiesystemen
(Compas) volledig geautomatiseerd. Bovendien zijn voor 1990 veel
dossiers geschoond. Om deze redenen hebben de onderzoekers
alleen zaken vanaf 1990 bestudeerd. In totaal zijn 3.880 dossiers
gelicht en aan de hand van de voor het onderzoek relevante crite-ria gescreend. Deze eerste selectie van dossiers is verricht door de
medewerkers van het secretariaat van de commissie. De onderzoe-kers hebben in totaal 107 dossiers die aan de criteria voldeden
bestudeerd.
Het onderzoek is uitgevoerd door mr. S.J. (Stephaan) van Klave-ren, oud-vicepresident van de rechtbank Rotterdam, mr. R.S.T.
(Roelie) van Rossem-Broos, oud-hoofdofficier van justitie te Assen
en oud-voorzitter OM-commissie Zeden en Huiselijk Geweld, en
mr. L.A.J.M. (Leo) de Wit, oud hoofdofficier van justitie te Breda,
Rotterdam en Amsterdam.
Harreveld en toezicht
Naar aanleiding van het rapport van de commissie-Deetman en
het aan het licht gekomen seksueel misbruik in de instelling Har-reveld in de jaren vijftig, gevolgd door castratie van een jeugdige
nadat deze de instelling had verlaten, zijn vragen gesteld over de
gang van zaken bij de instelling Harreveld en het feitelijk toezicht
op de instelling. Omdat hierover in de uitgevoerde deelonderzoe-ken geen inzicht kon worden verkregen, is besloten aanvullend
onderzoek te doen naar de instelling Harreveld en het toezicht in
de jaren 1950-1990. Dit aanvullende onderzoek is belegd bij de uit-voerders van het historisch onderzoek, de Rijksuniversiteit Gronin-gen. Projectleider was prof. dr. J.J.H. Dekker.
203
5. Wetenschappelijk onderzoek
Spelers in het jeugdveld
Al in de beginfase van het onderzoek bleek dat een aantal instan-ties de laatste jaren een beperkte rol vervulde op het moment
dat een kinderbeschermingsmaatregel was getroffen en het kind
aan de zorg van anderen was toevertrouwd. Daarom is over die
periode geen verdiepend onderzoek ingesteld naar het Advies- en
Meldpunt Kindermishandeling, de Raad voor de Kinderbescher-ming, de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescher-ming en de kinderrechters.
De commissie heeft de bezoekverslagen van de Raad voor Straf-rechtstoepassing en Jeugdbescherming uit de periode dat deze
een toezichthoudende taak had bij de justitiële jeugdinrichtingen
ingezien. Deze verslagen zijn ook beschikbaar gesteld aan de
onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen. De commissie
heeft zelf gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers van het
AMK, de Raad voor de Kinderbescherming en de kinderrechters
(zie hoofdstuk 8). De informatie gaf geen aanleiding tot nader
onderzoek.
Literatuuronderzoek
Van alle grote deelonderzoeken maakte een literatuuronderzoek
deel van de opdracht uit. Zie voor een overzicht van alle literatuur
deel 3 van het rapport.
Onderzoeksconsortium
De verschillende deelstudies kenden een duidelijke onderlinge
samenhang. In een enkel geval was sprake van overlap in de
vraagstelling, waardoor regelmatig overleg en afstemming nood-zakelijk zijn geweest. Hiervoor is een onderzoeksconsortium in
het leven geroepen. Aan het onderzoeksconsortium hebben deel-genomen: de projectleiders van de deelstudies en de leden van
de begeleidingscommissies van deze deelstudies, alle leden van
de commissie, de secretaris van de commissie en de secretarissen
van de begeleidingscommissies van de deelstudies.
204
5. Wetenschappelijk onderzoek
Vragen van zowel inhoudelijke als organisatorische aard zijn
behandeld in het onderzoeksconsortium. Het betrof onder andere
definitiekwesties, interpretatievraagstukken, voortgangsbewa-king, mediacontacten en contacten met en medewerking van het
veld. Daarnaast hebben de onderzoekers elkaar in het onderzoeks-consortium geïnformeerd over de stand van zaken van de deelstu-dies en tussentijdse resultaten met elkaar gedeeld.
Het onderzoeksconsortium is gedurende de onderzoeksperiode
vijf keer bij elkaar gekomen. De eerste bijeenkomst stond in het
teken van de onderzoeksopzet. Tijdens de daaropvolgende bijeen-komsten is gesproken over de voortgang, medewerking van het
veld, overlap, blinde vlekken en voorlopige bevindingen. Tijdens de
laatste bijeenkomst zijn de belangrijkste resultaten en conclusies
van de deelstudies met elkaar gedeeld.
Met de voorzitters van de begeleidingscommissies is drie keer
apart overlegd over het verloop en de uitkomsten van de verschil-lende deelonderzoeken en de voorlopige conclusies die de com-missie verbond aan het onderzoeksmateriaal. Deze gesprekken
stonden te boek als ‘het dwarskijkersoverleg’.
Beperkingen
De deelonderzoeken moesten een beeld schetsen van het seksueel
misbruik in de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg en de
reactie daarop over de periode 1945-2010. Dat is een zeer lange te
onderzoeken periode, terwijl de doorlooptijd van de onderzoeken
beperkt was. Zoals gebruikelijk is bij wetenschappelijk onderzoek,
is ook in dit onderzoek het doel niet geweest om een volledig slui-tend onderzoek te doen naar alle instellingen en casuïstiek, maar
representatieve steekproeven te trekken.
Onderzoek naar seksueel misbruik over een lange periode brengt
nog een ander probleem met zich mee. Opvattingen over wat we
nu seksueel misbruik noemen, zijn in de afgelopen decennia sterk
veranderd, en dat geldt daarmee ook voor de betreffende wet- en
regelgeving en voor de aard van de interventies. Het is en was
moeilijk het onderwerp seksueel misbruik in de openheid te
205
5. Wetenschappelijk onderzoek
brengen. De historisch wisselende opvattingen daarover maken
het onderzoek ernaar complex. Een laatste complicerende factor
is dat het menselijk geheugen vager wordt naarmate de vragen
verder teruggaan in de tijd. Deze drie omstandigheden maken
kwantitatief onderzoek vrijwel niet mogelijk.
Bij de uitvoering van de deelonderzoeken is telkens nadrukkelijk
aandacht gevraagd voor seksueel misbruik in de pleeggezinnen,
omdat er weinig wetenschappelijke literatuur is over seksueel
misbruik bij pleeggezinnen. Het onderzoeken van casuïstiek en
ander archiefmateriaal was lastig. De informatie uit het meld-punt van de commissie is daarom van extra groot belang geble-ken.
Niet alle uitgevoerde deelonderzoeken verliepen zonder slag of
stoot. Twee jeugdzorgbestuurders hebben (volledige) deelname
aan het onderzoek naar de prevalentie van seksueel misbruik
geweigerd. Anderen hadden aanvankelijk twijfels over het effect
dat het invullen van de vragenlijst op het psychisch welzijn van
de jongeren zou kunnen hebben. Voor het onderzoek naar de pre-valentie van seksueel misbruik in de gedwongen jeugdzorg over
de periode 2008-2010 zijn door de onderzoekers jongeren in
instellingen en pleeggezinnen benaderd voor het invullen van
een digitale vragenlijst. Omdat Jeugdzorg Nederland zorgen had
over het effect van het invullen van de (door de Commissie Medi-sche Ethiek van het Leids Universitair Medisch Centrum goedge-keurde) vragenlijst op het psychisch welzijn van de jongeren, is
afgesproken dat de onderzoekers eerst een pilotstudie zouden
uitvoeren in drie instellingen. Deze pilotstudie verliep probleem-loos. Jeugdzorg Nederland besloot vervolgens toch ook nog de
Kinderombudsman om advies te vragen. Die adviseerde de vra-genlijst en het onderzoeksprotocol van de onderzoekers voor te
leggen aan twee traumadeskundigen. De beide traumadeskun-digen oordeelden positief. Deze procedure heeft het onderzoek
drie maanden vertraagd. De Universiteit Leiden heeft het onder-zoek uiteindelijk (mede daardoor) met in totaal een vertraging
van vijf maanden opgeleverd. Daarnaast werd door de vertraging
het aantal mogelijke deelnemers kleiner, vanwege het selectie-criterium dat de jongere niet alleen op het moment van het
206
5. Wetenschappelijk onderzoek
bevragen, maar ook al in 2010 in een instelling of pleeggezin
moest verblijven. Dit heeft de zeggingskracht van deze onderzoe-ken aangetast.
Voorts is het moeilijk gebleken om kinderen in instellingen te
interviewen. Op 23 april 2012 berichtten prof. dr. F. Lamers-Winkel-man en drs. B. Tierolf dat zij getracht hebben met 20 pupillen een
persoonlijk interview uit te voeren. Hiervoor hebben zij 24 pupil-len benaderd, die eerder hadden aangegeven te willen meewer-ken aan een interview. De meeste pupillen reageerden niet of
gaven aan dat zij besloten hadden niet meer mee te doen. Ook
om andere redenen kon het interview soms niet doorgaan. Uitein-delijk zijn er 5 interviews afgenomen met pupillen van 16 jaar of
ouder en bleek het niet mogelijk te zijn jongere pupillen te inter-viewen (zie bijlage 11).
De respons op de door de Universiteit Leiden gehanteerde vragen-lijsten bij het onderzoek naar misbruik onder minderjarigen met
een verstandelijke beperking was laag. De oorspronkelijke opzet
was om naast 100 informanten ook 100 ouders van kinderen met
een verstandelijke beperking te bevragen over mogelijke ervarin-gen met seksueel geweld van hun kind in een instelling over de
periode 2008-2010. De resultaten zouden inzicht moeten ver-schaffen in de prevalentie van seksueel misbruik. Gedurende de
onderzoeksperiode bleek de prevalentiestudie onder ouders niet
haalbaar. Uitgangspunt van de commissie was dat het belangrijk
was om ouders te horen. Daarom is besloten een deel van het
onderzoek bij de Universiteit Leiden weg te halen en is Rutgers
WPF, die reeds ervaring had met onderzoek naar seksueel mis-bruik van mensen met een verstandelijke beperking, gevraagd
om een kwalitatief onderzoek te doen onder ouders van een kind
met een verstandelijke beperking dat seksueel misbruikt is in een
instelling. Er is een grote wervingsactie opgezet, maar respons
van ouders, vallend binnen het onderzoeksbereik van de opdracht,
is uitgebleven (zie brief en verslag Rutgers WPF, bijlage 14, 15).
Ondanks grote inspanningen is ook dit onderzoek niet uitvoer-baar gebleken. Dit laat zien dat het bevragen van deze deelpopu-latie extreem ingewikkeld is.
207
5. Wetenschappelijk onderzoek
Een andere belemmering betrof de beschikbaarheid van archie-ven. Deze waren in overeenstemming met de regelgeving
geschoond.
De commissie betreurt het voortijdig uitlekken van de voorlopige
bevindingen van de prevalentiestudies inde Volkskrant. Dat
gebeurde op een moment dat met de onderzoekers in de begelei-dingscommissie nog overleg werd gevoerd over de uitvoering van
het onderzoek en de interpretatie van de data. Het betrof met
name de vergelijking tussen de gemiddelde Nederlandse jonge-ren zoals in het NPM-onderzoek bevraagd, en de ten behoeve van
dit onderzoek bevraagde jongeren. Gaande het onderzoek bleek
er verschil van inzicht te bestaan tussen de onderzoekers en leden
van de begeleidingscommissies over de te hanteren statistische
methoden. De voorzitters van de begeleidingscommissies hebben
om die reden geadviseerd het rapport niet te accepteren. Aange-zien het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de
offerte, en omdat dat verschil van inzicht slechts zijn weerslag
had op een deel van de vragen, heeft de commissie besloten het
rapport wel te aanvaarden. De betwiste statistische toets heeft
de commissie in haar verslaglegging niet opgenomen; voor het
overige kon de toetsing gebruikt worden.
De verzamelde deelonderzoeken geven in combinatie met de
andere informatie die de commissie heeft gekregen uit (rondeta-fel)gesprekken en meldingen een voldoende valide beeld om op
basis daarvan een aantal belangrijke conclusies te trekken. Dit
standpunt werd gedeeld en onderschreven door de voorzitters
van de verschillende begeleidingscommissies.
De rapporten van alle deelonderzoeken zijn opgenomen in deel
3 van het eindrapport van de commissie.
208
5. Wetenschappelijk onderzoek
6. Internationale afstemming
Mede in het licht van de onthullingen over seksueel misbruik
binnen de rooms-katholieke kerk is misbruik van minderjarigen
een onderwerp dat niet alleen in Nederland actueel is en de
gemoederen in beweging houdt, maar ook in het buitenland. De
commissie wilde leren van de ervaringen in het buitenland en
haar eigen bevindingen laten toetsen door buitenlandse deskun-digen.
Werkbezoek Duitsland
Op 7 april 2011 heeft de commissie een werkbezoek gebracht aan
de Unabhängige Beauftragte zur Aufarbeitung des sexuellen Kin-desmissbrauchs, de zogenoemde commissie-Bergmann in Berlijn.
De commissie heeft gesproken met de voorzitter van de Duitse
commissie, oud-minister en oud-burgemeester van Berlijn
dr. Christine Bergmann. Op 13 juli 2011 heeft de commissie de pre-sentatie van de bevindingen van de commissie-Bergmann bijge-woond.
In Duitsland is het onderwerp seksueel misbruik op twee
manieren onderzocht. Ten eerste via rondetafelgesprekken met
een bestuurlijke insteek. De tafels met hun verschillende werk-groepen bestonden uit meerdaagse bijeenkomsten waaraan 30
tot 50 vertegenwoordigers van de regering, jeugd(zorg)organisa-ties, wetenschappers en slachtoffers hebben deelgenomen.
Daarnaast werd er een onafhankelijk meldpunt geleid door
dr. Christine Bergmann. Ten tijde van het bezoek van de commissie
waren er 11.000 reacties bij het meldpunt binnengekomen.
Het Duitse onderzoek heeft zich gericht op seksueel kindermis-bruik in afhankelijkheids- en machtsverhoudingen in particuliere
en publieke instellingen en binnen families, en heeft daarmee een
209
aanzienlijk bredere insteek dan het onderzoek van de commissie.
Wetenschappelijk onderzoek naar aard en omvang van het mis-bruik heeft in Duitsland, in tegenstelling tot het onderzoek van de
commissie-Samson, slechts een marginale rol gespeeld. Het onder-zoek heeft zich voornamelijk gericht op materiële en immateriële
steun voor de slachtoffers en is medio 2011 afgerond.
Internationale expertmeeting
Op 29 en 30 maart 2012 heeft de commissie een internationale
expertmeeting gehouden met een aantal gerenommeerde des-kundigen (zie bijlage 5) op het gebied van seksueel misbruik van
kinderen. Deze waren afkomstig uit België, Duitsland, Engeland en
Nederland. Het doel van de expertmeeting was de onderzoeksop-zet en de resultaten van de verschillende deelonderzoeken van de
commissie ter reflectie voor te leggen aan een groep deskundigen.
De deskundigen zijn op basis van hun expertise en ervaring gese-lecteerd voor deelname.
De expertmeeting bestond uit drie aaneengesloten dagdelen. Ter
voorbereiding van de bijeenkomst hebben alle deelnemers een
congresmap ontvangen met daarin informatie over het pro-gramma, het Nederlandse jeugdzorgstelsel en de verschillende
deelonderzoeken. Daarnaast ontvingen de deelnemers een map
met relevante literatuur. Tijdens de expertmeeting zijn er door de
commissieleden over de voorlopige bevindingen presentaties
gehouden. De volgende onderwerpen kwamen aan bod: de opzet
van de verschillende deelonderzoeken, de prevalentie, context,
aard en omvang van seksueel misbruik van kinderen in residenti-ele jeugdzorginstellingen en pleeggezinnen, het onderzoek naar
de daders, de beschermingsconstructies van kinderen in residen-tiële jeugdzorginstellingen en pleeggezinnen, en mechanismen
voor signalering van seksueel misbruik. Daarnaast is er tijdens de
expertmeeting gesproken over de aanpak van seksueel misbruik
van kinderen in de residentiële jeugdzorg en pleegzorg in andere
landen, en is er gesproken over mogelijke aanbevelingen op het
terrein van seksueel misbruik van kinderen in residentiële jeugd-zorginstellingen en pleegzorg. Gedurende de drie dagdelen was er
210
6. Internationale afstemming
ruim de gelegenheid om met elkaar van gedachten te wisselen
over het onderwerp en te reflecteren op de bevindingen. De
expertmeeting heeft daarmee een belangrijke bijdrage geleverd
aan de inzichten in de aard en omvang van seksueel misbruik, pre-ventie van en de mechanismen voor signalering van seksueel mis-bruik van kinderen in Nederland en in het buitenland.
211
6. Internationale afstemming
7. Contact met de commissie-Deetman
De commissie heeft gedurende haar werkzaamheden samenge-werkt met de commissie-Deetman. Zowel de voorzitters als de
secretariaten van beide commissies hebben contacten onderhou-den. Hoewel bij de commissie-Deetman het taakgebied, de
opdracht en de opdrachtgevers een andere waren dan bij de com-missie-Samson, is er ook sprake geweest van overlap. Door de
overheid uit huis geplaatste kinderen kwamen soms ook in katho-lieke instellingen terecht.
De commissie heeft in haar onderzoek enkele katholieke instellin-gen betrokken en kon dankbaar voortbouwen op de onderzoeksre-sultaten van de commissie-Deetman. Dit geldt bijvoorbeeld voor
de instelling Harreveld en de Leo-Stichting in Borculo (ook wel
Klein-Borculo genoemd).
Ook heeft de commissie kunnen voortbouwen op de systema-tische onderzoeksaanpak van de commissie-Deetman, die vele
vondsten heeft opgeleverd. Een van de onderzoekers van de com-missie-Deetman, drs. P. C.M. (Paul) Koedijk, heeft in 2012 op verzoek
van de Rijksuniversiteit Groningen de onderzoekers geholpen bij
het snel en goed kunnen doorspitten van instellingsarchieven. Hij
heeft bovendien voor de commissie een belangrijke bijdrage gele-verd aan het onderzoek naar het feitelijk overheidstoezicht.
Op een ander punt is er eveneens sprake geweest van samenwer-king. Bij beide commissies kwamen er meldingen over seksueel
misbruik binnen. Bij de commissie-Deetman ging het in hoofd-zaak om meldingen die betrekking hadden op de periode voor
1980. Deze meldingen kwamen vooral per mail en per brief
binnen. Bij de commissie-Samson hadden de meldingen betrek-king op de periode voor en na 1980. Deze meldingen kwamen
overwegend per telefoon en mail binnen. Een kleine 60 melders
212
hebben zich bij beide commissies gemeld of werden door de com-missie verwezen naar de commissie-Deetman en omgekeerd.18
Dit
had te maken met de kernboodschappen die mensen in hun mel-dingen kwijt wilden, bijvoorbeeld over de kinderbescherming, de
voogd, hun afkomst of over de betrokken instelling waar zij verble-ven. De commissies hebben voorts aan elkaar laten zien hoe zij de
kwantitatieve analyses van de meldingen opgezet en vervolgens
uitgevoerd hebben qua invoering, codering en interpretatie.
De commissies hebben tot slot eendrachtig opgetrokken in het
zoeken naar goede hulpverlening voor melders. Beide commissies
hebben gezamenlijk met SHN gesproken over de roep van slacht-offers om adequate hulpverlening. Daarnaast hebben de commis-sies een initiatief van SHN ondersteund om te komen tot een
netwerk van hulpverlening. Bij de ministeries van VWS en VenJ is
eendrachtig bepleit dat er na de opheffing van beide commissies
een breed meldpunt moet komen. De bewindslieden hebben dit
vervolgens toegezegd.
Ook de commissie-Deetman heeft onderzoek uitgevoerd naar de
prevalentie van seksueel misbruik. Daarbij is een andere metho-dologie gehanteerd dan bij de deelonderzoeken 3a, 4 en 5a. Deze
andere werkwijze leidt ook tot andere uitkomsten, los van het feit
dat de doelgroepen die onderwerp van onderzoek waren van
beide commissies voor een groot deel verschilden, de plaatsingen
de facto in tijd verschilden (ook al bestrijkt het onderzoek dezelfde
periode) en de context waarin de plaatsing gebeurde anders was.
213
7. Contact met de commissie-Deetman
18 Tot 1 juli 2012 heeft de commissie-Deetman 58 zaken overgedragen, waarvan 16 al
bekend waren bij de commissie-Samson; de commissie-Samson heeft 29 zaken overge-dragen aan de commissie-Deetman.
8. Professionals
De commissie heeft met vele deskundigen gesproken die op eni-gerlei wijze in verband staan met het thema van het onderzoek.
Het gaat om professionals uit de jeugdsector, de politie, het OM,
kinderrechters, de wetenschap en aan de jeugdzorg aanpalende
sectoren.
Deze contacten hadden vooral tot doel het onderzoeksgebied
scherper te krijgen en duidelijk te maken waar de commissie alert
op moest zijn. In deze gesprekken kwamen vragen aan bod als:
• Wat zijn de belangrijke ontwikkelingen?
• Welke problemen ervaart men in de praktijk?
• Hoe verlopen de contacten met minderjarigen en hun ouders?
• Heeft men ervaring met seksueel misbruik van minderjarigen
die in de residentiële jeugdzorg en pleegzorg zijn geplaatst?
Zo ja, hoe is hierop gereageerd?
• Hoe ziet men de eigen taakopvatting?
• Hoe heeft de eigen functie-inhoud zich ontwikkeld?
• Hoe verloopt de samenwerking met andere ketenpartners?
• Zijn er mogelijke belemmeringen in de wet- en regelgeving?
• Hoe is de werkdruk?
• Hoe vindt de selectie van personeel plaats?
• Krijgt seksualiteit aandacht in het werkoverleg?
• Wat zijn de consequenties van het sluiten van instellingen voor
investeringen in kwaliteitsbevordering?
• Hoe ervaart men de professionaliteit van de sector?
Met sommige organisaties c.q. beroepsgroepen is verschillende
keren in diverse samenstellingen gesproken. Deze gesprekken
waren informatief en constructief. De medewerking van de pro-fessionals was groot.
214
Bij een werkbezoek aan een jeugdzorginstelling is tevens gespro-ken met twee jongens die vanwege zedenproblematiek daar
behandeld werden. Het gesprek ging over de behandeling die zij
kregen, of zij gevallen van seksueel misbruik in de instellingen
kenden en wat zijzelf zouden doen als ze misbruikt zouden
worden. Van dit gesprek zijn uit privacyoverwegingen alleen
geanonimiseerde aantekeningen gemaakt.
Van alle gesprekken zijn verslagen gemaakt, die ter goedkeuring
aan de deelnemers zijn voorgelegd. De definitieve gespreksversla-gen zijn met toestemming van de betrokkenen beschikbaar
gesteld aan de onderzoekers voor zover deze voor hun deelonder-zoek relevant waren.
Doordat zoveel gesprekken zijn gevoerd en de gesprekspartners
veel vertelden, heeft de commissie een goede indruk kunnen
krijgen van de betrokkenheid van de professionals en de belem-meringen bij het doen van hun werk. De informatie bood mede
input voor de rondetafelgesprekken die later in het onderzoek
plaatsvonden. Ook hebben deze gesprekken bijgedragen aan het
inzicht van de commissie in de wijze waarop de sector omgaat
met het onderwerp seksueel misbruik en in de professionaliteit
van de sector. Deze informatie ligt mede ten grondslag aan de
conclusies die de commissie in deel 1 van haar rapport trekt. In
bijlage 6 is een overzicht opgenomen van de gesprekspartners.
Aan het eind van haar onderzoek heeft de commissie haar aanbe-velingen aan drie veranderkundigen voorgelegd die allen op eni-gerlei wijze betrokken zijn bij de jeugdzorg. Hen is gevraagd of de
aanbevelingen begrijpelijk en volledig zijn en op welke manier het
veranderingsproces de meeste kans van slagen heeft.
215
8. Professionals
9. Rondetafelgesprekken
Aan het eind van haar onderzoek en in aanvulling op de weten-schappelijke deelonderzoeken heeft de commissie verschillende
rondetafelgesprekken georganiseerd. Deels vonden deze in
opdracht van de commissie plaats onder leiding van het Verwey-Jonker Instituut dan wel onder leiding van D.S. (Douwe) van den
Berg (Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling (DMO), Amsterdam)
en S. (Simen) van der Goot (Parresia Consultants B.V.), deels onder
leiding van leden van de commissie-Samson.
Doelen van deze rondetafels waren:
• vraagstukken en resultaten van de wetenschappelijke deelon-derzoeken te concretiseren naar het beleid en de praktijk van
alledag
• in een interactief proces met het veld tot oplossingen en/of
aanbevelingen komen rond het bestrijden van seksueel mis-bruik in de jeugdzorg
• het spiegelen van de bevindingen van de commissie aan de
deelnemers
• het scherper maken van de ontwikkeling van het veiligheids-beleid in de pleegzorg
• het belichten van het perspectief van professionals, pleeg-ouders, ouders en kinderen.
De rondetafels hadden als deelnemers:
• medewerkers uit de residentiële jeugdzorg
• medewerkers uit de pleegzorg
• pleegouders
• biologische ouders
• bestuurders van jeugdzorgorganisaties
• wetenschappers en (oud-)ambtenaren
216
• slachtoffers
• kinderen.
In bijlage 7 is vermeld wie aan de rondetafelgesprekken die onder
leiding van de leden van de commissie zijn gehouden, hebben
deelgenomen.
Het Verwey-Jonker Instituut heeft in samenwerking met de Vrije
Universiteit twee rondetafelgesprekken met medewerkers uit de
residentiële jeugdzorginstellingen georganiseerd in aanvulling
op haar onderzoek naar de wijze waarop de aanpak van seksueel
misbruik in de residentiële jeugdzorg en pleegzorg is georgani-seerd (governance-vraagstuk). Deze gesprekken hadden tot doel
om in samenspraak met het veld tot aanbevelingen of oplossin-gen te komen voor het bestrijden van seksueel misbruik in de resi-dentiële jeugdzorg.
Het eerste rondetafelgesprek, verspreid over twee bijeenkom-sten, was met mensen van het uitvoerende niveau. De eerste bij-eenkomst was gericht op het inventariseren van dilemma’s,
knelpunten, behoeften en wensen aan de hand van een drietal fic-tieve casus die aansluiten bij de praktijk. Op grond van de discus-sie in de eerste bijeenkomst van rondetafelgesprek 1 is een notitie
met aanbevelingen geformuleerd en deze notitie is besproken op
de tweede bijeenkomst van rondetafelgesprek 1. Naar aanleiding
van de discussie op de tweede bijeenkomst zijn de aanbevelingen
verdiept en aangescherpt. De aanbevelingen uit dit eerste ronde-tafelgesprek zijn besproken in het tweede rondetafelgesprek met
management/bestuur, vanuit de gedachte dat management en
bestuur zorg moeten dragen voor de randvoorwaarden waaronder
een beleid kan worden uitgevoerd.
Douwe van den Berg en Simen van der Goot hebben met de
methodiek ‘Vakmanschap aan Zet’ aan de hand van dossiers de
hulpverleningsgeschiedenis van drie gezinnen gereconstrueerd.
Deze geschiedenis is weergegeven op een behangrol, met alle
deelnemers doorgelopen en waar nodig aangevuld. Zo werd
inzicht verkregen in de ervaringen, de knelpunten en de dilem-ma’s die hulpverleners hebben in hun werk en in het bijzonder
217
9. Rondetafelgesprekken
waar het gaat om het herkennen, signaleren en adequaat reage-ren op signalen van seksueel misbruik. Daarnaast heeft de ‘be-hangrol’ patronen uit de werkpraktijk zichtbaar gemaakt die het
signaleren en adequaat reageren op signalen van seksueel mis-bruik belemmeren. Aan deze tafel is gesproken over mogelijke
aanbevelingen en oplossingen om het beleid en de uitvoerings-praktijk te verbeteren.
In aparte rondetafelgesprekken is aandacht besteed aan het toe-zicht op de pleegzorg en aan de ontwikkelingen in de zorg voor
veiligheid in de pleegzorg.
Naast de gesprekken met professionals zijn er rondetafelgesprek-ken gehouden met biologische ouders, pleegouders, kinderen en
inmiddels volwassen slachtoffers. Deze gesprekken zijn steeds
gevoerd met één of meer leden van de commissie.
Het gesprek met pleegouders ging over de voorbereiding op de
komst van het kind en informatieverstrekking over de problema-tiek van het kind, de mogelijkheid om raad te vragen bij proble-men, de juridische positie van de pleegouders en de situatie rond
en na het vertrek van het kind.
Het rondetafelgesprek met biologische ouders ging over vragen
wat er goed en niet goed is gegaan in de contacten met de hulp-verlening, welke lessen te trekken zijn en waar veranderingen
wenselijk zijn.
In de gesprekken met kinderen en (inmiddels) volwassen
slachtoffers is getoetst of de bevindingen en de aanbevelingen
van de commissie herkend en gedragen worden door betrokkenen.
Een van de onderwerpen in het gesprek met de inmiddels volwas-sen slachtoffers was de verjaringstermijn. Slachtoffers gaven aan
zelf levenslang de gevolgen te ondervinden van het seksueel mis-bruik en vragen waarom in die gevallen het recht op vervolging
zou moeten vervallen. In de reactie is vermeld dat het ontbreken
van een verjaringstermijn niet in overeenstemming is met het
systeem van rechtsvordering en er ook zeer grote problemen bij
de bewijslast opdoemen. Een maatregel tot opheffing van de ver-jaringstermijn kan verwachtingen wekken die in de praktijk niet
218
9. Rondetafelgesprekken
kunnen worden waargemaakt. Daarmee zou het slachtoffer zich
wederom in de kou gezet kunnen voelen.
In deel 3 van het rapport zijn de uitkomsten van een aantal ronde-tafelgesprekken opgenomen. Dat betreft de verslagen van de
gesprekken over professionalisering en (toezicht op) de pleegzorg,
die onder leiding van een lid van de commissie-Samson zijn
gevoerd. De bevindingen van de gesprekken die gevoerd zijn onder
leiding van het Verwey-Jonker Instituut zijn verwerkt in het
rapport over governance. De bevindingen van de gesprekken geor-ganiseerd door Douwe van den Berg (DMO Amsterdam) en Simen
van der Goot (Parresia Consultants B.V.) zijn verwerkt in de notitie
‘Soms kun je het alleen maar fout doen’. De verslagen van de
overige rondetafelgesprekken zijn vanwege het vertrouwelijke
karakter niet in het rapport opgenomen.
219
9. Rondetafelgesprekken
10. Communicatie
De communicatie gedurende de periode dat de commissie actief
is geweest, balanceerde tussen terughoudendheid en zo veel
mogelijk openheid. Het streven is steeds geweest het onderzoek
te bevorderen, de slachtoffers te beschermen en zo veel mogelijk
publiciteit te genereren voor het einddoel: het produceren van
een zo goed mogelijk rapport. Daarnaast zijn alle instrumenten
ingezet om informatie over het onderzoek te geven, misverstan-den weg te nemen en waar dat noodzakelijk werd gevonden
alarm te slaan. Die signalen werden in alle beslotenheid afgege-ven aan bestuurders, dan wel via de media. Altijd met als doel dat
er zo snel mogelijk nog voor het eindrapport gereed was verbeter-maatregelen genomen konden worden.
De media hebben veel belangstelling voor fenomenen als seksueel
misbruik, geweld en misbruik, zeker als het om kinderen gaat. De
commissie, in het bijzonder voorzitter Rieke Samson en woord-voerder Louis Cornelisse, heeft alle contacten met de pers als pro-fessioneel en prettig ervaren. Zonder uitzondering hebben alle
journalisten zich aan de gemaakte afspraken gehouden. Media-breed is er veel kennis over het onderwerp dat de commissie in
haar rapport behandelt. Dat is de kwaliteit van de berichtgeving
over de werkzaamheden van de commissie alleen maar ten goede
gekomen.
De buitenwereld is gedurende de werkzaamheden van de com-missie op de hoogte gehouden door het verspreiden van het zoge-noemde openbaar bericht. Er zijn er zeven naar buiten gebracht.
In het openbaar bericht werden in elke editie verschillende onder-werpen belicht. De eerste persconferentie rond een openbaar
bericht vond plaats op 23 september 2010. Toen werd de website
220
gelanceerd en over de eerste 100 meldingen gecommuniceerd. De
tweede persconferentie van 26 januari 2011 ging over de inrichting
van de wetenschappelijke deelonderzoeken en de omgang met en
overdracht van meldingen. Op 22 juni 2011 is een openbaar bericht
in een derde persconferentie toegelicht. Daarbij ging het om de
indrukken die de onderzoekers en commissie niet tot het eind van
het onderzoek voor zich wilden houden. De ruim 500 meldingen
die tot dan toe bij de commissie waren binnengekomen, werden
na een eerste analyse ‘schokkend’ genoemd. Rieke Samson sprak
van ‘zeer ernstige gevallen van seksueel misbruik die vaak jaren-lang aanhielden’.
Contact met jongeren
Elke keer dat de commissie in de pers verscheen, groeide het
aantal slachtoffers dat contact zocht met het meldpunt. Dat was
al meteen na het eerste persbericht van 19 juli 2010, waarin de
opening van het meldpunt werd aangekondigd. Gaandeweg werd
duidelijk dat vooral volwassenen met een Nederlandse achter-grond zich meldden. Allochtone jongeren deden dat veel minder.
Gezien hun grote aandeel in instellingen en pleegzorg is het moei-lijk voorstelbaar dat allochtonen niet vaker het slachtoffer zijn
geweest van seksueel misbruik.
Om jongeren met een allochtone achtergrond op te roepen zich te
melden, zijn er verschillende initiatieven genomen. In overleg met
organisaties van minderheden is ervoor gekozen een toeganke-lijke flyer te maken: een klein boekje met korte teksten, die zijn
voorgelegd aan verschillende doelgroepen. Ook het Nederlands
Jeugdinstituut heeft hierover advies gegeven. Het boekje is ver-spreid via verschillende kanalen, waaronder het Landelijk Overleg
Minderheden, Defence for Children en bladen voor jongeren in
instellingen en pleeggezinnen. De flyer is verspreid onder 3.000
jongeren en geplaatst op de website van de commissie. De stich-ting STUK heeft voor de commissie twee films gemaakt vóór en
dóór (allochtone) jongeren. De films hebben hun weg op internet
gevonden.
221
10. Communicatie
Voorzitter Rieke Samson heeft daarnaast voor de radiomicrofoon
(Goedemorgen NederlandenPremtime) allochtonen opgeroepen
zich te melden. Ook in interviews in landelijke dagbladen en tijd-schriften heeft zij aandacht voor het onderwerp gevraagd. De lan-cering van de flyer, tegelijkertijd met het eerste STUK-filmpje,
vond op 6 september 2011 plaats in het Kinderrechtenhuis in
Leiden.Hart van Nederland, Algemeen Nederlands Persbureau
(ANP) en andere media hebben aandacht aan de bijeenkomst
besteed. Voortbordurend op de flyer en de oproep verscheen een
vraaggesprek met Rieke Samson in deHOUSEkrantvan Defence
for Children, die naar kinderen in instellingen gaat. De flyer werd
bijgesloten bij het magazine. Hetzelfde is gedaan met de uitgave
Wat?!, die pleegkinderen in het pleeggezin ontvangen. Dit alles
heeft niet mogen baten voor het aantal meldingen. De respons
van kinderen en jongeren zelf bleef zeer laag.
Gedurende het onderzoek van de commissie heeft Rieke Samson
periodiek de opdrachtgevers bijgepraat. De bewindslieden van
Justitie (later VenJ) en van Jeugd en Gezin (later VWS) werden
geïnformeerd over de voortgang. Maar ook was er gelegenheid om
nijpende problemen onder de aandacht te brengen. Met ongeveer
dezelfde tussenpozen lichtte Rieke Samson de Tweede Kamer in, in
het bijzonder de commissies voor VenJ en die voor Jeugdzorg.
Met bestuurders en communicatiemedewerkers van Jeugdzorg
Nederland is op verschillende momenten contact geweest. Doel
was om de eventuele vrees bij instellingen voor het onderzoek
weg te nemen en medewerking te stimuleren. In samenwerking
tussen de commissie en Jeugdzorg Nederland is via de website
van Jeugdzorg Nederland uitleg gegeven over het onderzoek. Ook
in vakbladen konden werkers in de jeugdzorg achtergrondinfor-matie opdoen. Interviews inJeugd & CoenInzichtdienden ook
daartoe. Dit heeft er echter niet toe geleid dat de medewerking
aan het onderzoek vlekkeloos is verlopen. In hoofdstuk 5 is inge-gaan op belemmeringen bij de uitvoering van de onderzoeken.
222
10. Communicatie
Optreden in de media
Op verschillende ogenblikken heeft Rieke Samson interviews
gegeven aan dagbladen, magazines en radio- en tv-programma’s.
Een greep uit die activiteiten: medewerking aan de tv-program-ma’sKnevel & Van den BrinkenRondom 10om de eerste ervarin-gen van de commissie te delen. In september 2011 kondigde Rieke
Samson voor de camera aan dat ook kinderen met een verstande-lijke beperking bij het onderzoek worden betrokken. In november
deed zij hetzelfde om een andere uitbreiding van het onderzoek
kenbaar te maken naar plegers van seksueel misbruik. Eind
januari 2012 pleitte zij in het NOS-journaal voor voortzetting van
een breed meldpunt nadat het meldpunt van de commissie zal
zijn opgeheven. Ook werkte zij mee aan reportages vanEenVan-daagenZembla.
Op 29 januari 2012 organiseerde SHN met steun van de commissie
een lotgenotenbijeenkomst in Amersfoort. De bijeenkomst was
besloten. De media, waaronder het NOS-journaal, hebben aan-dacht aan de bijeenkomst besteed.
Website en Twitter
Vanaf september 2010 is de website http://www.onderzoek-seksueel-kindermisbruik.nl, later ook bereikbaar onder http://www.commissie-samson.nl, in de lucht, waarop alle relevante en actuele informa-tie te vinden is. In de periode 23 september 2010 tot en met
23 april 2012 is de website van de commissie 15.504 keer bezocht.
12.717 mensen bezochten de website één keer, 1.442 mensen
hebben de website van de commissie twee of meer keren bezocht.
Gemiddeld duurde een bezoek aan de website 6 minuten.
Tot slot zijn het werk en de ervaringen van de voorzitter en de
commissie sinds maart 2012 actief op Twitter via het account
van Rieke Samson te volgen. Haar Twitter-account,
http://www.twitter.com/RiekeSamson, blijft tot 1 januari 2013 actief.
223
10. Communicatie
11. Archivering
De commissie heeft gedurende haar werk een uitgebreid archief
bijgehouden. Dit archief wordt op 1 januari 2016 overgedragen
aan het ministerie van VenJ.
De inhoud van het archief draagt in grote mate een vertrouwe-lijk karakter. Dit heeft vooral te maken met meldingen van seksu-eel misbruik.
De commissie en het secretariaat hebben stukken betreffende
de officiële vergaderingen van de commissie, ontmoetingen met
derden, gesprekken met de bewindslieden van VenJ en VWS, voor-bereidende memo’s van het secretariaat en haar eigen wekelijkse
werkoverleggen met Rieke Samson gearchiveerd.
De commissie heeft alle stukken betreffende de onderzoeks-werkzaamheden in het archief opgenomen.
Het archief bevat materiaal van de offerteprocedure, van de
begeleidingscommissies van de wetenschappelijke onderzoeken,
de gesprekken met de voorzitters van de begeleidingscommissies
en stukken die de internationale expertmeeting betreffen. Tevens
zijn opgenomen verslagen van gesprekken met professionals
en rondetafelgesprekken. Het meldpunt heeft een uitgebreid
bestand van meldingen en vervolgcontacten (telefoon, mail, post)
gearchiveerd. Dit betreft in hoofdzaak de ruim 800 meldingen en
de gesprekken van slachtoffers. Dit archief is alleen onder strikte
voorwaarden toegankelijk. De meldingen mogen niet zonder toe-stemming van betrokkene aan anderen worden overgedragen.
Tegelijkertijd kan de melder er zelf belang bij hebben dat zijn
informatie bij andere instanties, zoals het nieuwe meldpunt van
SHN, terechtkomt. Voorts is het ruwe materiaal voor later weten-schappelijk onderzoek interessant en dient daarvoor ook zo veel
mogelijk beschikbaar te blijven. Alle melders zullen benaderd
worden met de vraag of zij willen dat hun melding vernietigd
wordt, geanonimiseerd wordt, dan wel met vermelding van de
224
personalia overgedragen mag worden. Om die reden heeft de
commissie besloten tot de instelling van een beheerscommissie,
die tot 1 januari 2016 zorg zal dragen voor het archief.
225
11. Archivering

Bijlagen

1. Instellingsbesluit
d.d. 16 augustus 2010
Besluit van de Minister van Justitie en de Minister voor Jeugd
en Gezin van 16 augustus 2010, nr. DDS 5663593, houdende
instelling van de Commissie onderzoek seksueel misbruik van
minderjarigen die onder verantwoordelijkheid van de overheid
in instellingen zijn geplaatst (Instellingsbesluit Commissie
Samson)
De Minister van Justitie en de Minister voor Jeugd en Gezin,
Gelet op artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen advies-colleges en commissies;
Besluiten:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
a.de Ministers: de Minister van Justitie en de Minister voor Jeugd
en Gezin;
b.de Commissie: de Commissie onderzoek seksueel misbruik van
minderjarigen die onder verantwoordelijkheid van de overheid
in instellingen zijn geplaatst.
Artikel 2. Instelling
Er is een Commissie onderzoek seksueel misbruik van minderjari-gen die onder verantwoordelijkheid van de overheid in instellin-gen zijn geplaatst.
Artikel 3. Taak
De Commissie heeft tot taak onderzoek te doen naar:
a. signalen van seksueel misbruik van minderjarigen die onder
229
verantwoordelijkheid van de overheid zijn geplaatst in
(rijks)instellingen en pleeggezinnen;
b. bekendheid bij de overheid van signalen als bedoeld onder a;
c. de reactie van de overheid op signalen als bedoeld onder a;
d. huidige mechanismen voor signalering van seksueel misbruik
van minderjarigen als bedoeld onder a.
Artikel 4. Samenstelling
1. De Commissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste zeven
andere leden.
2. De leden van de Commissie worden benoemd op grond van de
deskundigheid die nodig is voor een goede vervulling van de in
artikel 3 genoemde taken.
3. De leden van de Commissie worden op eigen aanvraag door de
Ministers tussentijds ontslagen.
4. De leden kunnen voorts door de Ministers worden ontslagen
wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaar-wegende gronden.
5. Nieuwe leden van de Commissie worden, op aanbeveling van
de voorzitter, door de Ministers benoemd.
Artikel 5. Leden
Als leden van de Commissie worden benoemd:
a. Mevrouw mr. H.W. Samson-Geerlings, voormalig procureur-generaal, tevens voorzitter;
b. Mevrouw dr. P.C.M. Bakker, universitair hoofddocent aan de
Rijksuniversiteit Groningen;
c. Mevrouw prof. dr. mr. C.C.J.H. Bijleveld, hoogleraar criminologie
aan de Vrije Universiteit;
d. Mevrouw dr. S. Dijkstra, lector hogeschool Avans Breda;
e. De heer prof. dr. mr. G.D. Minderman, bijzonder hoogleraar
public governance en Public Law aan de faculteit der economi-sche wetenschappen en bedrijfskunde aan de Vrije Universi-teit.
Artikel 6. Secretariaat
1. De Commissie heeft een secretaris.
2. De secretaris is voor zijn werkzaamheden verantwoording
schuldig aan de voorzitter van de Commissie.
230
1. Instellingsbesluit d.d. 16 augustus 2010
3. Aan de secretaris kunnen andere medewerkers worden toege-voegd.
4. De secretaris en andere medewerkers zijn geen lid van de Com-missie.
5. De Ministers dragen, na overleg met de Commissie, zorg voor
de nodige voorzieningen ten behoeve van de werkzaamheden
van de Commissie.
Artikel 7. Inbreng deskundigen
De Commissie kan zich op onderdelen van haar taak laten bij-staan door personen van zowel binnen als buiten de overheid, van
wie de deskundige inbreng van belang kan zijn voor het onder-zoek.
Artikel 8. Rapport
1. De Commissie brengt binnen twee jaar na haar instelling een
rapport uit aan de Ministers.
2. Het rapport wordt algemeen beschikbaar gesteld.
3. Indien de Commissie daartoe aanleiding ziet in de bevindingen
van het onderzoek, doet zij tussentijds verslag aan de Ministers.
4. Indien onvoorziene omstandigheden naar het oordeel van de
Commissie in de weg staan aan het tijdig uitbrengen van het
rapport, dan stelt zij de Ministers daarvan onverwijld op de
hoogte.
5. De Ministers beslissen over de eventuele verlenging van de
termijn bedoeld in het eerste lid en brengen de Commissie
daarvan schriftelijk op de hoogte.
Artikel 9. Vergoeding
De leden van de Commissie, voor zover niet vallend onder de uit-zondering van artikel 2, derde lid, van de Wet vergoedingen
adviescolleges en commissies, ontvangen een vaste vergoeding
per maand, gebaseerd op salarisschaal 18 van bijlage B van het
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 en een
arbeidsduurfactor van 8/36.
Artikel 10. Archivering
De archiefbescheiden van de Commissie worden na haar ophef-fing of, zo de omstandigheden daartoe eerder aanleiding geven,
231
1. Instellingsbesluit d.d. 16 augustus 2010
zoveel eerder, overgebracht naar het archief van het ministerie
van Justitie.
Artikel 11. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum
van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en
werkt terug tot en met 10 augustus 2010.
Artikel 12. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Commissie
Samson.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
De Minister voor Jeugd en Gezin,
A. Rouvoet
Toelichting
In de afgelopen maanden zijn internationaal berichten versche-nen over seksueel misbruik van minderjarigen door geestelijken
van de rooms-katholieke kerk. Dat misbruik speelde zich soms
decennia geleden af, terwijl de slachtoffers eerst nu hierover
mededeling doen. Deze berichtgeving is aanleiding voor de Minis-ters om een onderzoek in te stellen naar de vraag of er signalen
zijn dat jeugdigen, die onder verantwoordelijkheid van de over-heid in instellingen zijn geplaatst, seksueel misbruikt zijn
(Kamerstukken II 2009-2010, 32 123, nr. 91). Immers, de overheid
heeft in situaties waarbij minderjarigen gedwongen uit huis zijn
geplaatst een verantwoordelijkheid ten aanzien van de veiligheid
en het welzijn van deze minderjarigen. Nagegaan zal worden of
de overheid in de bescherming van de minderjarigen is tekortge-schoten en of de huidige mechanismen voldoende toereikend zijn
om misbruik tijdig te signaleren en hierop adequaat te reageren.
232
1. Instellingsbesluit d.d. 16 augustus 2010
Een belangrijk aspect van het onderzoek is tevens dat de slachtof-fers alsnog erkenning vinden voor het hen aangedane leed. Naar
aanleiding van het voorgaande is in de hiervoor aangehaalde brief
van 31 maart 2010 aan de Tweede Kamer een onafhankelijk onder-zoek aangekondigd. Dit is vervolgens bevestigd tijdens het alge-meen overleg met de Tweede Kamer op 1 april 2010.
Het onderzoek zal betrekking hebben op de volgende aandachts-gebieden.
In de eerste plaats worden eventuele signalen van seksueel
misbruik van minderjarigen onderzocht die onder verantwoorde-lijkheid van de overheid zijn geplaatst in instellingen zoals rijks-jeugdinrichtingen, particuliere jeugdinrichtingen, internaten en
kindertehuizen, en in pleeggezinnen. Dit zijn de zogeheten
gedwongen plaatsingen. Bekend is echter dat minderjarigen die
vrijwillig en minderjarigen die gedwongen geplaatst waren, vaak
gezamenlijk in deze instellingen en voorzieningen verbleven. Dit
betekent dat tijdens het onderzoek ook signalen ten aanzien van
misbruik bij vrijwillig geplaatste minderjarigen naar boven
kunnen komen. De Commissie zal lopende het onderzoek bepalen
in hoeverre deze mogelijke signalen worden onderzocht.
In de tweede plaats staat de vraag centraal of deze signalen van
misbruik bij de overheid bekend waren en zo ja, hoe de overheid
hierop gereageerd heeft. De Commissie onderzoekt niet alleen of
van overheidswege voldoende toezicht werd uitgeoefend, maar
ook of deze bij signalen van misbruik zijn verantwoordelijkheid
heeft genomen. Er is de nodige kennis vereist over hoe de betrok-ken instellingen zelf met dit soort signalen omgingen, hoe de
interne cultuur was en hoe de taakinvulling van de toezichthou-ders was.
Het jeugdstelsel in Nederland bestaat uit een complex geheel
van regels, organisaties en instellingen, die bovendien in de loop
van de tijd veranderd zijn. Het onderzoek richt zich op seksueel
misbruik van minderjarigen in de context van jeugdbescherming
en jeugdstrafrecht. De Commissie beseft echter dat de raakvlak-ken met de jeugdzorg en jeugd-ggz groot zijn. Mogelijk brengt dit
met zich mee dat de Commissie zich niet uitsluitend kan of zal
beperken tot jeugdbescherming en jeugdstrafrecht. De Commissie
233
1. Instellingsbesluit d.d. 16 augustus 2010
zal in het belang van het onderzoek oud-medewerkers horen en
kan hen hiertoe uitnodigen of oproepen. De betreffende instellin-gen wordt gevraagd om terzake medewerking te verlenen. Vooraf
worden de desbetreffende personen of instituties hierover in
kennis gesteld en geïnformeerd over de procedure.
In de derde plaats richt het onderzoek zich op de huidige mecha-nismen voor signalering van seksueel misbruik van minderjari-gen.
In de brief aan de Tweede Kamer van 16 juli 2010 (Kamerstukken II
2009-2010, 32 123, nr. 119) is de taakafbakening, de tijdsperiode van
het onderzoek en de werkwijze van de Commissie toegelicht. Het
onderzoek bestrijkt de periode 1945 tot heden. Zoals in die brief
reeds aan de Tweede Kamer is bericht, wordt de Commissie in
beginsel ingesteld voor de duur van twee jaar.
De Commissie is onafhankelijk. Bij de samenstelling van de Com-missie is erop toegezien dat de relevante deskundigheid is verte-genwoordigd. Indien de Commissie naar aanleiding van haar
bevindingen van oordeel is dat aanpassing van beleid noodzake-lijk is, zal zij daarover in haar eindrapport aanbevelingen doen.
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
De Minister voor Jeugd en Gezin,
A. Rouvoet
234
1. Instellingsbesluit d.d. 16 augustus 2010
2. Wijzigingsbesluit
d.d. 13 oktober 2011
Besluit van de Staatssecretaris vanVeiligheiden Justitie en
de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van
13 oktober 2011, nr. DDS 5710350, houdende wijziging van het
Instellingsbesluit Commissie Samson in verband met een wijzi-ging van de samenstelling van de Commissie
De Staatssecretaris van Veiligheiden Justitieen de Staatssecreta-ris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
Besluit:
Artikel I
Het Instellingsbesluit Commissie Samson wordt als volgt gewij-zigd:
A.
In artikel 1, onder a, wordt de ‘de Minister van Justitie en de Minis-ter voor Jeugd en Gezin’ vervangen door: de Minister van Veilig-heiden Justitieen de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport.
B.
Aan artikel 5 wordt een onderdeel toegevoegd luidende:
f. De heer prof. dr. J. Hendriks, hoofd van de jeugdafdeling van
het poliklinisch forensisch psychiatrische centrum De Waag te
Den Haag en tevens bijzonder hoogleraar Forensische Psychia-trie en Psychologie aan de Vrije Universiteit en Bijzonder Hoog-leraar Forensische Orthopedagogische Diagnostiek en Behan-deling aan de Universiteit van Amsterdam.
C.
In artikel 10 wordt ‘ministerie van Justitie’ vervangen door: minis-terie van Veiligheiden Justitie.
235
Artikel II
Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na
dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
De Staatssecretaris van Veiligheid Justitie,
F. Teeven
Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
M.L.L.E. Veldhuijzen van Zanten-Hyllner
Toelichting
Bij Besluit van 16 augustus 2010 is de Commissie Samson inge-steld (verder: Instellingsbesluit Commissie Samson). Het Instel-lingsbesluit Commissie Samson is gepubliceerd in de
Staatscourant 2010, nr. 13487.
Gebleken is dat de commissie-Samson dringend behoefte heeft
aan meer deskundigheid in haar geledingen over daderprofielen.
Deze wijziging dient om in die behoefte te voorzien.
De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
F. Teeven
Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
M.L.L.E. Veldhuijzen van Zanten-Hyllner
236
2. Wijzigingsbesluit d.d. 13 oktober 2011
3. Wijzigingsbesluit d.d. 9 februari
2012
Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheiden Justitieen de
Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van
9 februari 2012, nr. 226165 houdende wijziging van het Instellings-besluit Commissie-Samson in verband met een wijziging van de
samenstelling van de Commissie en verlenging van de termijn
voor het uitbrengen van het rapport.
De Staatssecretaris van Veiligheiden Justitieen de Staatssecre-taris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
Besluiten:
Artikel I
Het Instellingsbesluit Commissie-Samson wordt als volgt gewij-zigd:
A.
Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel b vervalt.
2. Onderdelen c tot en met f worden verletterd tot b tot en
met e.
3. Na onderdeel e wordt een nieuw onderdeel ingevoegd, lui-dende:
f. De heer prof. dr. H.E.M. Baartman, emeritus hoogleraar Preven-tie en Hulpverlening inzake Kindermishandeling aan de Vrije
Universiteit.
B.
In artikel 8, eerste lid wordt ‘binnen twee jaar na haar instelling’
vervangen door: ‘uiterlijk 31 december 2012’.
237
Artikel II
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dat de
datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt
geplaatst.
2. Artikel I, onderdeel A, onder 1 en 2, werkt terug tot en met 1
januari 2012.
3. Artikel I, onderdeel A, onder 3, werkt terug tot en met 30 janu-ari 2012.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
De Staatssecretaris van Veiligheiden Justitie,
F. Teeven
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
M.L.L.E. Veldhuijzen van Zanten-Hyllner
Toelichting
Bij Besluit van 16 augustus 2010 is de Commissie-Samson inge-steld (verder: Instellingsbesluit Commissie-Samson). Het Instel-lingsbesluit Commissie-Samson is gepubliceerd in de
Staatscourant 2010, nr. 13487.
Een van de leden van de commissie is per 1 januari 2012 terugge-treden en wordt met ingang van deze datum eervol ontslag ver-leend. Dit lid is per 30 januari 2012 vervangen. Daartoe behoeft
artikel 5 te worden gewijzigd. Voorts is gebleken dat de commis-sie-Samson meer tijd nodig heeft alvorens zij rapport kan uitbren-gen. De Tweede kamer is hierover geïnformeerd. In het Vijfde
openbaar bericht van de commissie-Samson, van 23 november
2011, wordt vermeld dat er vertraging is ontstaan in de onderzoe-ken onder kinderen in jeugdzorginstellingen. Dit leidt ertoe dat de
Commissie niet vóór, maar pas na de zomer van 2012 zal rapporte-ren. De wijziging van artikel 8, eerste lid dient om in die behoefte
te voorzien.
238
3. Wijzigingsbesluit 9 februari 2012
De Staatssecretaris van Veiligheiden Justitie,
F. Teeven
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
M.L.L.E. Veldhuijzen van Zanten-Hyllner
239
3. Wijzigingsbesluit 9 februari 2012
4. Samenstelling
begeleidingscommissies
Leden begeleidingscommissie 1
• prof. dr. P. (Piet) de Rooy (voorzitter)
Emeritus hoogleraar geschiedenis, Universiteit van Amster-dam
• prof. dr. H.E.M. (Herman) Baartman
Vanaf januari 2012; lid commissie-Samson
Emeritus hoogleraar preventie en hulpverlening inzake
kindermishandeling aan de vrije Universiteit te Amsterdam
• dr. P.C.M. (Nelleke) Bakker
Tot en met 31 december 2011; lid commissie-Samson
Universitair hoofddocent historische pedagogiek aan de
Rijksuniversiteit Groningen
• dr. B. (Bruno) Vanobbergen
Vlaams kinderrechtencommissaris en verbonden aan de
vakgroep pedagogiek, Universiteit van Gent
• dr. I. (Ismee) Tames
Historicus en politicoloog, Nederlands Instituut voor
Oorlogsdocumentatie (NIOD)
• drs. T.R.M. (Thom) Willemse
Deskundige op het gebied van de geschiedenis van wees- en
kinderhuizen
Leden begeleidingscommissie 2a
• mr. H.W. (Rieke) Samson-Geerlings (voorzitter)
Voorzitter commissie-Samson
• prof. mr. J.E. (Jaap) Doek
Raadsheer-plaatsvervanger, Gerechtshof Amsterdam
Emeritus hoogleraar jeugd- en familierecht, Vrije Universiteit
te Amsterdam
Emeritus hoogleraar jeugdrecht, Universiteit Leiden
240
• prof. mr. J. (Jaap) de Hullu
Raadsheer, Hoge Raad der Nederlanden
• prof. dr. mr. G.D. (Goos) Minderman
Lid commissie-Samson
Hoogleraar public governance, Vrije Universiteit te Amsterdam
en voorzitter van het Zijlstra Center
• prof. mr. S.F.M. (Sylvia) Wortmann
Lid Raad van State
Leden begeleidingscommissie 2b
• drs. H.H. (Herman) Sietsma (voorzitter)
Zelfstandig adviseur, voormalig provinciesecretaris Utrecht
• drs. G.H.M. (Frida) van Ammers
Voormalig algemeen directeur, De Lindenhorst
• dr. B. (Bart) Groeneweg
Interim-manager en adviseur, Groeneweg-advies beheer
• prof. dr. mr. G.D. (Goos) Minderman
Lid commissie-Samson
Hoogleraar public governance, Vrije Universiteit te Amsterdam
• prof. dr. S. (Sietske) Waslander
Hoogleraar sociologie, Rijksuniversiteit Groningen
Academic director, TiasNimbas Business School
• mr. J.J. (Just) Wiarda
Raadsheer-plaatsvervanger, Gerechtshof Amsterdam
Voormalig raadsadviseur, ministerie van Justitie
Leden begeleidingscommissie 3
• prof. dr. P.G.M. (Peter) van der Heijden (voorzitter)
Hoogleraar statistiek, Universiteit Utrecht
• prof. dr. mr. C.C.J.H. (Catrien) Bijleveld
Lid commissie-Samson
Hoogleraar methoden en technieken van criminologisch
onderzoek, Vrije Universiteit te Amsterdam; senior onderzoeker,
Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving
(NSCR)
• dr. S. (Sietske) Dijkstra
Lid commissie-Samson
Lector huiselijk geweld en hulpverlening in de keten,
Hogeschool Avans
241
4. Samenstelling begeleidingscommissies
• drs. H.H. (Harriet) Hofstede
Orthopedagoog/GZ-psycholoog, De Bascule (Amsterdam)
• ir. H.W.J.M. (Harry) Huys
Statistisch onderzoeker veiligheid, Centraal Bureau voor de
Statistiek (Heerlen)
• prof. dr. K. (Karin) Wittebrood
Bijzonder hoogleraar sociale veiligheid in de stedelijke publieke
ruimte, Universiteit van Amsterdam
Onderzoeker, Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP)
Leden begeleidingscommissie 4
• prof. dr. N.W. (Wim) Slot (voorzitter)
Bijzonder hoogleraar pedagogische en
ontwikkelingspsychologische aspecten van
kinderbeschermingsmaatregelen, Vrije Universiteit te
Amsterdam
• prof. dr. H.E.M. (Herman) Baartman
Emeritus hoogleraar preventie en hulpverlening inzake
kindermishandeling, Vrije Universiteit Amsterdam; sinds
januari 2012 lid commissie-Samson
• dr. P.C.M. (Nelleke) Bakker
Tot en met 31 december 2011; lid commissie-Samson
Universitair hoofddocent historische pedagogiek aan de
Rijksuniversiteit Groningen
• prof. dr. mr. C.C.J.H. (Catrien) Bijleveld
Lid commissie-Samson
Hoogleraar methoden en technieken van criminologisch
onderzoek, Vrije Universiteit Amsterdam; senior onderzoeker,
Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving
(NSCR)
• prof. mr. J.E. (Jaap) Doek
Raadsheer-plaatsvervanger, Gerechtshof Amsterdam
Emeritus hoogleraar jeugd- en familierecht, Vrije Universiteit
te Amsterdam; emeritus hoogleraar jeugdrecht, Universiteit
Leiden
• mr. J.B.E.M. (Bruno) van Gent
Voormalig directeur, Raad voor de Kinderbescherming
prof. dr. C.H.C.J. (Carol) van Nijnatten
242
4. Samenstelling begeleidingscommissies
Bijzonder hoogleraar maatschappelijk werk, Radboud
Universiteit Nijmegen
Universitair hoofddocent sociale studies van het recht,
Universiteit Utrecht
prof. dr. P. (Piet) de Rooy (vanaf 22 september 2011)
Emeritus hoogleraar geschiedenis, Universiteit van Amsterdam
• dr. I. (Ismee) Tames (vanaf 22 september 2011)
Historicus en politicoloog, Nederlands Instituut voor
Oorlogsdocumentatie (NIOD)
Leden begeleidingscommissie 5
• prof. dr. A.J.A. (Bert) Felling (voorzitter)
Hoogleraar methodenleer, Radboud Universiteit Nijmegen
• drs. W. (Willy) van Berlo
Programmacoördinator seksueel geweld en
programmacoördinator seksueel functioneren & ziekte of
beperking, Rutgers WPF
• prof. dr. mr. C.C.J.H. (Catrien) Bijleveld
Lid commissie-Samson
Hoogleraar methoden en technieken van criminologisch
onderzoek, Vrije Universiteit te Amsterdam; senior onderzoeker,
Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving
(NSCR)
• dr. A.M.L. (Annematt) Collot d’Escury
Universitair docent ontwikkelingspsychologie, Universiteit van
Amsterdam
• dr. S. (Sietske) Dijkstra
Lid commissie-Samson
Lector huiselijk geweld en hulpverlening in de keten,
Hogeschool Avans
• prof. dr. J. (Jan) Hendriks
Lid commissie-Samson
Bijzonder hoogleraar forensische psychiatrie en psychologie,
Vrije Universiteit te Amsterdam; bijzonder hoogleraar
forensische orthopedagogische diagnostiek en behandeling,
Universiteit van Amsterdam; klinisch psycholoog De Waag
• drs. H.H. (Harriet) Hofstede
Orthopedagoog/GZ-psycholoog, De Bascule (Amsterdam)
243
4. Samenstelling begeleidingscommissies
Leden begeleidingscommissie Daderonderzoek
• dr. H.P.B. (Henny) Lodewijks (voorzitter)
Zelfstandig adviseur, voormalig lid raad van bestuur Rentray
• prof. dr. mr. C.C.J.H. (Catrien) Bijleveld
Lid commissie-Samson
Hoogleraar methoden en technieken van criminologisch
onderzoek, Vrije Universiteit te Amsterdam; senior onderzoeker,
Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving
(NSCR)
• prof. dr. J. (Jan) Hendriks
Lid commissie-Samson
Bijzonder hoogleraar forensische psychiatrie en psychologie,
Vrije Universiteit Amsterdam; bijzonder hoogleraar forensische
orthopedagogische diagnostiek en behandeling, Universiteit
van Amsterdam; klinisch psycholoog De Waag
Leden begeleidingscommissie onderzoek Harreveld
en Toezicht
• prof. dr. P. (Piet) de Rooy (voorzitter)
Emeritus hoogleraar geschiedenis, Universiteit van Amsterdam
• prof. dr. H.E.M. (Herman) Baartman
Emeritus hoogleraar preventie en hulpverlening inzake
kindermishandeling, Vrije Universiteit te Amsterdam; vanaf
januari 2012 lid commissie-Samson
244
4. Samenstelling begeleidingscommissies
5. Deelnemers internationale
expertmeeting
• Prof. dr. N.W. (Wim) Slot (dagvoorzitter)
Bijzonder hoogleraar pedagogische en
ontwikkelingspsychologische aspecten van
kinderbeschermingsmaatregelen, Vrije Universiteit Amsterdam
• Prof. dr. H.E.M. (Herman) Baartman, lid commissie-Samson
• Prof. A.R. (Anthony) Beech
Professor in Criminological Psychology en plaatsvervangend
hoofd van de vakgroep psychology, University of Birmingham,
Engeland
Onderzoeksterrein: effectiviteit van de behandeling van
zedendelinquenten
• Prof. dr. mr. C.C.J.H. (Catrien) Bijleveld, lid commissie-Samson
• Prof. K. (Kevin) Browne
Voorzitter van Forensic Psychology & Child Health en hoofd van
het Institute of Work, Health and Organisations, University of
Nottingham, Engeland
Onderzoeksterrein: huiselijk geweld, kindermishandeling en
zedendelinquenten
• M. (Marion) Davis CBE
Voormalig voorzitter van de Association of Directors of
Children’s Services in Engeland
Betrokken geweest bij de Munro Review of Child Protection
• Dr. S. (Sietske) Dijkstra, lid commissie-Samson
• Dr. P.J. (Nel) Draijer
Klinisch psycholoog/psychoanalyticus, werkzaam als
universitair hoofddocent bij de vakgroep psychiatrie van het
Medisch Centrum van de Vrije Universiteit Amsterdam en als
behandelaar bij het Nederlands Psychoanalytisch Instituut
• Dr. L. (Lorraine) Green
Lector en onderzoeker bij de vakgroep nursing, midwifery and
social work, University of Manchester, Engeland
245
Onderzoeksterrein: seksualiteit, seksueel misbruik en
uitbuiting in residentiële jeugdinstellingen
• Prof. dr. J. (Jan) Hendriks, lid commissie-Samson
• Prof. dr. F. (Francien) Lamers-Winkelman
Bijzonder hoogleraar preventie- en hulpverlening inzake
kindermishandeling aan de Vrije Universiteit van Amsterdam
en voormalig coördinator van het Kinder- en Jeugdtrauma-centrum in Haarlem
• Prof. dr. R.(Rudi) Roose
Assistent-doctor bij de vakgroep sociale agogiek, waar hij o.a.
‘Jeugdcriminologie en jeugdrecht’ en ‘Agogische theorieën’
doceert. Tevens verbonden aan de vakgroep criminologie, waar
hij het vak ‘Forensisch welzijnswerk’ doceert. Universiteit van
Gent, België
Onderzoek naar de bijzondere jeugdzorg in Vlaanderen
• Mr. H.W. (Rieke) Samson-Geerlings, voorzitter commissie-Samson
• Drs. H.H. (Herman) Sietsma, voorzitter begeleidingscommissie
Governanceonderzoek
Zelfstandig adviseur, voormalig provinciesecretaris Utrecht
• Prof. dr. J. (June) Thoburn CBE
Emeritus professor of Social Work, School of Social Work &
Psychosocial Sciences, University of East Anglia, Engeland
• Prof. dr. M. (Mechthild) Wolff
Professor for education in social work, Hochschule Landshut,
Duitsland
Lid van de adviesraad van de Duitse onderzoekscommissie naar
seksueel misbruik en lid van de rondetafel seksueel misbruik
van de Duitse overheid
246
5. Deelnemers internationale expertmeeting
6. Overzicht gesprekken met
professionals en autoriteiten
Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK)
4 oktober 2010 dhr. drs. P. Baeten, regiomanager AMK Haag-landen
dhr. E. van Beers, onderzoeker AMK Haag-landen
11 november 2010 dhr. drs. P. Baeten, regiomanager AMK Haag-landen
mw. S. Balkaran, maatschappelijk werker
mw. drs. J. Meulmeester, vertrouwensarts
8 juni 2011 mw. K. Reijman, teamleider AMK Zeeland
Avenier, locatie Het Anker
30 mei 2011 dhr. drs. J.W. Bedeaux, voorzitter raad van
bestuur
dhr. drs. C.J.G. van Dam, hoofd behandelings-locatie Het Anker
mw. J. Arends, afdelingshoofd
twee pupillen
Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam
4 maart 2011 mw. drs. C. Vlug MBA, directeur
Bureau Jeugdzorg Friesland
4 april 2011 mw. R. Tolsma, teammanager jeugdbescher-ming en projectleider multidisciplinair
centrum kindermishandeling Friesland
dhr. H. Riezebos, teammanager jeugdbescher-ming
Bureau Jeugdzorg Zeeland
8 juni 2011 dhr. M. Bugajski, teamleider
247
College Bescherming Persoonsgegevens
9 mei 2012 dhr. mr. U.H. Oelen
dhr. mr. R.J.L. Smeeing
Commissie-Deetman
9 augustus 2010 drs. W.J. Deetman
dr. H.P.M. Kreemers, secretaris commissie-Deetman
15 december 2010 drs. W.J. Deetman
dr. H.P.M. Kreemers, secretaris commissie-Deetman
19 april 2011 drs. W.J. Deetman
dr. H.P.M. Kreemers, secretaris commissie-Deetman
Commissie-Gunning
4 februari 2011 mw. prof.dr. L. Gunning-Schepers (telefonisch)
4 maart 2011 dhr. P. van Driel RA, secretaris commissie-Gunning en partner publieke sector PWC
mw. K.M. Tan MsPA, secretariaat commissie-Gunning en senior adviseur publieke sector
PWC
dhr. J. Nieuwenhuizen, woordvoerder com-missie-Gunning
Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI)
29 september 2010 dhr. mr. J.J.H. Butselaar, sectordirecteur Jus-titiële Jeugdinrichtingen
Emma Kinderziekenhuis AMC, team
Kindermishandeling
29 april 2011 mw. drs. A.H. Teeuw, kinderarts en voorzitter
team Kindermishandeling
mw. drs. T. Sieswerda, coördinator team Kin-dermishandeling
Fier Fryslân
4 april 2011 mw. drs. A. van Dijke, raad van bestuur
mw. drs. L. Terpstra, raad van bestuur
248
6. Overzicht gesprekken met professionals en autoriteiten
Gezinsvoogd
anoniem
Inspectie Jeugdzorg (IJZ)
20 september 2010 mw. mr. I. Albers, plaatsvervangend hoofd-inspecteur
mw. dr. C. Görts, coördinerend inspecteur
dhr. mr. I. Levie, stafjurist
19 oktober 2010 mw. dr. C. Görts, coördinerend inspecteur
dhr. mr. I. Levie, stafjurist
mw. drs. H. Heskes, senior inspecteur
12 mei 2011 mw. dr. C. Görts, coördinerend inspecteur
dhr. A. Keers, senior inspecteur
11 oktober 2011 mw. drs. G.E.M. Tielen, hoofdinspecteur (tele-fonisch)
dhr. mr. I. Levie, stafjurist
Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (IOOV),
thans Inspectie VenJ
15 februari 2010 dhr. mr. J.G. Bos, hoofdinspecteur
mw. J. Koonings, senior inspecteur
Interprovinciaal Overleg (IPO)
12 januari 2011 dhr. dr. P. Bonke, programmaleider jeugdzorg
mw. drs. I.J.M. Keuzenkamp, senior adviseur
jeugdzorg
Jeugdzorg Nederland (voorheen MO-groep)
19 oktober 2010 dhr. T. Klijn, branchedirecteur MO-groep
Jeugdzorg
mw. mr. N.J. Epker-Laverman, hoofd Projecten
Bureaus Jeugdzorg
mw. drs. C. Verkerk, senior beleidsmedewer-ker
19 januari 2011 mw. mr. N.J. Epker-Laverman, hoofd Projecten
Bureaus Jeugdzorg
16 februari 2011 mw. mr. N.J. Epker-Laverman, hoofd Projecten
Bureaus Jeugdzorg
15 maart 2011 mw. mr. N.J. Epker-Laverman, hoofd Projecten
Bureaus Jeugdzorg
249
6. Overzicht gesprekken met professionals en autoriteiten
6 april 2011 dhr. T. Klijn, branchedirecteur MO-groep
Jeugdzorg
mw. mr. N.J. Epker-Laverman, hoofd projecten
bureaus jeugdzorg
mw. drs. C. Verkerk, senior beleidsmedewerker
28 september 2011 mw. J. Pawlikowski, directeur a.i.
12 oktober 2011 ledenvergadering
9 november 2011 bestuurders
13 december 2011 congres aandachtsfunctionarissen
20 februari 2012 dhr. drs. W.A. Roobol, directeur a.i. Jeugdzorg
Nederland
dhr. drs. A. Schellekens, bestuurssecretaris
28 maart 2012 dhr. drs. W.A. Roobol, directeur a.i. Jeugdzorg
Nederland
dhr. B. van Bruxvoort
dhr. R. Meuwissen
mw. drs. A. van de Maat
26 juni 2012 bestuurders
31 juli 2012 mw. drs. A. van de Maat
dhr. B. van Bruxvoort
dhr. C. Wierda
Kinderombudsman
7 september 2011 dhr. M.L.M. Dullaert
8 november 2011 dhr. M.L.M. Dullaert
27 juni 2012 dhr. M.L.M. Dullaert
Kinderrechters
25 oktober 2010 mr. H. Bartels, raadsheer Hof Den Haag en
voormalig kinderrechter Amsterdam
mr. J. Olthof, kinderrechter Almelo
mr. N. Quik-Schuijt, lid Eerste Kamer en voor-malig kinderrechter Utrecht
26 januari 2011 mw. mr. D.A. Fintelman, kinderrechter Gro-ningen
mw. mr. S.B. de Pauw Gerlings-Döhrn, kinder-rechter Rotterdam
dhr. mr. F.A. van der Reijt, voormalig kinder-rechter ’s-Hertogenbosch
3 februari 2011 mw. mr. J. Calkoen-Nauta, kinderrechter
250
6. Overzicht gesprekken met professionals en autoriteiten
Breda, voorzitter Expertgroep Jeugdrechters
dhr. mr. P.C.G. Brants, raadsheer Gerechtshof
Den Bosch
dhr. mr. W. Bröcker, voormalig kinderrechter
Maastricht
14 april 2011 mw. mr. W. Oosterbroek, kinderrechter
Alkmaar, lid Expertgroep Jeugdrechters
mw. mr. I. Weijers, kinderrechter Zutphen, lid
Expertgroep Jeugdrechters
mw. mr. A. Ayal, kinderrechter Haarlem, lid
Expertgroep Jeugdrechters
Kindertelefoon
8 april 2011 dhr. E. Ott, teammanager kindertelefoon
Amsterdam & Flevoland
mw. A. Joostens, trainer en coördinator kin-dertelefoon Amsterdam
Kinder- en Jeugdtraumacentrum (KJTC)
7 juni 2012 mw. drs. M.M. Visser, klinisch psycholoog en
coördinator
Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken
(LEBZ) van het KLPD
14 september 2010 dhr. mr. drs. P. van den Eshof, senior adviseur
gedragskundige expertise en coördinator
mw. mr. drs. N. Nierop, gedragskundige en
coördinator
Ministerie van Veligheid en Justitie (VenJ)
22 september 2010 dhr. dr. E.M.H. Hirsch Ballin, minister van
Justitie
14 december 2010 dhr. mr. F. Teeven, staatssecretaris van VenJ
22 juni 2011 dhr. mr. F. Teeven, staatssecretaris van VenJ
12 oktober 2011 dhr. mr. F. Teeven, staatssecretaris van VenJ
27 maart 2012 dhr. mr. I.W. Opstelten, minister van VenJ
dhr. mr. F. Teeven, staatssecretaris van VenJ
28 juni 2012 dhr. mr. I.W. Opstelten, minister van VenJ
dhr. mr. F. Teeven, staatssecretaris van VenJ
31 augustus 2012 dhr. mr. I.W. Opstelten, minister van VenJ
251
6. Overzicht gesprekken met professionals en autoriteiten
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
(VWS) (voorheen Jeugd en Gezin)
22 september 2010 dhr. mr. A. Rouvoet, minister voor Jeugd
en Gezin
14 december 2010 mw. drs. M.L.L.E. Veldhuijzen van Zanten-Hyllner, staatssecretaris VWS
26 januari 2011 mw. drs. M.L.L.E. Veldhuijzen van Zanten-Hyllner, staatssecretaris VWS
30 mei 2011 mw. drs. M.L.L.E. Veldhuijzen van Zanten-Hyllner (telefonisch), staatssecretaris VWS
22 juni 2011 mw. drs. M.L.L.E. Veldhuijzen van Zanten-Hyllner, staatssecretaris VWS
25 augustus 2011 mw. drs. M.L.L.E. Veldhuijzen van Zanten-Hyllner (telefonisch), staatssecretaris VWS
12 oktober 2011 mw. drs. M.L.L.E. Veldhuijzen van Zanten-Hyllner, staatssecretaris VWS
13 december 2011 mw. drs. M.L.L.E. Veldhuijzen van Zanten-Hyllner, staatssecretaris VWS
28 maart 2012 mw. drs. M.L.L.E. Veldhuijzen van Zanten-Hyllner, staatssecretaris VWS
25 juni 2012 mw. drs. M.L.L.E. Veldhuijzen van Zanten-Hyllner, staatssecretaris VWS
30 augustus 2012 mw. drs. M.L.L.E. Veldhuijzen van Zanten-Hyllner, staatssecretaris VWS
Nationaal Rapporteur Mensenhandel
5 september 2011 mw. mr. C.E. Dettmeijer-Vermeulen
30 augustus 2012 mw. mr. C.E. Dettmeijer-Vermeulen
Nationale Ombudsman
22 oktober 2010 mw. mr. A. Stehouwer, substituut-Ombuds-man
mw. L. Krul, hoofd Frontoffice
mw. drs. M.M. à Campo, teamleider
9 november 2010 mw. L. Krul, hoofd Frontoffice
mw. C. van Marion, medewerker Frontoffice
26 januari 2011 dhr. prof. dr. A.F.M. Brenninkmeijer, Nationale
Ombudsman
252
6. Overzicht gesprekken met professionals en autoriteiten
mw. mr. A. Stehouwer, substituut-Ombuds-man
Nederlands Jeugdinstituut (NJI)
24 mei 2011 mw. drs. C. Vink, senior medewerker Interna-tionaal
mw. drs. T. Berg-le Clercq, senior medewerker
Internationaal
Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP)
10 januari 2011 mw. T. van Vliet, bestuurslid
dhr. drs. P. Douma, bestuurslid
7 maart 2012 mw. M. Schmitz, coördinator redactie vereni-gingsbladPleegcontacten beleidsmede-werker
dhr. drs. P. Douma, bestuurslid
Officieren van Justitie (OvJ)
15 april 2011 mw. mr. A. Kramer, OvJ Amsterdam, lid com-missie Zedenofficieren
mw. mr. T. Pastoor, OvJ Utrecht, lid commissie
Zedenofficieren
2 augustus 2011 mw. mr. J.M.G. Brughuis, AG ’s-Hertogenbosch
mw. mr. I.J.E.H.C. Degeling, OvJ ’s-Gravenhage
mw. mr. C.A. Nooy; fungerend HOvJ ’s-Graven-hage
Orthopedagoog
25 augustus 2011 mw. drs. A. van Duin, orthopedagoge met
pensioen en initiator Diagnostisch Centrum
Groningen
Parket-Generaal (OM)
10 augustus 2010 dhr. mr. H.J. Moraal, procureur-generaal
7 september 2010 dhr. drs. E. Lanting, beleidsadviseur
5 oktober 2010 dhr. drs. E. Lanting, beleidsadviseur
9 november 2010 dhr. drs. E. Lanting, beleidsadviseur
mw. T. de Tourton Bruyns, medewerker
253
6. Overzicht gesprekken met professionals en autoriteiten
14 december 2010 dhr. mr. H.J. Moraal, procureur-generaal
dhr. drs. E. Lanting, beleidsadviseur
14 maart 2011 dhr. mr. H.J. Moraal, procureur-generaal
dhr. drs. E. Lanting, beleidsadviseur
27 oktober 2011 dhr. drs. E. Lanting, beleidsadviseur
5 januari 2012 mw. mr. M. van der Vegt, medewerker
Politie
15 april 2011 dhr. H. van Horssen, zedenpolitie Utrecht
8 juni 2011 mw. A.M. Demmers-van der Geest, korpschef
Middelburg
dhr. B. van Moolenbroek, teamchef jeugd-politie Zeeland
Raad voor de Kinderbescherming (RvdK)
23 september 2010 mw. drs. M.L. van Kleef, algemeen directeur
mr. dr. G. Cardol, juridisch adviseur
25 mei 2011 dhr. W. Burnet, voormalig medewerker
dhr. mr. E.J. Mondria, voormalig medewerker
dhr. mr. E. Haffmans, voormalig medewerker
Schadefonds Geweldsmisdrijven
3 oktober 2011 mw. drs. N.D. Huygen MPA, directeur
Slachtofferhulp Nederland (SHN)
7 september 2010 dhr. drs. V. Jammers, directeur Beleid
mw. dr. S.B.L Leferink, senior beleidsmedewer-ker
19 september 2011 dhr. A. Crielaars, algemeen directeur Slacht-offerhulp Nederland
dhr. drs. V. Jammers, directeur Beleid
mw. dr. S.B.L. Leferink, senior beleidsmede-werker
28 september 2011 mw. dr. S.B.L. Leferink, senior beleidsmede-werker
8 maart 2012 mw. dr. S.B.L. Leferink, senior beleidsmede-werker
16 maart 2012 dhr. drs. V. Jammers, directeur Beleid
28 maart 2012 dhr. A. Crielaars, algemeen directeur Slacht-offerhulp Nederland
254
6. Overzicht gesprekken met professionals en autoriteiten
Sophia Kinderziekenhuis Erasmus MC,
team Kindermishandeling
24 februari 2011 mw. A. Kempe, coördinator en maatschap-pelijk werker
mw. drs. E. van der Most, kinder- en jeugd-psycholoog en traumatherapeut
Spirit Amsterdam
4 maart 2011 mw. drs. M. Beumer, directeur Jeugdmaat-schappelijk Werk
mw. R. Schipper, manager meisjeshulpverle-ning
mw. drs. K. Stammes, gedragswetenschapper
pleegzorg, aandachtsfunctionaris kindermis-handeling
dhr. drs. D.P. Mellema, gedragswetenschapper,
aandachtsfunctionaris kindermishandeling
Steunpunt Seksueel Geweld Amsterdam, GGD
24 mei 2011 dhr. dr. H. Fennema, directeur GGD Amster-dam
mw. M. van Staa, hoofd Steunpunt Seksueel
Geweld Amsterdam
Veranderkundigen
25 juli 2012 mw. drs. J. Pawlikowski
2 augustus 2012 dhr. dr. E. Gerritsen
dhr. prof. dr. J.J. Boonstra
Vereniging Orthopedagogische Behandel Centra
(VOBC) / Landelijk Kenniscentrum LVG
16 maart 2011 dhr. drs. H.A.P. Verstegen, directeur VOBC en
Landelijk Kenniscentrum LVG
17 mei 2011 dhr. H.J. Prins, voormalig voorzitter bestuur
VOBC
dhr. J. Schirmbeck, directeur VGN
dhr. drs. H.A.P. Verstegen, directeur VOBC en
Landelijk Kenniscentrum LVG
dhr. drs. J. Visscher, senior beleidsmedewerker
VGN
255
6. Overzicht gesprekken met professionals en autoriteiten
Wetenschap
1 oktober 2010 dhr. drs. T.R.M. Willemse
8 november 2010 dhr. prof. dr. C.H.C.J. van Nijnatten
18 november 2010 dhr. prof. dr. T. Zandberg
30 november 2010 dhr. prof. mr. J.E. Doek
22 februari 2011 dhr. dr. F. Öry, kinderarts, senior wetenschap-pelijk onderzoeker TNO
William Schrikker Groep (WSG)
10 februari 2011 mw. M.A. van Korlaar, directeur Pleegzorg
WSG
mw. drs. M.J. Broertjes MSM, directeur Exper-tisecentrum WSG
256
6. Overzicht gesprekken met professionals en autoriteiten
7. Deelnemers rondetafelgesprekken
Pleegouders
26 april 2012 Om privacyredenen zijn de namen van de
deelnemers niet vermeld.
Ouders
5 juni 2012 Om privacyredenen zijn de namen van de
deelnemers niet vermeld.
Keten
19 juni 2012 dhr. prof. dr. H.E.M. (Herman) Baartman, lid
commissie-Samson
mw. drs. A. (Ans) van de Maat (LSG Rentray,
Zonnehuizen)
dhr. F.P. (Peter) Kouwenberg (WSG)
mw. drs. K. (Krijnie) Schotel-van der Veer
(Avenier)
dhr. drs. P. (Peter) Stam (Yorneo)
mw. drs. M. (Martien) Kuitenbrouwer MSc
(gemeente Amsterdam)
dhr. R.E.J.M. (René) Meuwissen (Bureau
Jeugdzorg Rotterdam)
dhr. mr. drs. R.R. (Reinier) ter Kuile (ministerie
van VenJ)
mw. M.A. (Mariënne) Verhoef (Spirit)
dhr. G. (Bert) Sprokkereef (Leger des Heils
Jeugdbescherming & Reclassering)
dhr. drs. J.R.C. (Jaap) Janse (ministerie van
VWS).
mw. K.J.A. (Kim) Brouwers MSc MA (Kinder-ombudsman)
dhr. drs. S. (Steven) Tjalsma LLM (Bureau
Nationaal Rapporteur Mensenhandel)
257
Professionalisering
26 juni 2012 dhr. mr. dr. G. (Goos) Cardol (Raad voor de Kin-derbescherming)
mw. E.M. (Lisette) Kerssemakers (GGZ Oost-Brabant)
mw. J. (Jacqueline) Kleijer (De Rading/Pretty
Woman)
mw. M.A.C. (Marijke) Lammers (Advies en
Training Bejegeningsvraagstukken)
mw. dr. mr. K.D. (Katinka) Lünnemann
(Verwey-Jonker Instituut))
dhr. prof. dr. mr. G.D. (Goos) Minderman (lid
commissie-Samson)
dhr. E.H.A.(Erik) van de Sandt (Bureau Natio-naal Rapporteur Mensenhandel)
dhr. drs. A.J.A. (Ton) Theunisse (De Hunner-berg)
mw. drs. I. (Irene) Vissers (Avans)
mw. drs. C. (Claire) Vlug MBA (Bureau Jeugd-zorg Agglomeratie Amsterdam)
Toezicht pleegzorg
28 juni 2012 mw. drs. A. (Anke) van Dijke (Fier Fryslân)
mw. L. (Lienja) van Eijkern (voormalig gezins-voogd)
dhr. J.J.K. (Jacques) Gerards (Bureau Bestuur-lijk Advies)
mw. dr. C.A. (Carien) Görts (Inspectie Jeugd-zorg)
dhr. drs. J.W (Jan Willem) Holtslag (Weten-schappelijke Raad voor het Regeringsbeleid)
dhr. G. (Geth) Kuin (Elker)
mw. dr. mr. K.D. (Katinka) Lünnemann
(Verwey-Jonker Instituut)
dhr. prof. dr. mr. G.D. (Goos) Minderman (lid
commissie-Samson)
258
7. Deelnemers rondetafelgesprekken
Pleegzorg
5 juli 2012 dhr. prof. dr. H.E.M. (Herman) Baartman (lid
commissie-Samson)
dhr. dr. P.M. (Peter) van den Bergh
mw. drs. P.H.M. (Els) Deijkers-van Riel
dhr. J.J.A. (Hans) van der Donk (Raad voor de
Kinderbescherming)
dhr. prof. dr. H.W.E. (Hans) Grietens (Rijksuni-versiteit Groningen)
mw. S. (Sonja) Holtrop (Rading)
dhr. J. (Jan) van Lieshout
mw. N. (Repel) Burgersdijk (De Bascule)
dhr. R. (Rob) van Pagée (Eigen Kracht)
mw. C. (Coos) Thomas (Rading)
mw. dr. A.M. (Tonny) Weterings
dhr. prof. dr. T. (Tjalling) Zandberg (Rijksuni-versiteit Groningen)
Slachtoffers
9 juli 2012 Om privacyredenen zijn de namen van de
deelnemers niet vermeld.
Kinderen
9 augustus 2012 Om privacyredenen zijn de namen van de
deelnemers niet vermeld.
15 augustus 2012 Om privacyredenen zijn de namen van de
deelnemers niet vermeld.
259
7. Deelnemers rondetafelgesprekken
8. Formulier voor het meldpunt
van de commissie-Samson
Het onderzoek van de commissie-Samson gaat over signalen van
seksueel misbruik van kinderen die op gezag van de overheid
vanaf 1945 in instellingen (rijksjeugdinrichtingen, particuliere
jeugdinrichtingen en internaten, kindertehuizen) of pleeggezin-nen zijn geplaatst en de reactie van leidinggevenden en toezicht-houders. Het misbruik kan zowel gepleegd zijn door
personeelsleden als door groepsgenoten.
In dit formulier worden vragen gesteld die tot doel hebben
inzicht te krijgen in de aard en omvang van seksueel misbruik, de
omstandigheden waaronder het plaatsvond, en eigenschappen en
relaties van de betrokkenen. Naarmate meer bekend wordt, kan de
commissie beter aanbevelingen doen, zodat in de toekomst seksu-eel misbruik van uit huis geplaatste kinderen zoveel mogelijk
wordt voorkomen, dan wel tijdiger kan worden gesignaleerd en
goed kan worden aangepakt.
Gebruik van de informatie
Uiteraard wordt uw melding vertrouwelijk behandeld. De infor-matie wordt samen met andere meldingen bewerkt en in een
database opgeslagen die eigendom is van de commissie. De infor-matie wordt voor aanbevelingen in het eindrapport geanalyseerd
op mogelijke patronen in seksueel misbruik. Informatie aan
derden wordt alleen met toestemming van de melder of op
geanonimiseerde wijze verstrekt. Slechts wanneer sprake is van
een acuut dreigende en schrijnende situatie voor het slachtoffer
kan informatie aan het OM en/of de Inspectie Jeugdzorg worden
doorgeleid zonder toestemming van betrokkene.
260
Algemeen
Datum van de melding?
Uw naam?
Uw telefoonnummer?
U bent… zelf slachtoffer/ouder/familie/kennis/professional/
overig, namelijk?
Wat is uw leeftijd op dit moment?
Indien een ander meldt: wat is de naam van het slachtoffer?
Is het slachtoffer een man of een vrouw, een jongen of een meisje?
De instelling/ het pleeggezin
Met de vragen over de instelling en het pleeggezin wil de commis-sie nagaan of seksueel misbruik in bepaalde instellingen en pleeg-gezinnen vaker voorkomt. Het kan ertoe leiden dat de overheid
hier nadrukkelijker moet ingrijpen.
Het onderzoek van de commissie gaat alleen over kinderen die op
last van de overheid in instellingen en/of pleeggezinnen zijn
geplaatst. Dat betekent dat een kinderrechter in een kinderbe-schermingszaak of een jeugdstrafzaak de beslissing tot uithuis-plaatsing moet hebben genomen.
261
8. Formulier voor het meldpunt van de commissie-Samson
Soms vonden ouders zelf het beter voor de ontwikkeling van hun
kind dat het op een andere plek dan thuis opgroeide. Ook in die
gevallen kan het kind in een instelling of pleeggezin seksueel mis-bruikt zijn. De commissie onderzoekt deze gevallen echter niet.
In welke instelling(en)/pleeggezin(nen) is het misbruik gepleegd?
Weet u of de kinderrechter heeft beslist over de uithuisplaatsing?
Zo ja, weet u wat de reden van uithuisplaatsing van het slachtof-fer was?
Waren er bijzondere problemen (bijvoorbeeld: een lichamelijke of
verstandelijke beperking; seksueel misbruik thuis; psychiatrische
problemen; ouders overleden)? Zo ja, welke problemen?
In welke periode verbleef het slachtoffer in de instelling(en)/het
pleeggezin/de pleeggezinnen?
Het seksueel misbruik
De volgende vragen over het seksueel misbruik kunnen als indrin-gend en pijnlijk worden ervaren. Seksueel misbruik kent vele
vormen. Om gedragingen op juiste waarde te kunnen schatten,
moet er zo veel mogelijk zicht komen op de feitelijke handelingen
en omstandigheden. Wij vragen daarvoor uw begrip. Als u
bepaalde vragen niet wilt of kunt beantwoorden, dan kunt u dit
ook aangeven.
Hoe oud was het slachtoffer toen het seksueel misbruik begon?
262
8. Formulier voor het meldpunt van de commissie-Samson
In welk jaar/jaren vond het misbruik plaats?
Hoe lang ging het misbruik door?
Hoe vaak vond het misbruik plaats?
Kunt u de situatie beschrijven waardoor volgens u het seksueel
misbruik kon plaatsvinden?
Welke seksuele handelingen vonden er bij u/het slachtoffer plaats
(betasten boven/onder de kleding, betasten borsten, betasten
geslachtsorganen, aftrekken, geslachtsgemeenschap anaal, vagi-naal, oraal)?
Welke seksuele handelingen moest u/het slachtoffer verrichten
bij de pleger (betasten boven/onder de kleding, betasten borsten,
betasten geslachtsorganen, aftrekken, geslachtsgemeenschap
anaal, vaginaal, oraal)?
Werd bij het seksueel misbruik geweld gebruikt of werd ermee
gedreigd? Werd er tijdens het verblijf op andere momenten
geweld gebruikt. Zo ja, waar bestond dat uit?
Waar en bij welke gelegenheid vond het seksueel misbruik plaats
(bijvoorbeeld op de eigen kamer, in de douche, bij de groepsleider
thuis, ’s nachts, bij groepsactiviteiten)?
Waren daar ook anderen bij aanwezig?
263
8. Formulier voor het meldpunt van de commissie-Samson
Hoe hebt u/heeft het slachtoffer zich in die situatie staande
kunnen houden?
Welke gevolgen hebt u/heeft het slachtoffer door het misbruik in
zijn/haar latere leven ondervonden?
De pleger
Informatie over de pleger heeft twee doelen. In de eerste plaats
zoekt de commissie naar situaties/omstandigheden die een ver-hoogd risico op seksueel misbruik inhouden. Wanneer deze risico-factoren bekend zijn, kan in de toekomst seksueel misbruik vaker
worden voorkomen. Een deel van de risicofactoren kan worden
verklaard door de persoonlijke omstandigheden van de pleger. In
de tweede plaats kunnen zaken geschikt zijn om strafrechtelijk te
vervolgen. In die gevallen wordt de informatie met toestemming
van betrokkene aan het OM overgedragen.
Met informatie over de pleger, het slachtoffer en de gedragingen
bij het seksueel misbruik heeft het OM een aanknopingspunt om
tot vervolging over te gaan.
Wie was/waren de pleger(s) van het misbruik (namen)?
Wat was de leeftijd van de pleger(s) van het misbruik tijdens het
misbruik?
Wat was de relatie van de pleger tot het slachtoffer (groepsleider,
(pleeg)ouder, groepsgenoot, anders: namelijk)?
264
8. Formulier voor het meldpunt van de commissie-Samson
Wat weet u verder nog over de pleger?
De leiding
De commissie-Samson heeft als opdracht na te gaan of leidingge-venden en/of toezichthouders op de hoogte waren van het seksu-eel misbruik en zo ja, hoe ze daar vervolgens mee om zijn gegaan.
Met de beantwoording van onderstaande vragen wordt duidelijk
in hoeverre leidinggevenden alert waren en ingrepen bij seksueel
misbruik.
Is het misbruik aan de leiding/directie van de instelling(en) of bij
bijvoorbeeld de (gezins)voogd of een andere vertrouwenspersoon
gemeld/verteld?
Door wie is dit gemeld/verteld?
Zo ja, hoe werd er op dit signaal gereageerd?
Weet u wat er concreet met het signaal is gedaan?
(Bijvoorbeeld maatregelen om herhaling te voorkomen, aangifte,
straf, overplaatsing)
Is er een klacht ingediend, en bij wie?
(U kunt bijvoorbeeld denken aan klachtenprocedures in de instel-lingen, klachten bij het AMK of de Inspectie)
Indien nee, waarom hebt u / heeft het slachtoffer er nooit met
anderen over gesproken?
265
8. Formulier voor het meldpunt van de commissie-Samson
De politie
Strafrechtelijke vervolging begint met een aangifte bij de politie.
Niet elk contact met de politie is echter een aangifte. Omdat een
strafrechtelijke procedure bijzonder ingrijpend is voor alle betrok-kenen is er een richtlijn van het OM dat de politie met de melder
eerst een informatief gesprek voert, waarbij betrokkene geïnfor-meerd wordt over de consequenties van een aangifte en de politie
een eerste inschatting maakt van een succesvolle opsporing (bij-voorbeeld: kan het misbruik bewezen worden?). Om de voortgang
van een zaak waarin aangifte is gedaan te kunnen volgen en te
kunnen beoordelen of de politie terecht zaken (niet verder) heeft
opgepakt, worden onderstaande vragen gesteld. Naarmate u
meer antwoorden kunt geven, kan het OM uw aangifte gemakke-lijker vinden. Beantwoording is niet verplicht.
Indien u alsnog aangifte wilt doen, kunt u daarvoor naar de
politie in uw woonplaats gaan. Een aangifte betekent overigens
niet automatisch dat er ook een strafproces gaat komen. Zowel de
politie als de officier van justitie zal eerst kijken of de zaak straf-rechtelijk verjaard is. De verjaringstermijn verschilt per delict.
Wanneer u de eerste vraag met ‘nee’ of ‘informatief gesprek’
beantwoordt, kunt u de volgende vragen overslaan en verdergaan
met de laatste vraag in dit blok.
Is er aangifte bij de politie gedaan, of hebt u alleen een informa-tief gesprek gehad?
Wanneer is de aangifte gedaan?
Indien u de aangifte niet zelf hebt gedaan, wie heeft dan de aan-gifte gedaan?
266
8. Formulier voor het meldpunt van de commissie-Samson
Is er voor de aangifte getekend?
Wat is het nummer van de aangifte?
Weet u bij welk politiekorps en waar aangifte is gedaan?
Weet u wat de politie met de aangifte heeft gedaan? Zo ja, wat?
Mogen uw gegevens doorgegeven worden aan het Openbaar
Ministerie?
Hulpverlening
Het is mogelijk dat herinneringen aan seksueel misbruik en de
omstandigheden waaronder dat plaatsvond tot gevoelens van ver-warring of verdriet hebben geleid.
Hebt u behoefte aan hulp?
De commissie-Samson heeft met SHN afspraken gemaakt voor
begeleiding. Het telefoonnummer is 0900-9999001. Wanneer u
hulp wilt krijgen bij onderzoek naar actuele zaken van seksueel
misbruik van minderjarigen, kunt u het Advies- en Meldpunt Kin-dermishandeling benaderen. Telefoon 0900-1231230.
267
8. Formulier voor het meldpunt van de commissie-Samson
Afsluitende vragen/opmerkingen
Mag de commissie (telefonisch) contact met u opnemen voor
nadere informatie?
Bent u bereid om gehoord te worden door de (onderzoekers) van
de commissie?
Wilt u verder op dit moment nog iets melden?
De commissie dankt u hartelijk voor uw tijd. Uw informatie wordt
toegevoegd aan andere meldingen. De commissie-Samson zal in
het najaar van 2012 een rapport uitbrengen over haar bevindin-gen.
In de tussentijd zullen op de website van de commissie berichten
over de voortgang van het onderzoek worden geplaatst.
268
8. Formulier voor het meldpunt van de commissie-Samson
9. Onderzoeksplan
Onderzoeksplan commissie-Samson
Datum: 9 november 2011
Inhoud
Inleiding
1. De context van de jeugdzorg: historische ontwikke-lingen
1.1 Ontwikkeling van de context van de jeugdzorg
1.2 Doel van het onderzoek naar de ontwikkeling van de
context van de jeugdzorg en relevante onderzoeks-vragen
1.3 Methodiek voor het onderzoek naar de ontwikkeling
van de context van de jeugdzorg
2. Bevoegdheden en verantwoordelijkheden
2.1 Ontwikkeling van de bevoegdheden en verantwoor-delijkheden in de jeugdsector
2.2 Doel van het onderzoek naar bevoegdheden en ver-antwoordelijkheden in de jeugdsector en relevante
onderzoeksvragen
2.3 Methodiek voor het onderzoek naar bevoegdheden
en verantwoordelijkheden in de jeugdsector
3. Feitelijke beschrijving van de omvang en de aard
van het seksueel misbruik
3.1. Achtergrond van de beschrijving van de omvang en
de aard van het seksueel misbruik
269
271
274
278
280
281
281
285
287
289
289
3.2. Doel van het onderzoek naar de omvang en de aard
van het seksueel misbruik en relevante onderzoeks-vragen
3.3. Methodiek voor het onderzoek naar de omvang en
de aard van het seksueel misbruik en relevante
onderzoeksvragen
3.4. Achtergronden van daders
4. De strafrechtelijke reactie
Onderzoeksproces en -resultaten
270
9. Onderzoeksplan
291
295
297
298
300
Inleiding
De commissie-Samson is door de minister van Justitie en de
minister voor Jeugd en Gezin ingesteld om onderzoek te doen
naar seksueel misbruik van kinderen die onder verantwoordelijk-heid van de overheid vanaf 1945 in rijksjeugdinrichtingen, parti-culiere jeugdinrichtingen en internaten, kindertehuizen en pleeg-gezinnen (hier: jeugdzorg) zijn geplaatst (civiel- of strafrechtelijk).
Hierbij gaat het om een onderzoeks- en adviesopdracht. Het toe-kennen van schadeclaims behoort niet tot de taakopdracht. In de
brief die de ministers op 16 juli jongstleden aan de Tweede Kamer
hebben gestuurd
19
omschrijven zij de opdracht op de volgende
manier:
Het onderzoek heeft in de eerste plaats betrekking op sig-nalen van seksueel misbruik van minderjarigen die onder
verantwoordelijkheid van de overheid zijn geplaatst in rijks-jeugdinrichtingen, particuliere jeugdinrichtingen en inter-naten, kindertehuizen en pleeggezinnen. Dit zijn de
zogeheten gedwongen plaatsingen. Bekend is dat in deze
instellingen en voorzieningen kinderen die vrijwillig en kin-deren die gedwongen geplaatst waren, vaak samen verble-ven. Het onderzoek zal moeten uitwijzen of in de praktijk
dit onderscheid volledig gehanteerd kan worden.
In het onderzoek gaat het in de tweede plaats om de vraag
of deze signalen van misbruik bij de overheid bekend waren
en zo ja, hoe de overheid hierop gereageerd heeft. De verant-woordelijkheid van de overheid is meer dan de vraag of er
wel toezicht uitgeoefend werd op de kinderen en of er inge-grepen werd bij signalen van misbruik. Er is de nodige
kennis vereist hoe de betrokken instellingen zelf met dit
soort signalen omgingen, hoe de interne cultuur was, beslo-ten of niet, hoe de taakinvulling van de toezichthouders
was.
271
9. Onderzoeksplan
19 Tweede Kamer, vergaderjaar 2009-2010, 32 123 VI, nr. 119.
In de derde plaats richt het onderzoek zich op de huidige
mechanismen voor signalering van seksueel misbruik van
kinderen.
In september 2010 heeft de commissie haar eerste bericht met
daarin de onderzoeksaanpak gepresenteerd. Deze onderzoeksaan-pak is verder uitgewerkt en in een conceptonderzoeksplan gecon-cretiseerd. Dit conceptonderzoeksplan biedt een samenvatting
van het voorgenomen onderzoek en dient als basis voor de eerste
bijeenkomst van het onderzoeksconsortium, waar de deelonder-zoeken integraal worden besproken. Het conceptonderzoeksplan
dient als leidraad voor het onderzoeksconsortium en de begelei-dingscommissies. Op het moment dat ook het laatste deelonder-zoek is gestart, zal het definitieve onderzoeksplan worden
vastgesteld.
Het conceptonderzoeksplan bestaat uit volgende onderdelen:
• In heteerste hoofdstukwordt beoogd een historische schets
te geven van de institutionele ontwikkeling van de jeugdsector
vanuit het perspectief van het kind en de aan hem/haar ver-leende zorg. Het gaat hier nadrukkelijk niet alleen maar om de
discussie hoe de instituties gefunctioneerd hebben, maar ook
om de vraag hoe dat handelen door het kind zelf is ervaren (en
de verschuivingen daarin door de tijd). Hierop doelt de commis-sie-Samson met de term ‘vanuit kindperspectief’. Het gaat
erom te reconstrueren hoe de hulpverlening aan kinderen uit
diverse achtergronden binnen een veranderende context vorm
heeft gekregen.
• Hettweede hoofdstukgeeft een overzicht van de ontwikkeling
van de bevoegdheden in de jeugdzorg en kan worden onder-verdeeld in enerzijds het juridisch kader waarbinnen de
huidige jeugdzorg opereert en de voormalige jeugdzorg heeft
gehandeld ( juridisch onderzoek) en anderzijds hoe de verant-woordelijkheden in beleid, protocollen etc. verder zijn geforma-liseerd (governance onderzoek). Er zal worden omschreven hoe
de wetten in praktische verantwoordelijkheden zijn vertaald.
Hierbij gaat het om de directe uitwerking van de wetsteksten
in de zin van:
272
9. Onderzoeksplan
—de verdeling van verantwoordelijkheden
—de aanwezigheid van gestandaardiseerde werkinstructies
—het toezicht op de werkwijze.
• Daarna volgt in hetderde hoofdstukde feitelijke beschrijving
van het seksueel misbruik van kinderen die onder verantwoor-delijkheid van de overheid in de jeugdzorg zijn geplaatst.
Methodologisch moet een onderscheid worden gemaakt
tussen recente en oudere gevallen van misbruik. Dit heeft te
maken met de werking van het autobiografisch geheugen van
mensen, de beschikbaarheid van betrouwbare bronnen en de
relevantie voor de huidige praktijk. Ook zullen mensen met
beperkingen met een aparte methodologische aanpak worden
benaderd. Op basis van deze drie onderzoeksdelen zal gepoogd
worden een aantal profielen te schetsen dat een beeld kan
geven over:
—dader
—slachtoffer
—situatie van het misbruik.
• De planning van het hele onderzoek en de aanpak voor de
analyse van de onderzoeksresultaten is onderdeel van het
vierde hoofdstuk.
De eerste drie hoofdstukken beginnen met een korte algemene
inleiding. Deze schetsen dienen als onderzoeksachtergronden.
Centraal staan in elk van de drie hoofdstukken het daarna vol-gende onderzoeksdoel en de bijbehorende vraagstellingen. Elk
hoofdstuk eindigt met een toelichting op de mogelijk te gebrui-ken methoden. Afhankelijk van het onderwerp verschilt echter
de omvang van de verschillende onderdelen.
273
9. Onderzoeksplan
1. De context van de jeugdzorg: historische
ontwikkelingen
1.1. Ontwikkeling van de context van de jeugdzorg
Al geruime tijd voor het ontstaan van de welvaartsstaat en de
invoering van de kinderwetten in het begin van de twintigste
eeuw werden hulpbehoevende kinderen in verschillende soorten
tehuizen en inrichtingen geplaatst. In eerste instantie waren deze
instellingen particuliere organisaties. In het begin beperkte de
verantwoordelijkheid van de overheid zich tot de zorg voor crimi-nele jongeren. Met de invoering van de kinderwetten groeiden
echter de verantwoordelijkheden van de overheid ten opzichte
van de hulpverlening aan en voor kinderen. De Voogdijraad was
een van de weinige instituties in Nederland die voor de Tweede
Wereldoorlog een belangrijke rol ten aanzien van de kinderbe-scherming hebben gespeeld. Ook in de eerste jaren na de oorlog
was de jeugdzorg een sterk particuliere (en verzuilde) sector.
Sindsdien is de rol van de overheid in deze sector geleidelijk
gegroeid.
De onderzoeksopdracht voor de commissie-Samson beperkt zich
tot seksueel misbruik van kinderen (in instellingen en pleeggezin-nen) dat zich na 1945 heeft voorgedaan.
De geschiedenis van de jeugdzorg is eerder beschreven. Het zijn
beschrijvingen waarin de instituties vooropstaan, zoals in het
jubileumboekHonderd jaar Kinderbeschermingter gelegenheid
van 100 jaar Raad voor de kinderbescherming en de kinderwetten.
Het zijn boeken waar iets doorheen schemert van de belevings-wereld van het kind. Kinderen voor wie doorgaans gedacht en
besloten werd. Pas in de loop der tijd lijkt er meer aandacht te
komen voor wat kinderen zelf willen. In het gedenkboek staat dat
de belangen van het kind centraal stonden in de werkwijze van de
Raad. Maar dacht het kind er ook zo over? Dat is te onderzoeken.
Het is lastig, maar niet onmogelijk om de jeugdzorg te beschrijven
vanuit het perspectief van het kind. Hoe opereerden in dat licht
vanaf 1945 de Kinderbescherming en andere actoren zoals de
274
9. Onderzoeksplan
voogdijinstellingen en de kinderrechter? Een verhaal dat in de
jaren negentig verdergaat met nieuwe actoren als de Bureaus
Jeugdzorg en de toezichthoudende Inspectie Jeugdzorg. Hoe valt
hun zorg, die een uiting was van de overheidsrol, te beoordelen?
Hoe zijn de cultuur, de behandeling en professionele attitude
binnen die instellingen mede vanuit het gezichtspunt van het
kind te beoordelen?
In deze beoordeling is het belangrijk om stil te staan bij belang-rijke veranderingen in de maatschappelijke en culturele context
van de jeugdzorg. Algemene maatschappelijke trends zijn bijvoor-beeld die geweest rondom ontzuiling, seksuele revolutie, wel-vaartsgroei of bezuinigingen, het maakbaarheidsdenken en de
daarmee samengaande rolopvatting van de overheid, democrati-sering, veranderingen in maatschappelijke normen en waarden
(waaronder seksualiteit) en een groeiende professionalisering van
de publieke sector, emancipatie van vrouwen en kinderen etc.
Deze trends kunnen een verklaring bieden voor veranderingen in
de jeugdsector, maar het hoeft niet. Dat verdient juist studie. En
de ontwikkelingen in de samenleving hoeven niet synchroon te
lopen met ontwikkelingen in de jeugdzorg. Ook kan het zijn dat de
opvoedingsdoelen juist niet eenduidig waren in de jeugdzorg. En
veranderingen in de wetgeving hoeven op hun beurt ook niet een-twee-drie het gevolg te zijn geweest van maatschappelijke trends,
noch wijzigingen in de praktijk tot gevolg te hebben gehad. De
sector kan wellicht qua ontwikkeling en cultuur een afwijkende
ontwikkeling doorgemaakt hebben.
Bestudering verdient zeker de vraag of en zo ja, waarom de
jeugdzorg met een zekere achterstand ten opzichte van andere
publieke sectoren de algemene maatschappelijke trends volgde.
Als voorbeeld: de jeugdzorg kent een inspectie vanaf 1988, terwijl
het onderwijs er een kent vanaf 1801. Ook lijkt bijvoorbeeld de
relatief late aandacht in de jeugdzorg voor werkwijzen en proto-collering in relatie tot het thema seksueel misbruik een verklaring
te vergen.
Het is mogelijk om enkele perioden te onderscheiden die gehan-teerd kunnen worden voor een beschrijving van de jeugdzorg.
275
9. Onderzoeksplan
Deze kunnen met erkenning van wat hierboven opgemerkt is met
een zekere voorzichtigheid ook gehanteerd worden voor de
beschrijving van het formele kader en voor de schets van de veran-derende maatschappelijke en culturele context. Op basis van de
huidige literatuur hanteert de commissie de volgende typeringen,
die vanzelfsprekend de komende tijd in de onderzoeken verfijnd
moeten worden:
1945 tot en met 1964
Herstel, opbouw en uitbouw van de jeugdzorg
• In algemene zin gaat het in Nederland om de wederopbouw
en het vestigen van een nieuwe democratische orde
• Herstel en groei van de kinderbescherming (rijksinstellingen,
particuliere tehuizen en pleeggezinnen)
• Probleemgezinnen en de cultuur van armoede en sociale ach-terstand
• Redenen van plaatsing (verwaarlozing, criminaliteit)
• Cultuur van heropvoeding in de instellingen
• Professionalisering van groepsleiding (diploma)
• Behandeling van pupillen (psychiaters).
1965 tot en met 1979
Jeugdzorg onder vuur
• In algemene zin is er in Nederland sprake van het idee van de
maakbare samenleving. Het geloof in wetenschap en techniek
is groot, en de bevoegdheden van de overheid groeien in deze
fase uitermate sterk. Professionalisering van de publieke sector.
De kinderbescherming volgt deze ontwikkelingen slechts
gedeeltelijk
• Kritiek op het stelsel van de kinderbescherming (bevoogding)
• Aanpassing van het stelsel (bij dalend aantal plaatsingen)
• Ontstaan alternatieve hulpverlening/drempelverlaging
• Jongerenemancipatie (o.a. Belangenvereniging Minderjarigen)
• Nieuwe gezinnen en nieuwe problemen
• Seksuele revolutie (ontstaan alternatieve samenlevingsvormen,
o.a. stiefouders)
• Andere redenen van plaatsing (mishandeling, conflicten, vecht-scheidingen)
276
9. Onderzoeksplan
• Cultuur van hulpverlening
• Oprichting eerste Bureaus Vertrouwensartsen
• Cultuurverandering in instellingen (groepsleider als coach)
• Nieuwe behandelvormen van pupillen.
1980 tot en met 1995
Consolidatie van de jeugdzorg
• In algemene zin wordt het ideaal van de maakbare samenle-ving afgelost door het streven naar een slanke overheid waarin
publieke taken zoveel mogelijk worden geprivatiseerd en
managementinstrumenten uit de marktsector hun intrede in
de publieke sector doen.
• Bezuinigingen (bij een groeiend aantal plaatsingen)
• Groei Bureaus Vertrouwensartsen
• Ontdekking seksuele kindermishandeling door affaires
• Aanpassing beleid en behandeling in instellingen
• Verzakelijking in de behandelcultuur
• Inpassing jeugdzorg in stelsel van nieuwe vormen van hulpver-lening
• Nieuwe maatschappelijke problemen (o.a. groei jeugdcrimina-liteit)
• Instelling Inspectie Jeugdhulpverlening en Jeugdbescherming
• Ontstaan AMK’s.
1996 tot en met 2007
Heroriëntatie van de jeugdzorg
• Na 1996 is er steeds meer sprake van een activerende overheid.
Publieke verantwoordelijkheden worden sindsdien op een zo
laag mogelijk niveau toegekend opdat alle potentiële krachten,
zoals de markt, het maatschappelijke middenveld, de gemeen-ten en de burgers, zelf optimaal benut kunnen worden
• Herstructurering (specialisatie van instellingen en samenwer-king met o.a. Riaggs, Bureaus Jeugdzorg; Inspectie Jeugdhulp-verlening en Jeugdbescherming wordt Inspectie Jeugdzorg)
• Jongerenemancipatie in juridische zin
• Reorganisatie en integratie AMK’s in Bureaus Jeugdzorg
• Voortgaande groei van de sector en verzwaring van de proble-men van geplaatste jongeren.
277
9. Onderzoeksplan
2008 tot en met 2010
Terwijl de sociaal-culturele positie van de gezinnen de afgelopen
jaren niet gewijzigd is, wordt deze periode apart onderscheiden.
De commissie is immers expliciet gevraagd om het huidige func-tioneren van de jeugdzorg apart te beoordelen en verwacht aan-bevelingen van de commissie over de huidige mechanismen voor
signalering van seksueel misbruik.
De commissie betrekt in dit oordeel wat er de afgelopen drie jaar
is gebeurd in de jeugdzorg. Institutioneel is er juist de afgelopen
drie jaar veel veranderd. Naast Bureau Jeugdzorg is er met de
invoering van het Centrum voor Jeugd en Gezin een duidelijk
gemeentelijk aanspreekpunt gekomen voor ouders met lichte
opvoedvraagstukken. Preventie is een steeds belangrijker onder-werp geworden. De verdeling van verantwoordelijkheden tussen
de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdzorg is wettelijk
duidelijk afgebakend. Er wordt geïnvesteerd in professionalise-ring van de jeugdzorg en in nieuwe behandelmethodes. De hulp-verleners kregen in de afgelopen jaren duidelijke kaders mee in
de vorm van kwaliteitsprotocollen en kwaliteitscriteria. Het
belang van het onderwerp seksualiteit en het risico van seksueel
misbruik binnen de jeugdzorg begon steeds meer door te dringen.
De Inspectie Jeugdzorg controleert (anders dan tevoren) tegen-woordig op instellingsniveau.
1.2. Doel van het onderzoek naar de ontwikkeling van de
context van de jeugdzorg en relevante onderzoeksvragen
In dit deelonderzoek zal de institutionele ontwikkeling van de
jeugdsector vanuit het perspectief van het kind aan de orde
komen. Hierbij spelen bijvoorbeeld algemene maatschappelijke en
culturele ontwikkelingen een belangrijke rol. Ook dient in dit deel-onderzoek de omgang in de jeugdsector met het onderwerp sek-sualiteit aan de orde te komen.
Hierbij kan een indeling in periodes worden gehanteerd die
globaal gemarkeerd kunnen worden als 1945-1965-1980-1995-2007-2010. Hoewel ook andere indelingen logisch zouden kunnen
zijn, geeft de commissie er de voorkeur aan om deze indeling te
278
9. Onderzoeksplan
hanteren in verband met de vergelijkbaarheid van de verschil-lende deelonderzoeken.
Omdat het onderzoek betrekking heeft op een lange periode,
biedt het historische gedeelte van het onderzoek niet alleen een
interessant overzicht over de ontwikkeling van de sector maar kan
het van betekenis zijn bij de interpretatie van de onderzoeksresul-taten uit de overige deelonderzoeken.
Hoofdvraag
• Hoe heeft de Nederlandse jeugdzorg zich tussen 1945 en 2010
ontwikkeld binnen de context van een veranderende Neder-landse cultuur en samenleving? En wat betekende dit in het
licht van seksueel misbruik?
Deelvragen(in logische volgorde)
• Welke kinderen kwamen terecht in de jeugdzorg (c.q. werden
gedwongen geplaatst in instellingen en pleeggezinnen (inclu-sief aantallen en aard van de opgelegde maatregelen?)) Uit wat
voor gezinnen kwamen zij?
• Welke waren de redenen van plaatsing?
• Hoe hebben de instituties zich ontwikkeld? Welke instituties en
actoren hebben deel uitgemaakt van het systeem van de jeugd-zorg?
• Hoe was de toerusting van professionals en op welke manier
heeft de professionalisering van de jeugdzorg plaatsgevonden?
• Hoe werden de kinderen behandeld door de instellingen, pleeg-gezinnen en de verenigingen die uit naam van de overheid voor
hen moesten zorgen?
• Hoe hebben de veranderende normen en waarden (onder meer
op het vlak van de seksualiteit) zich in de onderscheiden perio-den vertaald in de praktijk van de jeugdzorg?
• Hoe zag de cultuur van de hulpverlening er in de onderschei-den perioden uit in de jeugdzorg?
• Hoe is gereageerd op signalen van ontevredenheid van kinde-ren, en bij wie konden zij met hun zorgen terecht?
• Hoe zag het toezicht op de zorg eruit? Wat was de rol van de
kinderrechter en de gezinsvoogd, en hoe vulden zij hun taak in
de loop van de tijd in? Wat werd binnen de instelling of vereni-279
9. Onderzoeksplan
ging zelf afgehandeld en wat werd doorgespeeld aan een
externe toezichthouder?
• Wat hebben voorgaande vragen voor individuele kinderen
betekend?
1.3. Methodiek voor het onderzoek naar de ontwikkeling van
de context van de jeugdzorg
Als methoden van onderzoek worden gehanteerd: de historische
survey, literatuurreview, documentatieanalyse, mediaonderzoek,
lifestory, oral history, en casestudyonderzoek (waarbinnen archief-onderzoek en interviewonderzoek). De onderzoekers maken hier-bij gebruik van een zogenoemd trechtermodel: gestart wordt met
een surveyonderzoek over de gehele breedte van de jeugdzorg in
de periode 1945-2010, waarna vervolgonderzoek wordt uitgevoerd
in een aantal instellingen, wat uitmondt in een diepteonderzoek
naar een beperkt aantal casestudy’s.
280
9. Onderzoeksplan
2. Bevoegdheden en verantwoordelijkheden
2.1. Ontwikkeling van de bevoegdheden en
verantwoordelijkheden in de jeugdsector
Het tweede deel van het onderzoek bestaat uit de beschrijving
van het juridisch kader en de besturingsmethoden (governance).
In dit hoofdstuk zal worden verduidelijkt hoe de vastgestelde
bevoegdheden er concreet uitzien, wie de verantwoordelijkheden
voor de verschillende onderdelen van de jeugdketen draagt en op
welke manier deze verantwoordelijkheden in operationele hande-lingen zijn vertaald en gestandaardiseerd.
Om het officiële handelingskader van de jeugdzorg te kunnen
omschrijven zal onderscheid worden gemaakt tussen:
• de voor het onderzoek relevante wet- en regelgeving (hier: juri-disch kader)
• de verdere invulling van deze regelgeving met het oog op ver-antwoordelijkheden en het specifieke toezicht (hier: gover-nance).
De twee onderdelen zullen verschillend worden benaderd, maar
kennen een duidelijke samenhang. Het wettelijk kader is immers
de fundering voor het bestuurlijke huis dat verantwoordelijkhe-den tot op het operationele gedeelte regelt.
Ad juridisch kader
De eerste kinderbeschermingswetten zijn in het begin van de
twintigste eeuw ingevoerd. Zij vormen het vertrekpunt voor de
ontwikkeling van het kinderrecht, dat niet alleen in Nederland
geldt, maar ook op internationaal niveau tot stand is gekomen.
En het internationale recht is wederom bepalend voor de situatie
in Nederland. Het kinderbeschermingsrecht is voor het onderzoek
naar seksueel misbruik van minderjarigen die onder verantwoor-delijkheid van de overheid in de jeugdzorg zijn geplaatst echter
niet de enige relevante wetgeving.
Voor het handelen in de te onderzoeken jeugdzorg zijn naast de
wetten die direct betrekking hebben op minderjarigen andere
281
9. Onderzoeksplan
rechtsdomeinen zoals de zedelijkheidswetgeving, de penitentiaire
wetgeving bij jeugdigen en het Burgerlijk Wetboek van belang.
Bovendien is er de interactie tussen rijk en particulier initiatief.
Immers, overheidstaken worden ook door particuliere organisaties
en (voorheen verzuilde) instellingen uitgevoerd. Daarmee komen
meer partners in beeld aan wie in de dagelijkse praktijk verant-woording wordt afgelegd dan wel die verantwoordelijkheid
dienen te nemen om misstanden aan te pakken. Deze context
maakt dat de beschrijving van het juridisch kader niet eenvoudig
is. Het is daarom nodig om de afgelopen 65 jaar in relevante tijd-perken te onderscheiden.
Per tijdperk is nodig om de inhoud van de verschillende wettelijke
regelingen nauwkeurig te omschrijven. Door dit raster, met op de
ene as het tijdsperspectief en op de andere as de inhoudelijke
regelingen uit de wetsteksten, kan in de analyse van het onder-zoek worden getoetst in hoeverre de handelingspatronen in de
jeugdzorg met het officiële wettelijke kader overeenkwamen en
-komen. Om voor de jeugdketen relevante beleidsmatige conclu-sies te kunnen trekken, zal bij deze analyse vooral vanuit het kind
worden gekeken. Bedoeld is hiermee niet alleen de veiligheid voor
het kind te waarborgen, maar voor de toekomst kinderen gelegen-heid te bieden om misstanden aan te kaarten en/of hulpverlening
te geven die kinderen op de terreinen van seksualiteit en bestrij-ding van seksueel misbruik ondersteunt.
Bij de beschrijving van het wettelijk kader zijn de kernvragen wat
waarom in wetgeving is neergelegd en welke consequenties de
wetgeving had. Bij wetgeving kan het zowel gaan om het bieden
van een eerste wettelijke grondslag voor regulering als om aan-passing van bestaande wetgeving. In het laatste geval moeten de
wijzigingsmomenten helder gemarkeerd zijn. Beschreven moeten
worden:
• Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht: misdrijven tegen de
zeden. Bij dit onderwerp spelen onderwerpen als wijziging van
de strafbaarstelling van gedragingen, verandering van verja-ringstermijnen, en verandering in strafdreiging een rol.
• De ontwikkeling van penitentiaire wetgeving voor jeugdigen,
zoals de Beginselenwet Justitiële Jeugdinrichtingen en daaraan
282
9. Onderzoeksplan
voorafgaande wetgeving en de Wet op de (gesloten) jeugdzorg.
Hier dient beschreven te worden:
—hoe de verantwoordelijkheden in de inrichting/instelling
belegd zijn
—of er verplichtingen tot melding/aangifte zijn bij seksueel
misbruik
—of en zo ja, hoe visitatiemogelijkheden geregeld zijn
—of een pupil recht heeft op een eigen kamer.
• Welke wettelijke maatregelen getroffen zijn om seksueel mis-bruik door personeelsleden/pleegouders te voorkomen (te
denken valt aan de wettelijke grondslag van de Verklaring
Omtrent Gedrag etc.).
• De ontwikkeling van de kinderbescherming volgens het BW.
Daarbij wordt ingegaan op de verlaging van de meerderjarig-heidsgrens en op wetgeving over pleeggezinnen.
• De Wet op de rechterlijke organisatie in verband met de ont-wikkelingen van de rol van de kinderrechter en van de officier
van justitie.
• De bevoegdheden van de overheid om voorwaarden te stellen
aan stichtingen en verenigingen en relevante bepalingen voor
verantwoordelijkheden binnen die organisatievormen.
• Wetgeving inzake bevoegdheden en verantwoordelijkheden
van toezichthoudende instanties, zoals Inspecties Jeugdhulp-verlening en Jeugdzorg, de Raad voor Strafrechtstoepassing en
Jeugdbescherming; voorts welke sancties er bestonden als ver-antwoordelijkheden niet goed werden ingevuld.
• De relevante bepalingen van internationale verdragen.
• De wettelijke lacunes die bestonden en bestaan.
Indien van wezenlijk belang voor het inzicht hoe met seksueel
misbruik wordt omgegaan, komt tevens een beschrijving van
lagere regelgeving aan bod.
Ad governance
Afhankelijk van het betreffende domein kan wet- en regelgeving
soms gedetailleerd en soms heel globaal zijn. Additionele vertaal-slagen zijn in veel gevallen nodig om de wetsteksten in een uit-voeringskader te concretiseren. Dit kan bijvoorbeeld via beleid,
protocollen etc. Op deze manier kunnen verantwoordelijkheden
283
9. Onderzoeksplan
ten aanzien van de hulpverlening nader worden ingevuld. In het
governancevraagstuk gaat het om het geven en nemen van ver-antwoordelijkheden en het toezicht hierop.
Uit het historische gedeelte van dit onderzoeksplan blijkt dat er al
heel lang overheidsbeleid voor de te onderzoeken instellingen
bestaat. Naast de officiële beleidsstukken die vanuit de overheid
(rijk, provincies en gemeenten) zijn ontwikkeld, worden er door de
verantwoordelijken binnen de jeugdsector afspraken gemaakt
over concrete bevoegdheden met betrekking tot de hulp aan kin-deren. Deze afspraken worden meestal in officiële stukken (proto-collen, handvesten etc.) vastgelegd.
Vanuit huidig perspectief regelt het verband tussen wetten, beleid
en afspraken de organisatie van de jeugdzorg. Om deze zo goed
mogelijk te laten functioneren, moet vanuit het (ontvangende)
kind worden gedacht.
Vijf vragen zijn nodig om de jeugdzorg oftewel het stelsel te
kunnen beschrijven, te weten:
• Wie zijn de verantwoordelijkheidsdragers binnen de jeugd-zorg?
• Waarvoor is men concreet verantwoordelijk?
• Hoe wordt de verantwoordelijkheid genomen?
• Aan wie wordt verantwoording afgelegd?
• Hoe wordt op de verantwoordelijkheid toegezien (met name
ten aanzien van seksualiteit en seksueel misbruik)?
De antwoorden op deze vragen hebben betrekking op de verschil-lende in het wettelijke kader genoemde rechtsdomeinen en
omschrijven het huidige stelsel van verantwoordelijkheden
binnen het onderzoeksbereik. Door het antwoord op deze vragen
wordt de samenhang tussen wetten en governance duidelijk.
Om de jeugdsector in zijn geheel te kunnen begrijpen en de ont-wikkeling sinds 1945 te kunnen schetsen, is een matrix nodig met
op de ene as de ontwikkeling in de tijd en op de andere as de
genoemde vragen naar het beleggen van de verantwoordelijkheid.
Bij de indeling van de tijdslijn is een nadrukkelijke samenhang
284
9. Onderzoeksplan
met het juridisch kader nodig. Op basis van beide onderzoeks-delen samen moeten onderstaande onderzoeksvragen kunnen
worden beantwoord. Eveneens moet in de analyse van het feite-lijke handelen (zoals het in het derde hoofdstuk zal worden
omschreven) kunnen worden beoordeeld in hoeverre de handelin-gen binnen het wettelijk en het governancekader pasten en/of er
inhoudelijke lacunes aanwezig zijn.
2.2. Doel van het onderzoek naar bevoegdheden en
verantwoordelijkheden in de jeugdsector en relevante
onderzoeksvragen
De eerste helft van dit onderzoeksonderdeel moet een overzicht
over de ontwikkeling van het wettelijk kader bieden waarbinnen
medewerkers in de jeugdsector en de hierbij betrokken organisa-ties in brede zin hebben gehandeld. Verschillende wetten zijn
hierbij van belang. Op basis van dit juridische onderzoek zullen de
relevante wetten, verantwoordelijkheden en bevoegdheden in de
te onderzoeken periode worden omschreven door middel van een
tijdsbalk.
De tweede helft van dit onderzoeksonderdeel omschrijft hoe deze
wetten in de praktijk zijn toegepast. Er wordt verduidelijkt hoe het
wettelijk kader in beleidsmaatregelen in de jeugdzorg is vertaald
en hoe deze bevoegdheden aan mensen en organisaties zijn toe-bedeeld. Hierbij dient onderscheid gemaakt te worden tussen de
verantwoordelijkheden binnen de jeugdzorg en het toezicht erop.
Evenals bij de omschrijving van het wettelijk kader wordt hier
gebruikgemaakt van dezelfde tijdsbalk.
Beide onderzoeksdelen moeten nauw op elkaar aansluiten en een
duidelijk wettelijk bestuurlijk raster opleveren. Dit raster dient als
basis voor de toets van de feitelijke gang van zaken in de jeugd-zorg. Deze feitelijke gang van zaken zal worden geanalyseerd in
het derde onderzoeksgedeelte. Op basis van het verschil tussen de
officiële matrix en het feitelijke gedrag zal in de analyse duidelijk
moeten worden hoe het officiële handelingskader heeft gefuncti-oneerd en waar eventuele tekorten in dit kader zitten of zaten.
285
9. Onderzoeksplan
De relevante onderzoeksvragen zijn:
Hoofdvraag juridisch onderzoek
• Hoe heeft de relevante wetgeving zich tussen 1945 en 2010
ontwikkeld?
Deelvragen juridisch onderzoek
• Welke wettelijke disciplines zijn voor de voorliggende onder-zoeksopdracht relevant?
• Wie had welke bevoegdheden binnen deze disciplines (kinder-rechter, officier van justitie, Voogdijraden/Raden voor de
Kinderbescherming, justitiële jeugdinrichtingen, voogdijinstel-lingen en -verenigingen etc.)?
• Hoe was het toezicht op de wettelijke bevoegdheden gere-geld?
• Welke sancties bestonden er als de verantwoordelijkheden
onjuist werden ingevuld?
• Hoe is in klachtprocedures voorzien?
• Welke wettelijke lacunes bestonden en bestaan er?
Hoofdvraag governanceonderzoek
• Hoe is het wettelijk kader tussen 1945 en 2010 vertaald in de
uitvoering van de jeugdzorg en hoe was het toezicht in de loop
der tijd geregeld?
Deelvragen governanceonderzoek
A. Formele toebedeling
• Welke organisaties en actoren hebben welke bevoegdheid en
verantwoordelijkheid in de bescherming tegen seksueel mis-bruik van kinderen in de jeugdzorg?
• Hoe wordt de vertaling gemaakt naar instellingsregels (beleid,
protocollen, werkinstructies)? Is er sprake van ritualisme?
• Hoe zijn het toezicht en het afleggen van verantwoording
geregeld?
• Zijn er lacunes en ambiguïteit in de formele verantwoordelijk-heidstoedeling?
B. Feitelijke uitvoering
• Wie pakt verantwoordelijkheden op (dit kan iemand zijn die
formeel verantwoordelijk is, maar ook iemand zonder formele
286
9. Onderzoeksplan
verantwoordelijkheid)? Is er sprake van ritualisme in de uitvoe-ring van de regels?
• Welke factoren zijn van invloed op de feitelijke taakuitvoering?
—Competenties: Hoe zijn de actoren toegerust om hun taak uit
te voeren (opleiding, deskundigheid, scholing etc.)?
—Conflicterende belangen: In hoeverre staat het belang van
het kind boven de reputatie van de instelling en de financie-ring?
—Cultuur: Onder andere: in hoeverre is de cultuur open, res-ponsief naar het belang van het kind en niet-autoritair?
• Aan wie is feitelijk verantwoording afgelegd en wie heeft er fei-telijk toezicht gehouden?
• Wat zijn de gevolgen in het geval dat tekortkomingen in de
governance worden geconstateerd? Hierbij gaat het om institu-tionele aanpassingen en om maatregelen om het leed van
slachtoffers te verzachten.
• Zijn er hiaten in de feitelijke taakuitvoering en het toezicht?
2.3. Methodiek voor het onderzoek naar bevoegdheden en
verantwoordelijkheden in de jeugdsector
Ad juridisch onderzoek
Voor dit onderzoeksgedeelte kan voor een groot deel gebruik
worden gemaakt van officiële teksten, zoals wetten, Kamerstuk-ken, beleidsteksten, protocollen, jaarplannen etc. Waar nodig
kunnen deze worden aangevuld met interviews met betrokkenen.
Ad governance onderzoek
Het governanceonderzoek is opgebouwd uit drie blokken:
• Het eerste blok omvat de formele vragen: Hoe is het wettelijk
kader vertaald in uitvoeringsregels? Hierbij wordt met name
gebruikgemaakt van geschreven bronnen en een aantal inter-views. Via literatuurstudie, documentenstudie, historische
bronnen en een klachtenanalyse in het kader van de verant-woordelijkheidstoedeling wordt inzicht gegenereerd in het
vastgelegde beleid.
• Het tweede blok betreft de feitelijke uitvoering van verant-woordelijkheden en bevoegdheden en biedt een verdieping op
blok 1. De feitelijke uitvoering wordt onderzocht aan de hand
287
9. Onderzoeksplan
van casusonderzoek waarbij organisaties uit de jeugdzorg de
casus vormen. Naast een documentenstudie wordt ook
gebruikgemaakt van diepte interviews en focusgroepen.
• In beide blokken worden verschillende onderzoeksmethoden
ingezet. Resultaten van blok 1 zijn van belang voor blok 2. Ver-diepende informatie uit blok 2 kan anderzijds ook gebruikt
worden voor de aanvulling van de resultaten in blok 1.
288
9. Onderzoeksplan
3. Feitelijke beschrijving van de omvang en de aard
van het seksueel misbruik
3.1. Achtergrond van de beschrijving van de omvang en de
aard van het seksueel misbruik
In de onderzoeksopdracht van de commissie is vastgesteld dat
onderzoek gedaan moet worden naar de aard en omvang van het
seksueel misbruik enerzijds en de omgang met seksueel misbruik
door de verantwoordelijkheidsdragers anderzijds. Deze onder-zoeksvragen naar een ernstig misdrijf als seksueel misbruik
binnen de verschillende onderdelen van de jeugdzorgketen
kunnen niet eenvoudig worden beantwoord. Hieraan liggen uit-eenlopende redenen ten grondslag, zoals:
• Het onderzoek strekt zich uit over een uitermate lange tijdspe-riode. Een groot aantal mensen dat in het begin van de onder-zoeksperiode misbruikt is of in de hulpverlening heeft gewerkt,
leeft niet meer of is niet meer te traceren.
• Persoonlijke herinneringen kunnen na verloop van tijd verte-kend raken. Dit geldt zeker voor gebeurtenissen die in sommige
gevallen al enkele decennia geleden hebben plaatsgevonden.
• Nog steeds ligt er voor veel mensen een taboe op de onderwer-pen seksualiteit en seksueel misbruik. Schaamte en schuldge-voelens vereisen een zeer sensitieve omgang met vragenlijsten
en interviews.
• Wetten en regels zijn in de loop der tijd veranderd. Voor geval-len van misbruik uit het begin van de onderzoeksperiode geldt
een ander regime dan voor de actuele gevallen.
• De inrichting van de jeugdzorg is in de afgelopen dertig jaar
sterk veranderd. Door fusies of andere moderniseringen
hebben instellingen vaak een nieuwe naam of een andere
bestuurlijke verantwoordelijkheid gekregen.
Plegers als informatiebron kunnen waarschijnlijk lastig worden
onderzocht, omdat er maar weinig plegers bekend zijn en/of aan
een dergelijk onderzoek zullen willen meewerken. Medewer-kers/omstanders (groepsgenoten, familieleden etc.) vormen waar-schijnlijk een tweede bron buiten de slachtoffers; gedacht wordt
aan het institutionele kader dat toeziet op de jeugdzorg of andere
289
9. Onderzoeksplan
verantwoordelijkheden uit de jeugdzorgketen draagt (zoals
Inspectie Jeugdzorg, Raad voor de Kinderbescherming, Advies- en
Meldpunt Kindermishandeling).
Voor de feitelijke omschrijving van de aard en de omvang van het
seksueel misbruik zijn verschillende onderzoeksobjecten geïdenti-ficeerd (vanuit huidig perspectief naar de afgelopen 65 jaar
kijkend). Naar al deze instanties moet onderzoek worden verricht.
Het gaat hierbij om:
• justitiële jeugdinrichtingen(JJI’s)
• jeugdzorginstellingen
• pleeggezinnen
• (gezins)voogden
• de Inspectie Jeugdzorg (en haar rechtsvoorgangers)
• de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK)
• de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling (AMK’s)
• de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ)
• de politie
• het Openbaar Ministerie (OM)
• de kinderrechters.
Over het algemeen deed het seksueel misbruik zich voor op de ver-blijfplaatsen van kinderen. Dat betekent dat vragen naar de aard
en omvang vooral relevant zijn voor de eerste drie van de
genoemde onderzoeksobjecten ( justitiële jeugdinrichtingen,
jeugdzorginstellingen en pleeggezinnen). Voor deze onderzoeks-objecten zal speciaal relevant zijn wat de aard van het misbruik
was en hoe er door de medewerkers binnen de instelling is omge-gaan met seksueel misbruik.
De overige onderzoeksobjecten behoren tot het institutionele
kader dat verantwoordelijk is voor de plaatsingen en/of het toe-zicht op deze plaatsingen. Naast de reeds vermelde vraag naar
mogelijke incidentie zullen deze personen en instellingen vooral
worden bekeken op de vraag hoe zij op signalen van seksueel mis-bruik hebben gereageerd. Goede afstemming tussen de verschil-lende deelonderzoeken is nodig, zodat de instellingen niet
overvraagd worden.
290
9. Onderzoeksplan
3.2. Doel van het onderzoek naar de omvang en de aard van
het seksueel misbruik en relevante onderzoeksvragen
Door het onderzoek naar de omvang en aard van het misbruik
en de reactie door de verantwoordelijken ontstaan profielen van
slachtoffers, daders en omstandigheden. Deze profielen zijn van
grote waarde voor de praktijk. Op basis van deze kennis kunnen
lacunes in de organisatie, de werkwijze etc. worden aangevuld
en kan het seksueel misbruik binnen de jeugdzorg verder worden
beperkt. Gezien de omvang van het onderzoek is de feitelijke
omschrijving onderverdeeld in drie deelonderzoeken:
• onderzoek naar de aard en omvang van en de reactie op seksu-eel misbruik (1945 tot en met 2007)
• onderzoek naar de aard en omvang van en de reactie op seksu-eel misbruik (2008 tot en met 2010)
• onderzoek naar de aard en omvang van en de reactie op sek-sueel misbruik van kinderen met een verstandelijke beperking
(2008 tot en met 2010).
Onderzoek naar de aard en omvang van en de reactie op
seksueel misbruik (1945 tot en met 2007)
Het onderzoek naar seksueel misbruik in deze periode geeft
inzicht in de aard van het seksueel misbruik en hoe door instellin-gen en van overheidswege is gereageerd op mogelijke signalen
van seksueel misbruik in de periode 1945 tot en met 2007. Tot de
doelgroep behoren kinderen met en zonder verstandelijke beper-kingen.
Hoofdvraag
• Wat waren de aard en omvang van seksueel misbruik bij kinde-ren binnen de jeugdzorg van 1945 tot en met 2007 (uitgesplitst
naar verschillende vormen van jeugdzorg) en hoe is gereageerd
op signalen van seksueel misbruik? Kwam het misbruik inci-denteel voor of was het structureel?
Deelvragen
• Wat is uit internationale studies bekend over de aard van sek-sueel misbruik binnen de jeugdzorg en de reactie op signalen
van seksueel misbruik?
291
9. Onderzoeksplan
• Was het seksueel misbruik in de verschillende vormen van
jeugdzorg incidenteel of structureel? Hierbij dient uitgesplitst
te worden naar soort pleger (begeleider, groepsleider, leiding-gevende en pleegouder versus groeps- en gezinsgenoot).
• Waren er bepaalde instellingen en/of pleeggezinnen waar de
omvang van het seksueel misbruik bovengemiddeld groot was?
Zijn daar verklaringen voor?
• Wat was de aard van het seksueel misbruik?
• Welke informatie is over de pleger bekend?
• Was er binnen de jeugdzorg sprake van signalen van seksueel
misbruik?
• Hoe is door de medewerkers binnen de instelling/toezichthou-ders gereageerd op signalen van seksueel misbruik?
• Hoe is door de verantwoordelijken uit het institutionele kader
(politie, (gezins)voogd, Raad voor de Kinderbescherming, kin-derrechter etc.) gereageerd op signalen van seksueel misbruik?
• Zijn er in de antwoorden patronen te onderscheiden in verschil-lende periodes?
Onderzoek naar de aard en omvang van en de reactie op
seksueel misbruik (2008 tot en met 2010)
Dit deelonderzoek betreft het vaststellen van de aard en omvang
van seksueel misbruik van recent of op dit moment in de jeugd-zorg geplaatste kinderen (2008 tot en met 2010). Hierbij gaat het
om de achtergronden van het seksueel misbruik, de context
waarin het misbruik plaatsvindt, of het misbruik is besproken, wat
er met de melding is gebeurd, en wat de gevolgen (van het mis-bruik) voor de kinderen, de betrokken professionals, hun institu-ties en voor de plegers zijn geweest. Voor deze periode is gekozen
in verband met de te verwachten beschikbaarheid van mogelijk
onderzoeksmateriaal en om een duidelijk beeld te kunnen geven
van de actuele situatie van seksueel misbruik in de jeugdzorg.
Hoofdvraag
• Wat zijn de aard en omvang van seksueel misbruik bij kinderen
binnen de jeugdzorg in de periode 2008 tot en met 2010 (uitge-splitst naar verschillende vormen van jeugdzorg) en hoe is
gereageerd op signalen van seksueel misbruik?
292
9. Onderzoeksplan
Deelvragen
• Wat is uit internationale studies bekend over de aard en
omvang van seksueel misbruik binnen de jeugdzorg (uitge-splitst naar verschillende vormen van jeugdzorg)?
• Ten aanzien van welk percentage kinderen is er sprake van sek-sueel misbruik (prevalentie) in de verschillende vormen van
jeugdzorg (ten opzichte van het totaal aantal onvrijwillig
geplaatsten)? Hierbij dient uitgesplitst te worden naar soort
pleger (begeleider, groepsleider, leidinggevende en pleegouder
versus groeps- en gezinsgenoot), maar ook naar de relatie tot
de pleger en hoe de pleger te werk ging om het slachtoffer
zover te krijgen of zelfs herhaaldelijk te misbruiken.
• Waren er bepaalde instellingen en/of pleeggezinnen waar de
omvang van het seksueel misbruik bovengemiddeld groot was?
Zijn daar verklaringen voor?
• Wat was de aard van het seksueel misbruik (uitgesplitst naar
verschillende vormen van jeugdzorg)?
• Welke informatie is over de pleger bekend?
• Welke signalen van seksueel misbruik zijn binnen de jeugdzorg
afgegeven door betrokkenen en hoe frequent gebeurde dat?
• Hoe is door de medewerkers binnen de instelling/toezichthou-ders gereageerd op signalen van seksueel misbruik?
• Hoe is door de verantwoordelijken uit het institutionele kader
(politie, (gezins)voogd, Raad voor de Kinderbescherming, kin-derrechter etc.) gereageerd op signalen van seksueel misbruik?
• Is het mogelijk profielen te schetsen van slachtoffers, plegers en
omstandigheden?
Onderzoek naar de aard en omvang van en de reactie op
seksueel misbruik van kinderen met een verstandelijke
beperking (2008 tot en met 2010)
Dit deelonderzoek geeft inzicht in de aard en omvang van het sek-sueel misbruik onder kinderen met een verstandelijke beperking
en hoe door instellingen en van overheidswege is gereageerd op
mogelijke signalen van seksueel misbruik.
Hoofdvraag
• Wat zijn de aard en omvang van seksueel misbruik van kinde-ren met een verstandelijke beperking binnen de jeugdzorg
293
9. Onderzoeksplan
(uitgesplitst naar verschillende vormen van jeugdzorg) in de
periode 2008 tot en met 2010?
Deelvragen
• Wat is uit internationale studies bekend over de aard en
omvang van seksueel misbruik van kinderen met een verstan-delijke beperking binnen de jeugdzorg (uitgesplitst naar ver-schillende vormen van jeugdzorg)?
• Ten aanzien van welk percentage kinderen is er sprake van sek-sueel misbruik (prevalentie) in de verschillende vormen van
jeugdzorg (ten opzichte van het totaal aantal onvrijwillig
geplaatsten) (2008-2010))? Hierbij dient uitgesplitst te worden
naar soort pleger (begeleider, groepsleider, leidinggevende en
pleegouder versus groeps- en gezinsgenoot), maar ook naar
de relatie tot de pleger en hoe de pleger te werk ging om het
slachtoffer zover te krijgen of herhaaldelijk te misbruiken.
• Waren er bepaalde instellingen en/of pleeggezinnen waar de
omvang van het seksueel misbruik bovengemiddeld groot was?
Zijn daar verklaringen voor?
• Komt seksueel misbruik onder groepsgenoten met verstande-lijke beperking meer voor dan bij kinderen zonder verstande-lijke beperking?
• Wat was de aard van het seksueel misbruik (uitgesplitst naar
verschillende vormen van jeugdzorg)?
• Welke informatie is over de pleger bekend?
• Welke signalen van seksueel misbruik bij kinderen met een ver-standelijke beperking zijn binnen de jeugdzorg afgegeven door
betrokkenen en hoe frequent gebeurde dat (2008-2010)?
• Hoe is door de medewerkers binnen de instelling/toezichthou-ders gereageerd op signalen van seksueel misbruik?
• Hoe is door de verantwoordelijken uit het institutionele kader
(politie, gezinsvoogd, Raad voor de Kinderbescherming, kinder-rechter etc.) gereageerd op het seksueel misbruik?
• Is het mogelijk profielen te schetsen van slachtoffers, plegers en
omstandigheden?
De uiteindelijke vragenlijsten uit de drie onderzoeksdelen dienen
afgestemd te worden op de vragenlijst die door het Meldpunt van
294
9. Onderzoeksplan
de commissie-Samson wordt gehanteerd (zie de vragenlijst op:
http://www.onderzoek-seksueel-kindermisbruik.nl/).
3.3. Methodiek voor het onderzoek naar de omvang en
de aard van het seksueel misbruik en relevante
onderzoeksvragen
Onderzoek naar de aard en omvang van en de reactie op
seksueel misbruik (1945 tot en met 2007)
Als methoden van onderzoek worden gehanteerd: de historische
survey, literatuurreview, documentatieanalyse, mediaonderzoek,
lifestory en oral history, en casestudyonderzoek (waarbinnen
archiefonderzoek en interviewonderzoek). De onderzoekers ma-ken hierbij gebruik van een zogenoemd trechtermodel: gestart
wordt met een surveyonderzoek over de gehele breedte van de
jeugdzorg in de periode 1945-2010, waarna vervolgonderzoek
wordt uitgevoerd in een aantal instellingen, welke uitmondt in
een diepteonderzoek naar een beperkt aantal casestudy’s.
Onderzoek naar de aard en omvang van en de reactie op
seksueel misbruik (2008 tot en met 2010)
Dit onderzoek bestaat uit drie delen:
• Deel 1 betreft een literatuurstudie over seksueel misbruik in de
jeugdzorg.
• Deel 2 is een kwantitatieve studie waarin op verschillende
manieren wordt onderzocht hoe vaak en in welke instellingen
seksueel misbruik in de jeugdzorg voorkomt. Hierbij wordt
gebruikgemaakt van een vragenlijst onder jongeren die in de
jeugdzorg verbleven en van onderzoek onder professionals die
beroepsmatig met kinderen uit de verschillende onderdelen
van de jeugdzorg te maken hebben. De gevonden prevalentie
zal worden afgezet tegen die bij de jeugd in het algemeen.
• Deel 3 is een kwalitatieve studie waarin wordt gekeken naar
reacties en beleid ten aanzien van seksueel misbruik in de
jeugdzorg. Het onderzoek is gebaseerd op interviews met jon-geren en professionals uit de verschillende delen van de jeugd-zorg en op een uitgebreide dossierstudie.
295
9. Onderzoeksplan
Onderzoek naar de aard en omvang van en de reactie op
seksueel misbruik van kinderen met een verstandelijke
beperking (2008 tot en met 2010)
Het onderzoek is onderverdeeld in een kwantitatief onderzoeks-deel en een kwalitatief onderzoeksdeel.
In de kwantitatieve studie wordt onderzocht hoe vaak en in welke
instellingen seksueel misbruik van kinderen met een verstande-lijke beperking in de jeugdzorg voorkomt. De doelgroep van
mensen met een verstandelijke beperking is extra kwetsbaar en
vraagt om bijzondere aandacht bij de inzet van verschillende –
mogelijk speciale – onderzoeksmethoden. Derhalve worden geen
kinderen bevraagd, maar wordt een vragenlijst afgenomen onder
ouders en professionals die beroepsmatig betrokken zijn bij de
dagelijkse zorg van kinderen met een verstandelijke beperking die
in jeugdzorginstellingen verblijven. De methodiek is vergelijkbaar
met de prevalentiestudie naar seksueel misbruik van kinderen
zonder verstandelijke beperking. De gevonden prevalentie zal dan
ook worden afgezet tegen die van de jeugd zonder verstandelijke
beperking die verblijft in jeugdzorginstellingen en tegen de jeugd
in het algemeen.
De kwalitatieve studie bestaat uit drie delen:
• Deel 1 betreft een internationale literatuurstudie naar seksueel
misbruik van kinderen met een verstandelijke beperking in de
jeugdzorg.
• Deel 2 betreft een kwalitatieve analyse van meldingen in dos-siers. In dit onderdeel worden de reacties op signalen van sek-sueel misbruik onderzocht.
• Om een beter begrip te krijgen van de moeilijkheden die er zijn
rondom de bepaling en meldingen van seksueel misbruik bij
deze groep kinderen en jongeren worden in deel 3 diepte-inter-views gehouden met aandachtsfunctionarissen en zorgcoördi-natoren van jeugdzorginstellingen waar deze kinderen
verblijven.
296
9. Onderzoeksplan
3.4 Achtergronden van daders
Om inzicht te krijgen in de problematiek en achtergronden van
daders zal naast de drie deelonderzoeken naar aard en omvang
van het seksueel misbruik dossieronderzoek van daders worden
gedaan. Hiervoor worden dossiers bestudeerd van daders die ver-oordeeld zijn voor een zedendelict binnen de context van de
jeugdzorg en een behandelingstraject hebben ondergaan.
297
9. Onderzoeksplan
4. Strafrechtelijke reactie
Onderzoek naar de strafrechtelijke reactie op seksueel
misbruik in de jeugdzorg
De overheid kan op vele manieren reageren op seksueel misbruik
van minderjarigen die onder haar verantwoordelijkheid in instel-lingen en pleeggezinnen zijn geplaatst. Een van de mogelijkhe-den is een strafrechtelijke reactie. Dat betekent dat de politie op
basis van signalen dat een misdrijf is gepleegd, veelal nadat
daartoe aangifte is gedaan, een opsporingsonderzoek uitvoert.
Wanneer de politie over voldoende aanwijzingen en bewijsmid-delen beschikt, zal zij proces-verbaal opmaken en de zaak doorstu-ren naar de officier van justitie. Het is aan de officier van justitie
te beslissen of hij tot vervolging overgaat en zo ja, welke feiten hij
ten laste legt. De officier van justitie kan de zaak voorleggen aan
de rechter en een dagvaarding uitbrengen, hij kan een taakstraf
opleggen of een transactie aanbieden om verdere vervolging te
voorkomen en hij kan de zaak seponeren. Indien hij besluit om de
verdachte te dagvaarden, is het aan de rechter om vonnis te
wijzen.
Bij het onderzoek naar reacties van de overheid op seksueel mis-bruik in de jeugdzorg moet tevens de strafrechtelijke benadering
worden bezien. Het bereik kan zich beperken tot de politie en het
OM. De rechter velt immers een onafhankelijk oordeel en valt wat
betreft de inhoud van zijn vonnis buiten de verantwoordelijkheid
van de minister van VenJ. Onderzocht moet worden of de besluit-vorming van de politie en het OM begrijpelijk is in het licht van de
eisen die aan een deugdelijk strafproces en bewijsvoering worden
gesteld. Dit alles in de context van de destijds geldende opvattin-gen en regelgeving.
Een strafrechtelijk onderzoek is zeer ingrijpend, zowel voor het
slachtoffer en de dader als voor hun omgeving. Wanneer het gaat
om seksueel misbruik is de situatie des te ingewikkelder en ingrij-pender. Er zijn meestal immers slechts twee personen direct bij
betrokken geweest – de dader en het slachtoffer – wat de zaak er
bewijstechnisch niet eenvoudiger op maakt. Daarnaast gaat het
298
9. Onderzoeksplan
bij seksueel misbruik om een zeer ernstige inbreuk op de lichame-lijke integriteit van het slachtoffer die veelal een grote impact op
diens leven heeft. Dat betekent ook dat niet lichtvaardig met een
melding mag worden omgegaan zowel naar het slachtoffer toe als
naar degene die beschuldigd wordt van misbruik. Helaas leert de
praktijk dat soms ook sprake kan zijn van een valse beschuldiging,
die op haar beurt weer een grote impact heeft op het leven van de
beschuldigde.
In het onderzoek naar de reactie van de politie moet de vraag
beantwoord worden of op de melding van seksueel misbruik naar
de professionele maatstaven die destijds golden goed onderzoek
is gedaan. Indien de politie tot de conclusie kwam dat er geen
strafbaar feit heeft plaatsgevonden, moet dat met de redenen
waarom ook uit de stukken blijken.
Bij de beslissingen van het OM wordt onderzocht of de sepots dan
wel transacties of de door de officier van justitie opgelegde taak-straffen naar de professionele maatstaven die toen golden correct
zijn. Daartoe wordt een steekproef van verschillende arrondisse-menten getrokken, waarna de zedendossiers van de jaren 1992,
1997, 2002 en 2007 worden geanalyseerd.
299
9. Onderzoeksplan
Onderzoeksproces en -resultaten
Op basis van de onderzoeksresultaten zal de commissie haar
vragen naar de aard en de omvang van het seksueel misbruik
enerzijds en de omgang door de verantwoordelijke partijen met
seksueel misbruik anderzijds samenhangend beantwoorden. De
commissie neemt verder een standpunt in over de vraag welke
verbeteringen in de jeugdzorg noodzakelijk zijn om het risico op
seksueel misbruik te verkleinen. Hiermee wordt aan een deel van
de opdracht voldaan.
Voor de beantwoording van het eerste gedeelte zijn de onder-zoeksresultaten uiteraard leidend. De onderzoeksopdrachten zijn
vooral beschrijvend van aard. Per deelopdracht worden door de
onderzoekers verschillende ontwikkelingen in de tijd geschetst en
worden de feitelijke aard en omvang van het misbruik beschreven.
In het rapport van de commissie aan de opdrachtgevers zullen de
belangrijkste gegevens uit deze onderzoeken samenvattend
worden weergegeven. Om conclusies te kunnen trekken, moeten
de onderzoeksresultaten echter samenhangend worden beoor-deeld.
Een belangrijke rol voor de risicoanalyse binnen de sector vervul-len onder andere de profielschetsen over slachtoffers, daders en
omstandigheden waarbinnen het misbruik kon plaatsvinden. Op
basis van de analyse zullen conclusies worden getrokken over het
toekomstige functioneren van deze sector met het oog op de ver-kleining van het risico op seksueel misbruik.
Aan de Tweede Kamer is ontvangst van het eindrapport van de
commissie-Samson voor juli 2012 toegezegd. Gezien het feit dat
uit de eerste meldingen die het Meldpunt van de commissie-Samson heeft ontvangen, blijkt dat veel gevallen van misbruik in
het recente verleden en het heden hebben plaatsgevonden en/of
plaatsvinden, vindt de commissie het ethisch niet verantwoord
hierop niet op korte termijn te reageren. Op basis van haar bevin-dingen tot dan toe zal zij al in 2011 (voorafgaand aan de defini-tieve onderzoeksuitkomsten) mededelen hoe zij denkt dat risico’s
300
9. Onderzoeksplan
op seksueel misbruik binnen de huidige jeugdzorg kunnen
worden verminderd.
De commissie ziet zichzelf als onderzoekcommissie en heeft een
adviserende en toezichthoudende rol op het proces en de kwaliteit
van de deelonderzoeken. Individuele commissieleden treden in dit
proces niet als onderzoeker op, maar houden een nauw toezicht
op de offerteaanvragen, de aanbesteding van de onderzoeksop-drachten en de uitvoering van het onderzoek. Zij zal op basis van
de onderzoeksresultaten tot samenhangende analyses en conclu-sies komen.
De onderzoekers houden periodiek bijeenkomsten met de begelei-dingscommissie van het deelonderzoek. Omdat er sprake is van
overlap tussen de verschillende deelonderzoeken is hiernaast een
onderzoeksconsortium opgericht om het domein van de verschil-lende onderzoekers goed op elkaar te laten aansluiten.
Het toezicht op de uitvoering van de verschillende onderzoeksde-len is verdeeld tussen de verschillende commissieleden en de
voorzitter. Bij de aard van de verdeling zullen expertise en vaardig-heden leidend zijn.
In de tabel hieronder is de (globale) planning van de werkzaamhe-den van de commissie schematisch weergegeven.
301
9. Onderzoeksplan
302
9. Onderzoeksplan
Tabel 2
Planning werkzaamheden commissie-Samson
werkzaamheid begin einde
Verstrekking opdracht februari 2011 februari 2011
(nog vaststellen) (nog vaststellen)
Tussentijds bericht van circa 30 juni 2011 circa 30 juni 2011
de onderzoekers aan (nog vaststellen) (nog vaststellen)
de commissie-Samson
Oplevering 15 december 2011 31 maart 2012
onderzoeksrapporten
Bespreking resultaten 30 januari 2012 10 en 11 april 2012
onderzoeksrapporten
in commissievergadering
Schrijven en bespreken 1 december 2011 1 oktober 2012
(commissievergaderingen)
van definitief rapport van
de commissie-Samson
Afronding werkzaamheden 1 oktober 2012 31 december 2012
10. Gedragscode voor het onderzoek
van de commissie-Samson
Gedragscode op basis van artikel 25
Wet bescherming persoonsgegevens
Gedragscode voor het onderzoek van
de commissie-Samson
1. Considerans
2. Begripsbepaling
3. Toepassingsgebied
4. Onderzoeksorganisatie als bewerker en als verant-woordelijke
5. Principes gegevensverwerking voor het onderzoek van
de commissie-Samson
6. Verwerking van bijzondere persoonsgegevens
7. Beveiliging
8. Rechten van betrokkenen
9. Overige onderwerpen
Toelichting gedragscode voor het onderzoek van
de commissie-Samson
1. Inleiding
2. Wet bescherming persoonsgegevens en gedragscodes
3. De commissie-Samson
4. Type onderzoek
5. Onderzoek en statistiek in het licht van de Wbp
6. Artikelsgewijze toelichting
303
304
306
308
308
308
309
310
310
311
311
313
315
316
Gedragscode voor het onderzoek van de commissie-Samson
Gedragscode op basis van artikel 25 Wet Bescherming Persoons-gegevens.
1. Considerans
De commissie-Samson,
overwegende:
• dat de commissie bij besluit van 16 augustus 2010, nr. DDS
5663593, van de toenmalige ministers van Justitie en voor
Jeugd en Gezin is ingesteld
• dat de commissie tot taak heeft onderzoek te doen naar:
a. signalen van seksueel misbruik van minderjarigen die onder
verantwoordelijkheid van de overheid zijn geplaatst in
(rijks)instellingen en pleeggezinnen
b. bekendheid bij de overheid van signalen als bedoeld onder a
c. de reactie van de overheid op signalen als bedoeld onder a
d. huidige mechanismen voor signalering van seksueel mis-bruik van minderjarigen als bedoeld onder a.
het onderzoek bestrijkt de periode 1945-2010
• dat als leden van de commissie zijn benoemd:
—Mw. mr. H.W. Samson-Geerlings, voormalig procureur-gene-raal, tevens voorzitter
—Mw. dr. P.C.M. Bakker, universitair hoofddocent pedagogische
wetenschappen en onderwijskunde aan de Rijksuniversiteit
Groningen
—Mw. prof. dr. mr. C.C.J.H. Bijleveld, hoogleraar methoden en
technieken van criminologisch onderzoek aan de Vrije Uni-versiteit en senior onderzoeker aan het NSCR
—Mw. dr. S. Dijkstra, lector huiselijk geweld en hulpverlening
in de keten aan de hogeschool Avans
—Dhr. prof. dr. mr. G.D. Minderman, bijzonder hoogleraar
public governance en public law aan de faculteit der econo-304
10. Gedragscode voor het onderzoek van de commissie-Samson
mische wetenschappen en bedrijfskunde aan de Vrije Uni-versiteit
• dat de commissie een secretaris en een secretariaat heeft, die
rechtstreeks aan het gezag van de commissie onderworpen zijn
• dat de commissie zich op onderdelen van haar taak kan laten
bijstaan door personen van zowel binnen als buiten de over-heid, van wie de deskundige inbreng van belang kan zijn voor
het onderzoek
• dat de commissie wetenschappelijke deelonderzoeken laat uit-voeren die licht moeten werpen op de vraagstellingen van het
complete onderzoek
• dat de commissie een Meldpunt heeft waar personen gevallen
van seksueel misbruik in de jeugdzorg kunnen melden.
Melding kan plaatsvinden via de telefoon van het Meldpunt
van de commissie, per brief en per e-mail
• dat via de telefoon binnenkomende meldingen worden ver-werkt op een standaardvragenformulier. Per brief en via e-mail
binnengekomen meldingen worden in een archief bewaard.
Daarnaast worden de gegevens uit de meldingen opgenomen
in een databestand
• dat de commissie binnen twee jaar na haar instelling een
rapport uitbrengt aan de minister van Veiligheid en Justitie;
het rapport is daarna openbaar
• dat de archiefbescheiden van de commissie na haar opheffing
worden overgebracht naar het archief van het ministerie van
Veiligheid en Justitie
• dat de Wet Bescherming Persoonsgegevens wordt nageleefd bij
het verwerken van persoonsgegevens
• dat de Wet Bescherming Persoonsgegevens voor onderzoek
specifieke normen en bepalingen kent
• dat in deze gedragscode de normen en bepalingen uit de Wet
bescherming persoonsgegevens, voor zover hierbij van belang,
bij elkaar zijn gebracht en nader zijn uitgewerkt
• dat zorgvuldig dient te worden omgegaan met betrokkenen
en/of degenen die een geval van seksueel misbruik aan de com-missie hebben gemeld
heeft de volgende gedragscode vastgesteld:
305
10. Gedragscode voor het onderzoek van de commissie-Samson
2. Begripsbepaling
1. Persoonsgegeven: elk gegeven betreffende een geïdentifi-ceerde of identificeerbare natuurlijke persoon.
2. Verwerking van persoonsgegevens: elke handeling of elk
geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens,
waaronder in elk geval het verzamelen, vastleggen, ordenen,
bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebrui-ken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of
enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen,
met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uit-wissen of vernietigen van persoonsgegevens.
3. Bestand: elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens,
ongeacht of dit geheel van gegevens gecentraliseerd is of ver-spreid is op een functioneel of geografisch bepaalde wijze, dat
volgens bepaalde criteria toegankelijk is en betrekking heeft
op verschillende personen.
4. Verantwoordelijke: de natuurlijke persoon, rechtspersoon of
ieder ander die of het bestuursorgaan dat, alleen of tezamen
met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking
van persoonsgegevens vaststelt.
5. Bewerker: degene die ten behoeve van de verantwoordelijke
persoonsgegevens verwerkt, zonder aan zijn rechtstreeks
gezag te zijn onderworpen.
6. Opdrachtgever: de natuurlijke persoon, rechtspersoon of ieder
ander die of het bestuursorgaan dat zelf onderzoek uitvoert of
opdracht verleent aan een onderzoeksorganisatie om onder-zoek uit te voeren.
7. Betrokkene: degene op wie een persoonsgegeven betrekking
heeft.
8. Derde: ieder, niet zijnde de betrokkene, de verantwoordelijke,
de bewerker, of enig persoon die onder rechtstreeks gezag van
de verantwoordelijke of de bewerker gemachtigd is om per-soonsgegevens te verwerken.
9. Ontvanger: degene aan wie de persoonsgegevens worden ver-strekt.
10. Toestemming van betrokkene: elke vrije, specifieke en op infor-matie berustende wilsuiting waarmee de betrokkene aan-306
10. Gedragscode voor het onderzoek van de commissie-Samson
vaardt dat hem betreffende persoonsgegevens worden ver-werkt.
11. Onze minister: onze minister van Veiligheid en Justitie.
12. Het College bescherming persoonsgegevens of het College: het
College als bedoeld in artikel 51 Wet Bescherming Persoonsge-gevens.
13. Verstrekken van persoonsgegevens: het bekendmaken of ter
beschikking stellen van persoonsgegevens.
14. Verzamelen van persoonsgegevens: het verkrijgen van per-soonsgegevens.
15. Bijzondere persoonsgegevens: persoonsgegevens betreffende
iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezind-heid, gezondheid, seksuele leven, alsmede persoonsgegevens
betreffende het lidmaatschap van een vakvereniging, straf-rechtelijke persoonsgegevens en persoonsgegevens over
onrechtmatig en/of hinderlijk gedrag in verband met een
opgelegd verbod naar aanleiding van dat gedrag.
16. Onderzoek: elke vorm van kwantitatief en/of kwalitatief onder-zoek met gebruikmaking van statistische of andere weten-schappelijke methodes waarmee wordt beoogd om over
doelgroepen uitspraken te doen op niet-individueel identifi-ceerbaar niveau.
17. Onderzoeksorganisatie: de organisatie of het onderdeel van de
organisatie die feitelijk belast is met het uitvoeren van het
onderzoek.
18. Ontkoppelingsprocedure: de technische of organisatorische
maatregelen die worden getroffen om na het verzamelen van
persoonsgegevens deze gegevens niet-identificeerbaar te
maken, terwijl deze gegevens wel steeds betrekking hebben
gedurende het onderzoek op dezelfde persoon.
19. Wbp: Wet bescherming persoonsgegevens, Staatsblad 2000, nr.
302.
20. Vrijstellingsbesluit Wbp: het vrijstellingsbesluit Wbp, Staats-blad 2001, nr. 250.
307
10. Gedragscode voor het onderzoek van de commissie-Samson
3. Toepassingsgebied
Deze gedragscode richt zich zowel tot natuurlijke en/of rechtsper-sonen die in opdracht van de commissie-Samson (opdrachtgever)
(wetenschappelijk) onderzoek verrichten als tot de opdrachtgever
zelf indien deze zelf onderzoek verricht.
4. Onderzoeksorganisatie als bewerker en als
verantwoordelijke
De onderzoeksorganisatie die onderzoek in opdracht van de com-missie-Samson (opdrachtgever) verricht met een bestand van de
opdrachtgever wordt aangemerkt als bewerker, tenzij uit de aard
van de uitbestedingsovereenkomst anders blijkt.
De onderzoeksorganisatie die onderzoek verricht, al dan niet in
opdracht, met een eigen bestand, wordt zelf aangemerkt als ver-antwoordelijke.
De verantwoordelijke zorgt voor melding bij het College
Bescherming Persoonsgegevens of de functionaris voor de gege-vensbescherming van de gegevensverwerking, tenzij deze is vrij-gesteld op basis van het vrijstellingsbesluit Wbp.
5. Principes gegevensverwerking voor het onderzoek van
de commissie-Samson
1. Er worden niet meer persoonsgegevens verzameld bij het uit-voeren van onderzoek dan noodzakelijk voor het onderzoek.
2. Persoonsgegevens worden niet langer dan noodzakelijk is in
identificeerbare vorm verwerkt voor het onderzoek.
3. Persoonsgegevens worden niet voor andere doelen verwerkt
dan de doelstelling of doelstellingen van het onderzoek waar-voor deze zijn verzameld.
4. De rapportages van onderzoeken zullen geen gegevens bevat-ten die een individuele natuurlijke persoon kunnen identifice-ren, tenzij de ondubbelzinnige toestemming van de betrokkene
hiervoor is verkregen.
308
10. Gedragscode voor het onderzoek van de commissie-Samson
5. 1. Indien gegevens rechtstreeks worden verzameld bij een
betrokkene zal worden meegedeeld:
a. wat het doel van het onderzoek is
b. wie de onderzoeksorganisatie is
c. als de onderzoeksorganisatie een ander is dan de opdracht-gever, desgevraagd de naam van de opdrachtgever.
2. Indien de betrokkene daarom verzoekt wordt meegedeeld
waar nadere informatie over het onderzoek kan worden ver-kregen.
6. Betrokkene wordt vooraf geïnformeerd over het gebruik van
audioapparatuur bij het uitvoeren van het onderzoek, tenzij
betrokkene reeds op de hoogte is, of wanneer het gaat om het
vastleggen van gegevens als persoonlijke werkaantekeningen,
noodzakelijk voor de uitvoering van het onderzoek en het
opstellen van de rapportage. Opnamen worden na verwerking
vernietigd en zullen geen onderdeel vormen van de rapportage.
6. Verwerking van bijzondere persoonsgegevens
Het verwerken van bijzondere persoonsgegevens voor onderzoek
is toegestaan indien zich een van de onderstaande situaties voor-doet:
1. Het uitvoeren van het onderzoek waarbij bijzondere persoons-gegevens worden verwerkt is toegestaan als de betrokkenen
hun uitdrukkelijke toestemming daarvoor hebben gegeven.
2. Het uitvoeren van onderzoek zonder uitdrukkelijke toestem-ming van de betrokkene waarbij bijzondere persoonsgegevens
worden verwerkt is toegestaan als:
1. het onderzoek een algemeen belang dient, en
2. de verwerking voor het betreffende onderzoek noodzakelijk
is, en
3. het vragen van uitdrukkelijke toestemming onmogelijk
blijkt of een onevenredige inspanning kost, en
4. bij de uitvoering is voorzien in zodanige waarborgen dat de
persoonlijke levenssfeer van de betrokkene niet onevenredig
wordt geschaad.
309
10. Gedragscode voor het onderzoek van de commissie-Samson
3. Het uitvoeren van onderzoek zonder uitdrukkelijke toestem-ming van de respondent waarbij bijzondere persoonsgegevens
worden verwerkt is toegestaan indien deze gegevens op een
zodanige wijze worden aangeleverd aan de onderzoeksorgani-satie die het onderzoek uitvoert, dat de gegevens een individu-ele natuurlijke persoon niet kunnen identificeren.
7. Beveiliging
De verantwoordelijke en bewerker die het onderzoek verrichten,
zullen zorg dragen voor het nemen van organisatorische en tech-nische maatregelen ter beveiliging van de verwerking, daarbij
rekening houdend met de stand der techniek, de kosten en de
aard van de te beschermen persoonsgegevens.
8. Rechten van betrokkenen
Indien een onderzoeksorganisatie (verantwoordelijke) een verzoek
van betrokkene ontvangt om inzage, correctie of afscherming van
persoonsgegevens, dan zal de onderzoeksorganisatie (verantwoor-delijke), voor zover naar redelijkheid en billijkheid kan worden
gevergd, voldoen aan het verzoek.
Een betrokkene kan met een beroep op bijzondere persoonlijke
omstandigheden zijn persoonsgegevens afschermen tegen
verdere verwerking voor onderzoeksdoeleinden. Indien deze bij-zondere persoonlijke omstandigheden van een hoger belang zijn
dan de belangen van verantwoordelijke, zal een dergelijk verzoek
worden gehonoreerd door de verantwoordelijke.
9. Overige onderwerpen
Een ieder die bij een verantwoordelijke voor gegevensverwerking
betrokken is bij het verwerken van persoonsgegevens voor onder-zoek zal een geheimhoudingsverklaring ten aanzien van de
betrokken persoonsgegevens ondertekenen.
310
10. Gedragscode voor het onderzoek van de commissie-Samson
Toelichting gedragscode voor het onderzoek van
de commissie-Samson
Gedragscode op basis van artikel 25 Wet bescherming persoonsge-gevens.
1. Inleiding
De Wet bescherming persoonsgegevens geeft regels voor de ver-werking van persoonsgegevens. Het gaat hierbij om de verplich-tingen die gelden voor ‘verantwoordelijken voor de
gegevensverwerking’ en ‘bewerkers’. Maar ook om de rechten van
betrokkenen, de natuurlijke personen over wie persoonsgegevens
worden vastgelegd.
2. Wet bescherming persoonsgegevens en gedragscodes
De Wet bescherming persoonsgegevens kent de mogelijkheid om
een gedragscode op te stellen. In de gedragscode worden de
abstracte normen uit de Wet bescherming persoonsgegevens
nader uitgewerkt.
3. De commissie-Samson
Naar aanleiding van de (internationale) berichtgeving over seksu-eel misbruik van minderjarigen door geestelijken van de Rooms-Katholieke Kerk, welk misbruik zich soms decennia geleden
afspeelde, terwijl de slachtoffers eerst recent hierover mededeling
doen, hebben de toenmalige ministers van Justitie en voor Jeugd
en Gezin een onderzoek ingesteld naar de vraag of er signalen zijn
dat jeugdigen die onder de verantwoordelijkheid van de overheid
in instellingen zijn geplaatst seksueel misbruikt zijn (Kamerstuk-ken II 2009-2010, 32 123, nr. 91). Immers, de overheid heeft in situa-ties waarbij minderjarigen gedwongen uit huis zijn geplaatst een
verantwoordelijkheid ten aanzien van de veiligheid en het welzijn
311
10. Gedragscode voor het onderzoek van de commissie-Samson
van deze minderjarigen. Nagegaan zal worden of de overheid in
de bescherming van de minderjarigen is tekortgeschoten en of de
huidige mechanismen voldoende toereikend zijn om misbruik
tijdig te signaleren en hierop adequaat te reageren. Een belangrijk
aspect van het onderzoek is tevens dat de slachtoffers alsnog
erkenning vinden voor het hun aangedane leed. Het onderzoek
bestrijkt de periode 1945-2010.
Het (onafhankelijke) onderzoek heeft betrekking op de volgende
aandachtsgebieden:
• In de eerste plaats worden eventuele signalen van seksueel
misbruik van minderjarigen onderzocht die onder verantwoor-delijkheid van de overheid zijn geplaatst in instellingen zoals
rijksjeugdinrichtingen, particuliere jeugdinrichtingen, interna-ten en kindertehuizen, en in pleeggezinnen. Dit zijn de zogehe-ten gedwongen plaatsingen. Bekend is echter dat
minderjarigen die vrijwillig en minderjarigen die gedwongen
geplaatst waren, vaak gezamenlijk in deze instellingen en voor-zieningen verbleven. Dit betekent dat tijdens het onderzoek
ook signalen ten aanzien van misbruik bij vrijwillig geplaatste
minderjarigen naar boven kunnen komen. De commissie zal
lopende het onderzoek bepalen in hoeverre deze mogelijke sig-nalen worden onderzocht.
• In de tweede plaats staat de vraag centraal of deze signalen
van misbruik bij de overheid bekend waren en zo ja, hoe de
overheid hierop gereageerd heeft. De commissie onderzoekt
niet alleen of van overheidswege voldoende toezicht werd uit-geoefend, maar ook of de overheid bij signalen van misbruik
haar verantwoordelijkheid heeft genomen. Er is de nodige
kennis vereist over hoe de betrokken instellingen zelf met dit
soort signalen omgingen, hoe de interne cultuur was en hoe de
taakinvulling van de toezichthouders was. Het jeugdstelsel in
Nederland bestaat uit een complex geheel van regels, organisa-ties en instellingen, die bovendien in de loop van de tijd veran-derd zijn. Het onderzoek richt zich op seksueel misbruik van
minderjarigen in de context van jeugdbescherming en jeugd-strafrecht. De commissie beseft echter dat de raakvlakken met
de jeugdzorg en de jeugd-ggz groot zijn. Mogelijk brengt dit
met zich mee dat de commissie zich niet uitsluitend kan of zal
312
10. Gedragscode voor het onderzoek van de commissie-Samson
beperken tot jeugdbescherming en jeugdstrafrecht. De com-missie zal in het belang van het onderzoek oud-medewerkers
horen en kan hen hiertoe uitnodigen of oproepen. De betref-fende instellingen wordt gevraagd om ter zake medewerking te
verlenen. Vooraf worden de desbetreffende personen of institu-ties hierover in kennis gesteld en geïnformeerd over de proce-dure.
• In de derde plaats richt het onderzoek zich op de huidige
mechanismen voor signalering van seksueel misbruik van min-derjarigen.
De commissie laat wetenschappelijke deelonderzoeken uitvoeren
die licht moeten werpen op de vraagstellingen van het complete
onderzoek. Het moge duidelijk zijn dat deze onderzoeken niet
naar behoren uitgevoerd kunnen worden zonder inzage in archie-ven van de betreffende instellingen en in persoonsdossiers van
jeugdigen die onder de verantwoordelijkheid van de overheid in
(rijks)instellingen en pleeggezinnen zijn geplaatst. Over deze
inzage vindt nauw overleg plaats met Jeugdzorg Nederland, de
Vereniging Orthopedagogische Behandelcentra, de Vereniging
Gehandicaptenzorg Nederland en de sectordirectie Justitiële
Jeugdinrichtingen van het ministerie van VenJ, en worden door de
commissie-Samson convenanten met instellingen afgesloten.
De commissie heeft een Meldpunt ingesteld waar personen die
seksueel misbruik van minderjarigen in de jeugdzorg hebben
meegemaakt of ervan weten dit misbruik kunnen melden. De
melding kan via de telefoon, per brief of per e-mail gedaan wor-den. Bij al deze meldingen vindt de verstrekking van informatie
aan de commissie op vrijwillige basis plaats, immers de melders
hebben zelf hun weg naar het Meldpunt gevonden.
4. Type onderzoek
Zoals gezegd laat de commissie wetenschappelijke deelonderzoe-ken uitvoeren die licht moeten werpen op de vraagstellingen van
het complete onderzoek. Lopende onderzoeken zijn:
313
10. Gedragscode voor het onderzoek van de commissie-Samson
1. Historisch onderzoek
Dit onderzoek betreft een historische schets sinds 1945 van de
institutionele ontwikkeling van de jeugdsector vanuit het per-spectief van het kind en de aan hem/haar verleende zorg. Het
gaat hier niet alleen om een antwoord op de vraag hoe de institu-ties hebben gefunctioneerd, maar ook om het antwoord op de
vraag hoe dat handelen door het kind zelf is ervaren (en de ver-schuivingen daarin door de tijd). Voor dit deelonderzoek is
opdracht gegeven aan de Rijksuniversiteit Groningen.
2. Bevoegdheden en verantwoordelijkheden
Dit onderdeel bestaat uit twee deelonderzoeken: een juridisch
onderzoek dat het wettelijk kader beschrijft en een governance-onderzoek dat duidelijk maakt hoe wetten in praktische verant-woordelijkheden zijn vertaald.
a) Voor het juridische deelonderzoek is opdracht gegeven aan dhr.
mr. J.J. Wiarda, oud-raadadviseur bij het voormalige ministerie
van Justitie.
b) Voor het governance-deelonderzoek is opdracht gegeven aan
het Verwey-Jonker Instituut, in samenwerking met de Vrije Uni-versiteit.
Aard en omvang van seksueel misbruik
Het onderzoek naar aard en omvang van seksueel misbruik van
kinderen die onder de verantwoordelijkheid van de overheid in de
jeugdzorg zijn geplaatst, gebeurt in drie deelonderzoeken. Onder-scheid wordt gemaakt tussen recente en oudere gevallen van mis-bruik. Dit heeft te maken met de werking van het autobiografisch
geheugen van mensen, de beschikbaarheid van betrouwbare
bronnen en de relevantie voor de huidige praktijk. Hierbij worden
niet alleen de verblijfplaatsen van kinderen, maar ook het functio-neren van het institutionele kader, zoals Bureau Jeugdzorg, het
Openbaar Ministerie en de politie, onder de loep genomen. Voor
mensen met een verstandelijke beperking kiest de commissie-Samson een aparte methodologische aanpak voor de periode
2008-2010, die leidt tot een specifiek deelonderzoek.
3. Voor het deelonderzoek naar aard en omvang van seksueel mis-bruik en de reactie op signalen van seksueel misbruik uit de
314
10. Gedragscode voor het onderzoek van de commissie-Samson
periode 2008 tot en met 2010 is opdracht gegeven aan de Univer-siteit Leiden in samenwerking met het Verwey-Jonker Instituut.
4.Voor het deelonderzoek naar aard en omvang van seksueel mis-bruik, en de reactie op signalen van seksueel misbruik uit de
periode 1945 tot en met 2007 is opdracht gegeven aan de Rijksuni-versiteit Groningen.
5. Voor het deelonderzoek naar aard en omvang van seksueel mis-bruik onder kinderen met een verstandelijke beperking en de
reactie op signalen van seksueel misbruik binnen deze groep kin-deren uit de periode 2008 tot en met 2010 is opdracht gegeven
aan de Universiteit van Amsterdam in samenwerking met het
Kohnstamm Instituut en de Universiteit Leiden.
Daarnaast kan de commissie nog andere deelonderzoeken laten
uitvoeren, indien zij dat nodig acht. Alsdan geldt deze gedrags-code evenzeer.
Alle resultaten van de onderzoeken die worden uitgevoerd, zullen
uitsluitend op een niet-individueel identificeerbare wijze, dus op
geaggregeerd niveau, worden gerapporteerd. Daarnaast wordt bij
de uitvoering van de verschillende deelonderzoeken gebruikge-maakt van wetenschappelijk aanvaarde methodes. Het gaat
hierbij zowel om kwalitatief als om kwantitatief onderzoek.
5. Onderzoek en statistiek in het licht van de Wet
bescherming persoonsgegevens
De Wet bescherming persoonsgegevens geeft op een aantal plaat-sen specifieke regels voor wetenschappelijk en statistisch onder-zoek. Het gaat hierbij om de artikelen 9, 23, 24 en 44 Wet
bescherming persoonsgegevens. Bij de totstandkoming van de
Wet bescherming persoonsgegevens heeft de minister van Justitie
uitdrukkelijk stilgestaan bij het begrip ‘statistisch onderzoek’: ‘Dit
betekent dat wanneer statistische methoden worden gebruikt om
persoonsgegevens te verwerken met het oog op een statistisch
resultaat, de desbetreffende minder strikte regels van toepassing
zijn.’
315
10. Gedragscode voor het onderzoek van de commissie-Samson
6. Artikelsgewijze toelichting
6.1 Artikel 2: Begripsbepaling
Dit artikel betreft de begripsbepalingen die relevant zijn voor de
werking van de gedragscode. Er is aangesloten bij het begrippen-kader uit de Wet bescherming persoonsgegevens.
6.2 Artikel 3: Toepassingsgebied
Het kan alleen gaan om wetenschappelijk of statistisch onder-zoek als gebruik wordt gemaakt van wetenschappelijk aanvaarde
methodes om over populaties uitspraken te doen, zonder dat een
uitspraak identificeerbaar is naar een individuele betrokkene.
6.3 Artikel 4: Onderzoeksorganisatie als bewerker en als
verantwoordelijke
Dit artikel gaat nader in op de positie van de onderzoeksorgani-satie. Naast het wettelijke kader van de Wbp gelden voor onder-zoekers ook nog aanvullende, meer ethische regels. Zo blijft een
onderzoeker uiteraard beroepsmatig verantwoordelijk voor de
wijze waarop er wordt omgegaan met de gegevens die worden
verzameld. Onder onderzoeksorganisatie wordt verstaan de orga-nisatie die of het onderdeel van de organisatie dat feitelijk belast
is met het uitvoeren van het onderzoek.
Een onderzoeksorganisatie is een bewerker als zij ten behoeve
van een verantwoordelijke gegevens verwerkt. Dit betekent dat de
onderzoeksorganisatie in haar rol als bewerker geen beslissingen
neemt over het gebruik van de gegevens en de persoonsgegevens
niet mag aanwenden voor eigen doeleinden. Wanneer een onder-zoeksorganisatie op eigen initiatief, dus zonder opdracht van de
opdrachtgever, bepaalde bewerkingen uitvoert, kan zij niet meer
als bewerker worden aangemerkt. Voor de afgrenzing van het
begrip ‘bewerker’ en het begrip ‘verantwoordelijke’ is de inhoud
van de overeenkomst tussen een onderzoeksorganisatie en de
opdrachtgever van belang. Naarmate een onderzoeksorganisatie
zelfstandiger opereert en van een opdrachtgever ruimte krijgt om
haar eigen onderzoeksexpertise in te zetten, zal zij eerder als ver-antwoordelijke dienen te worden aangemerkt. De universiteiten
en wetenschappelijke onderzoeksbureaus die in opdracht van de
commissie-Samson de wetenschappelijke deelonderzoeken uit-316
10. Gedragscode voor het onderzoek van de commissie-Samson
voeren, worden aangemerkt als verantwoordelijke voor de desbe-treffende deelonderzoeken.
In het derde lid van dit artikel wordt uitdrukkelijk gewezen op de
verplichting van melding bij het College Bescherming Persoons-gegevens of de functionaris voor de gegevensbescherming van
een verwerking voor onderzoeksdoeleinden, tenzij deze is vrijge-steld van melding. Wanneer een melding is vrijgesteld van
melding, dient wel te worden bedacht dat de overige wettelijke
regels onverkort van toepassing blijven en dat dient te worden
voldaan aan de eisen die het regime in het Vrijstellingsbesluit
Wbp stelt. Voor verwerkingen voor wetenschappelijk onderzoek
en statistiek geldt artikel 30 Vrijstellingsbesluit Wbp. Dit artikel
luidt:
Artikel 30: Wetenschappelijk onderzoek en statistiek
1. Artikel 27 van de wet is niet van toepassing op verwerkingen
van organisaties voor wetenschappelijk onderzoek of statistiek
die uitsluitend ten dienste staan van door hen te verrichten of
verricht onderzoek, voor zover deze verwerkingen voldoen aan
de in dit artikel vermelde eisen.
2. De verwerking geschiedt slechts voor het verzamelen, ver-werken en controleren van de gegevens ten behoeve van een
bepaald onderzoek of een bepaalde statistiek.
3. Geen andere persoonsgegevens worden verstrekt dan:
a. naam, voornamen, voorletters, titulatuur, geslacht, geboorte-datum, adres, postcode, woonplaats, telefoonnummer en
soortgelijke voor communicatie benodigde gegevens,
alsmede bank- en girorekeningnummer van de betrokkene
b. een informatieloos administratienummer
c. andere dan de onder a en b bedoelde gegevens, die ten
behoeve van een bepaald onderzoek of een bepaalde statis-tiek zijn verkregen.
4. De persoonsgegevens worden slechts verstrekt aan:
a. degenen, waaronder begrepen derden, die zijn belast met of
leidinggeven aan de in het tweede lid bedoelde activiteiten
of die daarbij noodzakelijk zijn betrokken
b. anderen, in de gevallen bedoeld in artikel 8, onder a, c en d,
en artikel 9, derde lid van de wet.
317
10. Gedragscode voor het onderzoek van de commissie-Samson
5. De in het derde lid onder a bedoelde persoonsgegevens, met
uitzondering van geslacht, woonplaats en geboortejaar, wor-den verwijderd uiterlijk zes maanden nadat de in dat lid onder
c bedoelde gegevens omtrent de betrokkene zijn verkregen.
Indien aan deze eisen van het Vrijstellingsbesluit niet kan worden
voldaan, is melding bij het College Bescherming Persoonsgegevens
of de functionaris voor de gegevensbescherming noodzakelijk.
6.4 Artikel 5: Principes gegevensverwerking voor onderzoek
In dit artikel zijn de belangrijkste uitgangspunten bij elkaar
gebracht die gelden voor het onderzoeksproces. Het eerste lid ver-plicht een onderzoeker direct, nog voor de aanvang van het onder-zoek, om kritisch na te gaan of de persoonsgegevens die worden
verzameld noodzakelijk zijn voor het onderzoek. Wanneer per-soonsgegevens zouden worden verzameld die niet noodzakelijk
zijn voor het onderzoek, zal van het verzamelen dienen te worden
afgezien. Het tweede lid geeft aan dat persoonsgegevens alleen
zolang dit noodzakelijk is voor het onderzoek in een identificeer-bare vorm mogen worden verwerkt. Hiermee wordt de onderzoe-ker gedwongen om datasets die hij heeft verwerkt in het kader
van het onderzoek te ‘ontkoppelen’, zodat er geen identificatie
meer kan plaatsvinden. Een dergelijke werkwijze getuigt van een
zorgvuldige toepassing van de Wet bescherming persoonsgege-vens.
Het derde lid stelt, eigenlijk als logisch gevolg op het gestelde
door de minister van Justitie bij de parlementaire behandeling,
dat de verzamelde persoonsgegevens alleen mogen worden
gebruikt voor het uit te voeren onderzoek. De niet-identificeerbare
resultaten van het onderzoek kunnen wel worden gebruikt voor
vervolgonderzoek. Immers, de Wet bescherming persoonsgege-vens is dan niet meer van toepassing.
Het vierde lid geeft expliciet de verplichting om bij rapportage,
waaronder ook mede publicatie wordt verstaan, te zorgen voor
het feit dat deze een individuele natuurlijke persoon niet zal iden-tificeren.
Het vijfde lid van dit artikel schetst de informatieverplichtingen
die gelden voor een onderzoeker in rechtstreeks contact met een
betrokkene. De onderzoeker zal in elk geval dienen aan te geven
318
10. Gedragscode voor het onderzoek van de commissie-Samson
wat het doel is van het onderzoek, wie de onderzoeksorganisatie
is en desgevraagd wie de opdrachtgever voor het onderzoek is. Tot
slot zal de betrokkene indien hij meer wil weten over het onder-zoek worden verwezen naar een adres waar nadere informatie
over het onderzoek kan worden verkregen, bijvoorbeeld door te
verwijzen naar een website, in casu http://www.onderzoek-seksueel-kin-dermisbruik.nl.
Het zesde lid van dit artikel gaat in op het gebruik van audioap-paratuur. Kenmerk van persoonlijke werkaantekeningen is dat de
onderzoeker te allen tijde de dragers van deze persoonlijke werk-aantekeningen exclusief voor zichzelf zal behouden en nimmer
aan een ander ter beschikking zal stellen, en dat de onderzoeker
de persoonlijke werkaantekeningen direct na verwerking op een
adequate wijze zal vernietigen.
6.5 Artikel 6: Verwerking van bijzondere persoonsgegevens
In artikel 2 (Begripsbepaling) is de definitie van bijzondere per-soonsgegevens opgenomen. Bij het verrichten van onderzoek
ontkomt men er niet aan dat bijzondere persoonsgegevens
worden verzameld en verwerkt. Echter, het verwerken van bijzon-dere gegevens is niet zonder meer toegestaan. In dit artikel
worden de grenzen aangegeven waarbinnen voor onderzoek toch
bijzondere gegevens mogen worden verwerkt. Als de betrokkene
zijn of haar uitdrukkelijke toestemming heeft gegeven, is het
mogelijk om bijzondere persoonsgegevens voor onderzoek te ver-werken. Wanneer de uitdrukkelijke toestemming niet kan worden
verkregen dient er cumulatief te worden voldaan aan de volgende
eisen:
• Het onderzoek dient een algemeen belang, en
• Het is niet mogelijk of het kost een onevenredige inspanning
om uitdrukkelijke toestemming te vragen aan betrokkenen, en
• Er worden waarborgen, bijvoorbeeld door beveiliging, getrof-fen, zodat de persoonlijke levenssfeer niet onevenredig wordt
geschaad.
Wordt aan al deze eisen voldaan, dan kunnen bijzondere gegevens
in het onderzoek worden betrokken. In de praktijk zal de specifieke
invulling van deze eisen zich dienen te ontwikkelen. Uit de eis van
algemeen belang lijkt voort te vloeien dat de resultaten van het
onderzoek publiekelijk beschikbaar zijn.
319
10. Gedragscode voor het onderzoek van de commissie-Samson
6.6 Artikel 7: Beveiliging
De ‘bewerker’ en de ‘verantwoordelijke voor de gegevensverwer-king’ dienen maatregelen te nemen om de verwerking te beveili-gen. Het gaat hierbij om technische en organisatorische
maatregelen om de verwerking van persoonsgegevens te beveili-gen tegen verlies of onrechtmatige gegevensverwerking. De
onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens ziet toe zowel
op de eigen organisatie (intern) als op derden (extern). Beveili-gingsmaatregelen dienen er zowel intern als extern op gericht te
zijn dat onbevoegden, personen die niet betrokken zijn bij de uit-voering van het onderzoek, geen kennis kunnen nemen van de
gegevens. Afhankelijk van de aard van de gegevens en of deze
identificeerbaar zijn zullen zwaardere beveiligingsmaatregelen
moeten worden getroffen.
6.7 Artikel 8: Rechten betrokkenen
Dit artikel handelt over de rechten van de betrokkenen. Alhoewel
de Wbp in artikel 44 bepaalt dat bij onderzoek het inzagerecht op
basis van artikel 35 Wbp kan worden geweigerd, is de opsteller van
mening dat voor het onderzoek waarop deze gedragscode betrek-king heeft een inzageverzoek niet per definitie moet worden
geweigerd. Wanneer een betrokkene inzage vraagt in zijn gege-vens zal naar redelijkheid en billijkheid hieraan worden voldaan.
Er kan bijvoorbeeld geen inzage worden gegeven in de gegevens
indien deze zijn ontkoppeld van de identificeerbare gegevens, en
evenmin zal dan inzage worden gegeven in de gehanteerde vra-genlijsten en wegingsmodules die zijn gebruikt bij het onderzoek,
noch zal informatie verstrekt worden over derden. Wanneer een
verzoek om inzage wordt ontvangen, zal dit verzoek voor zover
mogelijk worden afgehandeld, inclusief het corrigeren van gege-vens op basis van artikel 36 Wbp indien dat noodzakelijk is. Om
een verzoek tot inzage op een adequate wijze te kunnen afhande-len zal een ieder die betrokken is bij het onderzoek inzageverzoe-ken doorverwijzen naar de opdrachtgever als adressant van een
dergelijk verzoek.
De Wbp kent de mogelijkheid om gegevens te blokkeren tegen
verwerking wegens bijzondere persoonlijke omstandigheden. Het
in de Wbp opgenomen absolute recht van verzet in artikel 41 is
niet van toepassing op onderzoek. Dit betekent dat een verant-320
10. Gedragscode voor het onderzoek van de commissie-Samson
woordelijke een afweging moet maken tussen zijn belang en het
belang van de betrokkene. Wanneer de belangen van betrokkene
zwaarder wegen dan het belang van de verantwoordelijke, zullen
de gegevens moeten worden geblokkeerd voor onderzoek. De ver-antwoordelijke zal hierbij steeds een afweging moeten maken.
Verzoeken om gegevens te blokkeren tegen verwerking zullen
worden doorverwezen naar de opdrachtgever.
6.8 Artikel 9: Overige onderwerpen
De opsteller van deze gedragscode heeft het van een groot belang
geacht om niet alleen de onderzoeksorganisaties te binden aan de
inhoud van deze gedragscode, maar ook een ieder die werkzaam is
voor de onderzoeksorganisatie. Voor een ieder die kennis neemt
van persoonsgegevens geldt een geheimhoudingsplicht. Personen
die vanuit de onderzoeksorganisatie worden betrokken bij het uit-voeren van het onderzoek dienen een geheimhoudingsverklaring
te ondertekenen. Voor vaste medewerkers of medewerkers met
een aanstelling voor bepaalde tijd kan een dergelijke geheimhou-dingsplicht worden opgenomen in het standaardcontract.
Indien de commissie, het secretariaat van de commissie dan
wel degenen die in haar opdracht onderzoek verrichten signalen
van huidig seksueel kindermisbruik in de jeugdzorg bereiken,
worden deze signalen ter kennis gebracht aan het Openbaar
Ministerie.
321
10. Gedragscode voor het onderzoek van de commissie-Samson
11. Brief van prof. dr. F. Lamers-Winkelman en drs. B. Tierolf
d.d. 23 april 2012
Betreft: Verantwoording over het aantal persoonlijke interviews
met pupillen
Geachte leden van de Commissie Samson,
In onze offerte van 7 februari 2011 is vermeld dat wij zouden trach-ten met 20 pupillen een persoonlijk interview uit te voeren. Geble-ken is dat dit aantal niet gehaald kon worden.
Reden daarvoor zijn deels bekend en deels onbekend. In de bijlage
(Bijlage 1, interviews pupillen) treft u een gedetailleerd overzicht,
per instelling, van de pogingen die gedaan zijn om de pupillen
en/of hun contactpersonen te bereiken.
Zoals U weet konden pupillen van 16 jaar en ouder (n=24) direct
benaderd worden. Dit vereiste echter dat het email adres of het
(mobiele) telefoonnummer van de betreffende pupil bekend was.
Dat bleek voor de meerderheid het geval, doch voor een aantal
werkte de email of de mobiele telefoon niet meer. Maar de meeste
pupillen van 16 jaar en ouder reageerden niet op de hen gezonden
email, en eveneens niet op de herinneringsmail: elf pupillen rea-geerden in het geheel niet, twee schreven dat zij besloten hadden
niet meer mee te doen, en van twee bleek het email adres niet
meer te kloppen. Twee pupillen lieten weten dat hen nooit wat
(seksueels) was overkomen, en dat het niet klopte dat zij dit
zouden hebben ingevuld in de enquête. Waarom de elf pupillen in
het geheel niet reageerden is ons onbekend. Een tentatieve verkla-ring zou kunnen zijn dat wij, volgens het protocol, de contactper-soon (vertrouwenspersoon, mentor, voogd) op de hoogte moesten
stellen van het feit dat er een interview zou gaan plaatsvinden, en
322
waar en wanneer. Het zou mogelijk kunnen zijn dat dit naar het
gevoel van de pupillen een inbreuk was op de eerder beloofde
anonimiteit.
Met zeven pupillen (16 jaar of ouder) zijn afspraken gemaakt
voor de interviews. Eén pupil was niet thuis op de tijd van de
afspraak en reageerde niet op telefoontjes. Voor een tweede
pupil werd vlak voor de afspraak bericht dat er ernstige (emotio-nele) problemen waren waardoor het interview beter niet door
kon gaan. In bijlage 2 is een en ander schematisch weer gegeven.
Voor de pupillen tot 16 jaar (n=19) moest, volgens het protocol, het
persoonlijke interview gearrangeerd worden via de contactper-soon. In veel gevallen was de contactpersoon niet diegene die toe-stemming kon (mocht) geven voor het interview en werd
doorverwezen naar een behandelcoördinator, voogd(es), pleeg-zorgwerk(st)er, pedagogisch medewerk(st)er of andere verant-woordelijken. Het benaderen van deze personen bleek een
moeilijke, tijdrovende zaak. Men was vaak ‘niet aanwezig’, ‘in ver-gadering’, ‘zou terug bellen’, ‘het doorgeven’, enzovoort. Opmer-kelijk was ook dat van die personen er verschillende waren die
niet op de hoogte waren van het onderzoek van de Cie Samson,
of zich afvroegen hoe vaak ze nog ‘lastig gevallen’ zouden worden
met vragen van de Cie Samson.
Voor vijf pupillen was het niet mogelijk te achterhalen waar
zij zich bevonden, en/of wie voor hen verantwoordelijk was, of
was de verantwoordelijke volwassene niet te bereiken. Door per-soonlijke omstandigheden (een fietsongeluk van mijn echtgenoot
en ziekenhuis opname) was het mij niet meer mogelijk de inter-views van de laatste drie pupillen in de afgesproken tijd, te arran-geren.
In bijlage 3 is het proces van werving schematisch weergegeven
voor de pupillen jonger dan zestien jaar.
20
323
11. Brief van prof. dr. F. Lamers-Winkelman en drs. B. Tierolf d.d. 23 april 2012
20 De bijlagen bij deze brief zijn niet opgenomen. Deze bijlagen zijn relevant als ver-antwoording voor de commissie maar niet voor het rapport.
Wij hopen u met deze verantwoording voldoende te hebben geïn-formeerd.
Met vriendelijke groet,
Prof. Dr. Francien Lamers-Winkelman
Drs. Bas Tierolf
324
11. Brief van prof. dr. F. Lamers-Winkelman en drs. B. Tierolf d.d. 23 april 2012
12. Brief prof. dr. P.G.M. van der
Heijden d.d. 18 juni 2012
Geachte heer Ruppert,
Hierbij ontvangt mijn reactie op de laatste versie van Rapport 3a
en het begeleidend schrijven dd. 30 mei 2012 zoals dit is aangele-verd door de onderzoekers Prof. dr. Alink et al.
Ik heb de volgende bezwaren tegen deze laatste versie van het
rapport:
1. U kunt in het begeleidend schrijven zien dat ik heb aangegeven
dat het een verkeerde gedachte is dat 84% betrouwbaarheids-intervallen (BI’s) in alle gevallen te gebruiken zijn om signifi-cante verschillen tussen prevalenties op te sporen. De
onderzoekers gaan niet inhoudelijk op mijn argumenten in
maar geven slechts aan dat er belangrijke niet-statistische tijd-schriften zijn waarin op dezelfde wijze wordt gerapporteerd,
en dat met de commissie overeen gekomen is dat het voorlig-gende rapport de lijn zou volgen van het NPM rapport, waarin
ook 84% BI’s worden gerapporteerd. Ik vind beide argumenten
niet ter zake. Er dient een rapport te liggen zonder fouten. Nu
staat in de hoofdtekst de foute uitleg over 84% BI’s, wordt hier
op verschillende plekken in het rapport naar verwezen en
worden slechts in de bijlage 95% BI’s gerapporteerd. Wat mij
betreft moeten die 84% BI’s uit het rapport worden verwijderd,
en in de hoofdtekst de 95% BI’s staan. In de tekst zelf dienen
alle verwijzingen naar toetsing van significantie middels 84%
betrouwbaarheidsintervallen verwijderd te worden.
Ik word in mijn zienswijze inzake de interpretatie van 84%
BI’s overigens gesteund door onderzoekers op het CBS, zo heeft
mede-begeleidingscommissielid Ir. Huys mij meegedeeld.
325
2. Ik heb er op gewezen dat er in de informantenstudie sprake is
van een clustersteekproef en dat BI’s die daar geen rekening
mee houden, fout zijn. De onderzoekers hebben dit opgelost
door in de hoofdtekst correcte BI’s naast de incorrecte BI’s te
zetten. Ik vind dat de incorrecte BI’s uit het rapport moeten
worden verwijderd, de huidige presentatie leidt alleen maar
tot verwarring.
3. De auteurs geven aan proportietoetsen en chi-kwadraat
toetsen uitgevoerd te hebben om verschillen te toetsen. Ze
geven in hun reactie (p.5) aan dat het nadeel van deze toetsen
is dat geen rekening gehouden kan worden met het designef-fect voor mogelijk geclusterde data. Dit is incorrect, dit kan
wel. Ik weet zeker dat er binnen de UL mensen zijn die hen
kunnen helpen om de toetsen correct uit te voeren (bijvoor-beeld gebruik makend van de regel dat de variantie van het
verschil tussen p1 en p2 gelijk is aan de som van de varianties
van p1 en p2 afzonderlijk). Ik merk hierbij op dat voor de NPM
2010 ook correcte BI’s dienen te worden gerapporteerd, omdat
anders de toets tussen de NPM en het voorliggende onderzoek
niet is uit te voeren.
Al met al adviseer ik de commissie Samson om deze versie niet
als eindrapport te accepteren.
Tenslotte merk ik op dat de onderzoekers op verschillende pun-ten de verzoeken van de commissie Samson en van leden van de
begeleidingscommissie (opzettelijk?) verkeerd begrijpen. Dit
geldt voor mijn eigen punten (bijvoorbeeld: ik wil in de hoofd-tekst 95% BI maar krijg ze in de bijlagen) maar ook voor uw eigen
verzoek om de normatieve uitspraken en waarderingen in aanbe-velingen te plaatsen en die separaat aan te leveren; op dit laatste
verzoek antwoorden de onderzoekers dat de aanbevelingenook
separaat zullen worden aangeleverd, hierbij geen rekening
houdend met de problemen waarvoor zij de commissie Samson
stelt door deze handelswijze. Ik ben hier ongelukkig mee en raad
u ook ten aanzien van dit laatste punt aan hier niet mee akkoord
te gaan.
326
12. Brief prof. dr. P.G.M. van der Heijden d.d. 18 juni 2012
Hoogachtend,
Peter van der Heijden
Hoogleraar statistiek en vz van beg.cie deelonderzoek 3a
c.c.: prof. L. Alink e.a.
327
12. Brief prof. dr. P.G.M. van der Heijden d.d. 18 juni 2012
13. Brief prof. dr. A.J.A. Felling
d.d. 23 juni 2012
Geachte heer Ruppert,
Via dit schrijven wil ik reageren op het rapport 5a en de reacties
van de Leidse onderzoekers (d.d. 30 mei 2012) op de kanttekenin-gen die op de concept eindrapporten 3a en 5a zijn gemaakt
tijdens de laatste vergadering van de begeleidingscommissies
d.d. 7 mei 2012.
a. In deze vergadering heb ik aan de orde gesteld dat er m.i. geen
grond is om niet uit te gaan van de 95% betrouwbaarheidsin-tervallen (BI’s) voor het trekken van conclusies i.p.v. de 84% BI’s.
Inmiddels heeft Prof. P. van der Heijden (voorzitter begelei-dingscommissie deelonderzoek 3a) bij schrijven van 12 juni 2012
aan de commissie Samson laten weten dat de gehanteerde
berekeningen niet te gebruiken zijn om significante verschillen
tussen prevalenties op te sporen. Hij adviseert m.i. met klem
(immers nu foutief) de interpretaties in de hoofdtekst te
baseren op de 95% BI’s. Ik deel zijn mededeling dat de Leidse
onderzoekers in hun reactie niet inhoudelijk zijn ingegaan op
de door hem ingebrachte argumenten.
Als voorzitter van de begeleidingscommissie van deelonder-zoek 5a sluit ik mij aan bij de argumenten en het advies van
Prof. P. van der Heijden om uit te gaan van 95% BI’s.
Naar mijn oordeel kunnen daarnaast om andere redenen
(bijvoorbeeld de vergelijking met het NMP-rapport) de 84% BI’s
worden opgenomen in de bijlagen. Voor het bepalen van signi-ficanties zou bijvoorbeeld een t-test kunnen worden uitge-voerd.
328
Het spreekt overigens voor zich dat wijzigingen in de rapporte-ring van deelonderzoek 3a op eenzelfde wijze doorgevoerd
dienen te worden in deelonderzoek 5a (immers hetzelfde
onderzoeksontwerp).
b. De Leidse onderzoekers handhaven blijkens hun reactie de
interpretaties op basis van de 84 BI’s. Als tegemoetkoming aan
de kritiek zijn de 95% BI’s opgenomen in de bijlagen van de
deelstudies 3a en 5a.Er wordt evenwel niet systematisch inge-gaan op het feit of de interpretaties op basis van de 95% BI’s
verschillen van de inhoudelijke bevindingen op basis van de
84% BI’s. Dit zou m.i. een welkome aanvulling zijn voor de com-missie Samson. Deze commissie zal zich, zo is mijn verwachting,
niet mengen in het inhoudelijk dispuut over de juistheid van
de BI’s.
Naar mijn mening zou aan de Leidse onderzoekers gevraagd
moeten worden om aan te geven welke inhoudelijke bevindin-gen robuust zijn en dus ongevoelig voor de keuze welke BI’s
zijn gehanteerd, en welke inhoudelijke bevindingen gevoelig
zijn voor de keuze van de BI’s. Een dergelijk overzicht zou het
de commissie Samson vergemakkelijken daarmee rekening te
houden bij hun zorgvuldig afwegingsproces in het samenstel-len van een integraal eindrapport op basis van alle deelrappor-ten.
c. In de laatste vergadering van 7 mei j.l. is door mij nog eens her-haald dat met de commissie Samson de afspraak was dat in
de deelrapporten geen aanbevelingen/interpretaties door de
onderzoekers worden opgenomen, maar dat deze alleen (en
dus niet OOK ) separaat per brief kunnen worden meegedeeld
aan de commissie Samson, opdat zij hiervan gebruik kunnen
maken bij het samenstellen van het integrale eindrapport.
Deze afspraak is herhaaldelijk mondeling en schriftelijk gecom-municeerd met de onderzoekers.
Ik betreur het dat de Leidse onderzoekers zich in hun FEITEN-onderzoek niet aan deze afspraak hebben gehouden.
329
13. Brief prof. dr. A.J.A. Felling d.d. 23 juni 2012
Tot slot zij medegedeeld dat ik met veel plezier als voorzitter heb
meegewerkt aan de beide deelstudies 5a en 5b. De commissie
Samson wens ik een vruchtbare tijd toe om met veel inspiratie en
verwondering het integrale eindrapport te vervaardigen. Met
belangstelling zie ik dit eindrapport t.z.t. tegemoet.
Hoogachtend,
Prof. Dr. A.J.A. Felling
Radboud Universiteit Nijmegen
cc. Prof. Dr. L.R.A. Alink
330
13. Brief prof. dr. A.J.A. Felling d.d. 23 juni 2012
14. Uit de brief van drs. W. van Berlo
d.d. 29 juni 2012
Betreft: deelonderzoek onder ouders van kinderen met een
verstandelijke beperking
Geachte heer Ruppert,
Eind februari heeft de Commissie Samson aan Rutgers WPF het
verzoek gedaan om een kwalitatief onderzoek uit te voeren onder
ouders van kinderen met een verstandelijke beperking die in de
pleegzorg te maken hebben gekregen met seksueel misbruik.
Zoals afgesproken in uw brief van 22 februari (kenmerk U-2012-0018) zou dit onderzoek op 1 juni worden afgerond, met een maxi-male uitloop tot 30 juni.
De werving van deze ouders voor het onderzoek bleek dermate
moeizaam te verlopen, dat wij het onderzoek in overleg met de
begeleidingscommissie op 7 mei hebben stopgezet. Van het wer-vingsproces is een verslag gemaakt, dat hier bij is gevoegd.
[…]
Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Als er nog
vragen zijn hoor ik dat uiteraard graag.
Met vriendelijke groet,
Willy van Berlo
Programmacoördinator Nationaal
Rutgers WPF
331
15. Uit het verslag van drs. W. van
Berlo, gevoegd bij de brief van
29 juni 2012
Werving
Omdat er weinig tijd was, kozen we ervoor om mensen zo direct
mogelijk te werven. Werving via instellingen kost veel tijd omdat
de besluitvorming vaak lang duurt. In alle gevallen moet directie
en management een beslissing nemen, maar daarnaast ook vaak
een interne onderzoekscommissie, een interne ethische commis-sie en/of cliëntenraden. Vergaderingen vinden uiteraard alleen
periodiek plaats. Daarnaast zijn instellingen om verschillende
redenen niet altijd bereid mee te werken: voldoen aan het verzoek
kost tijd en die is er niet altijd, men vindt de belasting te groot,
men wordt (te) vaak gevraagd om aan onderzoek mee te werken
enz.
De werving is als volgt gegaan:
• Het netwerk Professionals in de Gehandicaptenzorg rond sek-sueel misbruik is (meerdere keren) benaderd via e-mail. In dit
netwerk zitten 150 mensen.
• De pool van gedragskundigen die voor Beperkt Weerbaar de
interviews hebben gedaan is gevraagd of zij mensen kenden
die in aanmerking zouden komen voor een interview. Deze
interviewers hebben ervaring met taxatiegesprekken over sek-sueel geweld. In totaal zijn 30 interviewers benaderd. Tien
daarvan waren bereid (ook) interviews af te nemen.
• Een aantal contacten in het veld van wie we wisten dat ze veel
met de doelgroep werken is ook gevraagd relevante mensen uit
te nodigen.
• Een aantal instellingen is wel benaderd via contacten die we
daar hadden. In elk geval bij één van deze instellingen zou de
formele procedure te veel tijd in beslag gaan nemen. Een mede-werker van een andere instelling gaf aan dat het management
niet reageerde op zijn verzoek. Een medewerker van een derde
332
instelling gaf aan dat de doelgroep wel erg beperkt was (zie
ook onder). Van een vierde instelling kregen we een brief
waarin werd aangegeven dat men niet mee wilde doen aan
het onderzoek. Redenen daarvoor waren dat het uitzoeken van
geschikte casuïstiek op basis van de inclusiecriteria een inten-sief dossieronderzoek zou vereisen, dat niet duidelijk was wat
deelname aan het onderzoek voor effect zou hebben op de res-pondenten, en dat men vermoedde dat de grenzen van de
privacy overschreden zouden worden omdat een onderscheid
werd gemaakt tussen ouders met en zonder een verstandelijke
beperking.
• Het Landelijk Advocatennetwerk Zedenslachtoffers heeft
brieven voor ouders in hun netwerk verspreid.
• Alle contactpersonen hebben een brief met informatie en
instructies gekregen over het onderzoek en een brief voor de
ouders die was ondertekend door mevrouw Samson, een voor
normaalbegaafde ouders en een aangepaste versie voor
ouders met een verstandelijke beperking.
• Daarnaast zijn de volgende oproepen geplaatst:
—in de nieuwsbrief van Platform VG en op de website (meer-dere keren)
—de website van oudervereniging Kans Plus
—de website van Kenniscentrum VOBC/LVG/LVG net
—de website http://www.lfb.nu (hoewel dit een website is voor
mensen met een beperking zelf)
—de website van VGN
—de websites van de regionale MEE-organisaties
—de home van http://www.deeljezorg.nl, de site van Zorgbelang
Nederland; oproepen op de home gaan mee in de wekelijkse
nieuwsbrief en worden doorgeplaatst op Twitter
—de website van Rutgers WPF zelf, zodat andere organisaties
(waaronder Vilans) de link konden plaatsen op hun eigen
site
—tenslotte zijn nog enkele beheerders van andere sites bena-derd, maar was de oproep uiteindelijk niet te vinden.
Tenslotte is ook de William Schrikker Groep benaderd. De direc-trice gaf aan dat werving via WSG tamelijk heilloos was. De ouders
die zij onder hun hoede hebben, krijgen gedwongen zorg. De
333
15. Uit het verslag van drs. W. van Berlo, gevoegd bij de brief van 29 juni 2012
ouders zijn alleen maar boos, en zouden waarschijnlijk niet bereid
zijn tegemoet te komen aan een verzoek van de WSG. Bovendien
zijn in de helft van de gevallen de kinderen uit huis geplaatst, juist
omdat er thuis seksueel geweld is gepleegd. Tenslotte wilde ook
de cliëntenraad niet van deelname weten.
Respons
Respons van mensen die aan de criteria voldeden bleef vrijwel
geheel uit, ondanks herhaalde oproepen. Een aantal ouders heeft
gereageerd, maar óf het kind was niet gedwongen uit huis
geplaatst, óf het kind was al volwassen ten tijde van het misbruik,
óf het misbruik had in een ver verleden plaatsgevonden. Een
enkele aanmelding was wel relevant, maar die kwam binnen op
een moment dat een interview al geen zin meer had wegens
gebrek aan andere respondenten. Gedurende de werving is het
tijdscriterium verruimd van de periode 2008-2010 tot een tijds-bestek van 5 tot 10 jaar omdat het er in het kader van dit kwalita-tieve onderzoek niet zoveel toe deed wanneer het misbruik zich
exact had afgespeeld. Wel hebben we vastgehouden aan het OTS-criterium. Een aantal contactpersonen heeft aangegeven dat de
criteria te nauw waren: ouders die een kind met een verstande-lijke beperking hebben dat bovendien onder toezicht is geplaatst
en in een vrij recente periode seksueel is misbruikt, en die ten-slotte ook nog bereid waren mee te werken aan een onderzoek,
waren niet of nauwelijks bekend.
Eén ouderpaar is geïnterviewd ondanks dat hun kinderen geen
OTS hadden. Wij meenden dat hun ervaringen wellicht afgezet
konden worden tegen die van ouders die wel te maken hadden
gehad met een gezinsvoogd, terwijl daarnaast de impact van het
seksueel misbruik even groot zou zijn. Omdat het er ten tijde van
dit gesprek al naar uitzag dat het beoogde aantal interviews niet
gehaald zou worden, is aan de respondenten medegedeeld dat
het onderzoek mogelijk geen doorgang kon vinden. Er is wel
beloofd dat de Commissie Samson een verslag zou krijgen van
het gesprek. Hieronder volgt een korte beschrijving van alle aan-meldingen, waaronder een verslag van het interview.
[…]
334
15. Uit het verslag van drs. W. van Berlo, gevoegd bij de brief van 29 juni 2012

Bijlage IV

Laatste openbaar bericht van de commissie‐Samson http://www.commissiesamson.nl/actueel/20121218-laatste-openbaar-bericht-commissie-samson.aspx?cp=109&cs=578
Het zit erop voor de commissie‐Samson. Anderen zijn nu aan zet. Dat is de situatie waarin de
commissie haar laatste openbaar bericht uitstuurt. Het rapport is op 8 oktober jl.
verschenen. Daarna volgde nog een congres en waren er twee ontmoetingen met
slachtoffers om het rapport te bespreken.
De commissie en haar secretariaat zijn op 1 januari 2013 opgeheven. Haar meldpunt stopte
al per 1 oktober jl. De commissie heeft gemerkt dat haar rapport een stroom van reacties
heeft losgemaakt. Er zijn enkele honderden brieven en mails bij de commissie
binnengekomen die onder meer  tientallen nieuwe meldingen betroffen. Deze zijn alle
doorgeleid naar de door Slachtoffer Hulp Nederland geopende hulplijn. Ook de door
Jeugdzorg Nederland en door de bewindslieden uitgesproken excuses hebben veel reacties
bij de commissie doen binnenkomen. Bovendien kwamen er veel vragen binnen over hoe
het kabinet zal reageren op het rapport. Tenslotte zijn er veel vragen gesteld over hoe het
verder gaat met de data, de lotgenotengroepen en de hulpverlening als de commissie niet
meer bestaat. Al deze onderwerpen lopen we in dit bericht – nog één keer – af.
Presentatie
We beginnen met de presentatie van het rapport op 8 oktober jl..De persconferentie werd
massaal bezocht door de media. De commissie heeft gemerkt dat de film en de toelichting
op de hoofdlijnen van het rapport door Rieke Samson goed gewerkt hebben. Alle punten zijn
over het voetlicht gekomen en in de media terechtgekomen. Ook het door de commissie zelf
georganiseerde congres over het rapport drie dagen later in Noordwijkerhout verliep goed.
Het congres werd massaal bezocht. Gelukkig waren vele verantwoordelijken uit de jeugd‐ en
pleegzorg aanwezig. In de inleidingen en in de workshops werden van wetenschappelijke‐ en
beleidsmatige zijde eerste reacties op het rapport gegeven. Het gevoel kwam sterk naar
voren dat de aanbevelingen omgezet moeten worden in concrete acties. Die noodzaak is
immens gebleken. Samenvattend werd geconcludeerd: We zijn dit de kinderen in de jeugd‐
en pleegzorg verplicht. Alle HBO ’s, jeugdzorg‐ en pleeginstellingen, ingestelde commissies
en taskforces moeten dit als doel hebben.
Tweede Kamer
Tussen de presentatie van het rapport en het congres heeft Rieke Samson ook nog een
ontmoeting gehad met de nieuwe Kamercommissie voor VenJ. Ook daar kwamen de
hoofdlijnen over tafel. Opvallend punt in dit gesprek was of bij de overgang van Jeugdzorg
naar gemeenten de gewenste kwaliteit en het toezicht gewaarborgd zijn. De Kamerleden
gaven aan de noodzaak van professionalisering van de werkers en de feitelijke
mogelijkheden daartoe te onderstrepen. De Tweede Kamer is verder in afwachting van de
beleidsreactie van het kabinet op het rapport. Het is de bedoeling dat daarna  ‐
waarschijnlijk  begin volgend jaar ‐ een debat zal volgen met de bewindslieden van VWS en V
en J. Naar verwachting wordt Rieke Samson dan weer uitgenodigd en zullen ook
slachtofferorganisaties hun mening kunnen geven.
Excuus
Na de persconferentie van Rieke Samson heeft Ans van der Maat namens Jeugdzorg
Nederland ieder slachtoffer van seksueel misbruik in de jeugd‐ en pleegzorg in Nederland
excuus aangeboden voor wat hem of haar overkomen is. Die woorden hebben op de
commissie grote indruk gemaakt en zullen de komende tijd door Jeugdzorg Nederland en al
haar leden een concrete invulling moeten krijgen. Dat kan door met slachtoffers in gesprek
te gaan als zij op zoek zijn naar informatie over wat hun is overkomen. Door te luisteren en
erkenning te geven. Door te helpen bij hulpverlening en de kosten ervan. Door mediation in
te schakelen als dat nodig is of schade te betalen waar dat evident geboden is. Dit zijn
allemaal voorbeelden van wegen die ingeslagen moeten worden. De slachtoffers moeten de
komende tijd zeer duidelijk ondersteund worden door jeugd‐ en pleegzorg.
Schadecommissie
Hetzelfde geldt voor de overheid. Het excuus van de overheid kwam niet al op 8 oktober,
maar na een ontmoeting van de meest betrokken bewindslieden op 27 oktober met
slachtofferorganisaties. Daar is door Minister Opstelten duidelijk gemaakt dat er een
schadecommissie zal komen. De commissie‐Samson is erkentelijk dat deze woorden
uitgesproken zijn, maar beseft wel dat de overheid na de opheffing van de commissie nog
veel te doen staat. Het zou een miskenning zijn om te verwachten dat met het uitspreken
van een excuus het werk gedaan is. De commissie heeft namelijk bij voortduring aandacht
gevraagd voor de actuele problemen waar slachtoffers mee kampen. Dat levert veel
ongeduld en soms boosheid en wantrouwen op richting de betrokken partijen (overheid,
jeugd‐ en pleegzorg en anderen). Daar is duidelijk bestuurlijke regie en een betere
communicatie voor nodig dan nu het geval is. In twee bijeenkomsten met slachtoffers – op 8
oktober in Den Haag en op 27 november jl. in Utrecht ‐  werd zonneklaar dat de komende
weken de volgende onderwerpen geregeld moeten worden.
‐  Het beheer van de meldingen van de commissie
‐  Een betere organisatie en ondersteuning van slachtoffergroepen
‐  Verbreding en een ruimere bekendheid van de Hulplijn Seksueel misbruik en geweld
‐  Een punt waar ook nieuwe meldingen van misbruik in het verleden behandeld
worden
‐  Restitutie eigen bijdrage ggz
‐  Lotgenotengroepen en begeleid slachtoffercontact
‐  Een simpele en  snel operationele schaderegeling
‐  Eén aanspreekpunt bij Jeugd‐ en Pleegzorg.

Voortzetting
Voor bovenstaande punten suggereert de commissie dat er naast ambtelijke capaciteit een
bestuurlijk zwaargewicht bijvoorbeeld in de vorm van een oud‐burgemeester komt, die de
slachtoffers bijstaat. Hij of zij zou de persoon moeten zijn die het stokje van Rieke Samson
overneemt.
De commissie hecht eraan nog eenmaal alle betrokkenen te danken voor hun medewerking
aan het onderzoek.
Meer informatie: Louis Cornelisse woordvoerder commissie‐Samson 06‐52 01 11 02 (Dit nummer heb ik geprobeerd te bellen, maar je krijgt dan een telefonische boodschap dat dit het nummer is van de commissie Samson, en dat de Commissie Samson na het verschijnen van het rapport is opgeheven, en dat dit nummer sindsdien niet meer in gebruik is. Dus vanaf dat wij het konden zien was het al afgesloten. Alweer een hol gebaar van onze overheid.)

Alvast bedankt!

Bijlage V Brief aan mw mr A.van der Plas

Weledelgestrenge Vrouwe Van Der Plas,

Hartelijk dank voor het openlijk aan de kaak durven stellen van
wangedrag van de overheid.

Naar aanleiding van mijn blogs  (zie
https://uvrm.wordpress.com/2013/09/04/mijn-vragen-voor-staatsecreatris-van-ocw-sander-dekker/)krijg regelmatig de vraag , en vraag ik mezelf ook af, wat voor actie we
kunnen ondernemen om de structurele schending van mensenrechten van kinderen en gezinnen in Nederland tegen te gaan.

In de Amerikaanse grondwet staat de clausule dat als de overheid fundamentele mensenrechten schendt het volk de plicht heeft om in te grijpen. Bij mijn weten ontbreekt een dergelijke clausule in Nederland.

Ik zag u net in de reportage bij  http://www.investigatedemmink.com/index.asp, en was blij te zien dater wel mensen zijn die werk maken van deze ellende. Via dit artikel, kwam ik bij de BakkerSchut stichting terecht:
https://georgeknightlang.wordpress.com/tag/adele-van-der-plas/page/2/

Ik vroeg me af waarom ik nergens de uitzendingen van Netwerk tegenkom
in uw betoog over de wandaden van top ambtenaren.

20 april 1998 heeft Netwerk het helemaal uitgezonden:
https://www.youtube.com/watch?v=QYa4dn0dcM8 Netwerk 20 april 1998 deel 1
https://www.youtube.com/watch?v=5Rn9A46dQpE Netwerk 20 april 1998 deel 2
https://www.youtube.com/watch?v=dmg9WbmcU5k Netwerk 20 april 1998 deel 3

In  2010 is Netwerk van de televisie gehaald

https://nl.wikipedia.org/wiki/Netwerk_%28televisieprogramma%29

Ik snap dat uw focus ligt op het verdedigen van de slachtoffers van
deze misdaden, en ik hoop van harte dat hij berecht wordt en de
overheid schoongeveegd wordt als het gaat om banden met de
onderwereld, en dat alle misselijke gevolgen  van deze wantoestanden
ook te niet worden gedaan. Ik denk hierbij aan slechte regels die het
leven onmogelijk maken.

Ik vroeg me af of u ook aandacht schenkt aan de gevolgen van het
verziekte beleid, wat tot aan de dag van vandaag doorgaat.
Volgens mij zijn er nog veel meer zaken aan te relateren. Wat dacht u
van de moord op Pim Fortuyn? Lijkt me geen toeval  dat een kubus woning in
Rotterdam werd gebruikt als locatie om kinderen te misbruiken, en dat
hij een Rotterdams politicus was.

Of het ski ongeluk van Prins Friso, op precies dezelfde dag als het sterven van de vader van mabel Wisse Smit?

Is het daarom dat Friso zijn claim moet opgeven, terwijl van Willem Alexander zoiets niet gevraagd werd? Was dat omdat er angst was dat Mabel Wisse Smit te veel wist?

Fundamentele mensenrechten in en rond het onderwijs worden aan de
lopende band geschonden, en daar zijn alle gezinnen in Nederland het
slachtoffer van.

Mensen die zelf een school willen beginnen, en die aan alle eisen
daarvoor voldoen, worden de grond in getreiterd door
leerplichtambtenaren en gedreigd met afgekeurd worden door de
inspectie. Kinderen die zonder school zijn komen bij bureau jeugdzorg
terecht, de kinderrechter volgt de adviezen van bureau jeugdzorg zonder waarheidsvinding uit huis plaatst.

Eén Vandaag, aflevering over jeugdzorg die tegen rechtelijke
uitspraken in kinderen weghoudt bij ouders.

Dat dit uit huis plaatsen hardhandig gebeurt laat deze film opname van
een uithuisplaatsing zien:


Uitzending van de Vijfde Dag: over uitbuikplaatsing. Dat betekent dat
ouders die niet in staat worden geacht hun kind op te voeden, vanwege
etiketten. Ik waarschuw ouders, hierbij stil te staan de volgende keer
dat school ze onder druk zet labels te accepteren zodat zij geld
kunnen ontvangen.

De rechtszaak in deze is extreem absurd: de reden van uit huis
plaatsing is de door bureau jeugdzorg zelf opgedrongen “hulp”!
http://dokument.ncrv.nl/ncrvgemist/11-3-2013/ncrv-dokument-gezinsvoogd

Dus als je niet meewerkt wordt je kind uit huis geplaatst omdat je
niet meewerkt, en als je wel meewerkt raak je je kind kwijt omdat er
zoveel “hulp”is geboden! En ondertussen harkt bureau jeugdzorg maar
geld binnen.

Het valt op dat dit alles precies overeenkomt met de datum dat Lothar gepakt werd.
Zouden daarom juist de liefste, mooiste jongetjes steeds de klos zijn?
Voor Turkse jongens moeten de topambtenaren immers €650,- betalen.
Voor een in een zorgtraject geprate uithuisgeplaatste krijgen ze nog
geld toe ook! 40% van de zorggelden begreep ik van een onderwijsinspecteur zijn overheadkosten, waarvoor geen verantwoording wordt afgelegd. Zou wel de veel te mooie kleren van bepaalde schoolleiders en de verre vakanties van op louche zorgtraject jagende leerkrachten, die allemaal zeer woest worden als je uitzoekt watvoor mensen er op hun bureaus werken, en dat dit mensen zijn die helemaal geen ervaring of expertise in kinderen hebben. En hun tegenwerking als je bij een werkelijke deskundige zoals een kinderarts de noodzaak van de door hun opgedrongen zorgtrajecten onderzoekt, en hun woede als de noodzaak van een dergelijk zorgtraject afwezig blijkt.  Is het daarom dat thuisonderwijs verboden wordt?

Is daarom de focus om gezinnen te isoleren door ze overal het land
door of uit te jagen door de schoolplicht en het sluiten van scholen?

Ze isoleren gezinnen en kinderen, plaatsen geïsoleerde kinderen bij
jeugdzorg, en vervullen hun pedofiele neigingen met hun, is dat hoe het werkt? Stuk goedkoper dan Turkse jongens.

Het feit dat Micha Kat schrijft dat de privé adres van een bepaalde van pedofielie beschuldigde top ambtenaar bij de adressen staan waar kinderen kunnen worden opgevangen als ze niet terecht kunnen bij hun ouders bevestigt dit

https://www.demminkdoofpot.nl/pagina/demmink-rapport-onderzoeksjournalist-micha-kat.html#reacties
>Hij schrijft

“In de weken dat dit rapport tot stand komt wordt de wereld opgeschrikt door het schandaal van het kindermisbruik binnen de katholieke kerk. Met name de directe betrokkenheid van hooggeplaatste functionarissen in de kerkelijke hierarchie bij het misbruik leidt tot felle discussies en emoties. In essentie kan de reactie vanuit het Vaticaan op de golf van schandalen worden omschreven als: kill the messenger. Uit NRC Handelsblad (26 maart): Vaticaan richt pijlen op media Rome, 26 maart. In een poging de schade te beperken heeft het Vaticaan gisteren alle communicatiemiddelen in stelling gebracht om de “laag-bij-de-grondse aanval” van The New York Times te pareren.

Een week later werd hier zelfs nog een schepje bovenop gedaan als de onthullingen over het kindermisbruik binnen de kerk worden vergeleken met antisemitisme. Hiermee wordt dus gesuggereerd dat het journalistieke en historische onderzoek naar feitelijke delicten gepleegd door met naam en toenaam geïdentificeerde geestelijken op een lijn staat met de grootste haat- en lastercampagne uit de geschiedenis die geen enkele feitelijke grondslag kende maar wel leidde tot de Holocaust.

Deze reflex doet sterk denken aan de reactie vanuit het Nederlandse Justitiële pedofielen-netwerk richting de media die de zedendelicten gepleegd door Joris Demmink wilden openbaren. NOS Journaal, Een Vandaag, Telegraaf, GPD, HP/de Tijd, Zembla: al deze media kregen te maken met ongekende agressie van advocaten. Maar er zijn meer overeenkomsten.

Zowel de kerkelijke als de justitiële pedo-netwerken bestaan uit mensen die zich maatschappelijk onkwetsbaar kunnen (of konden) wanen omdat zij de dekking genoten van organisaties met een grenzeloze macht die bovendien bereid is alle middelen in te zetten om reputatieschade te voorkomen. Organisaties bovendien die een ‘heilige missie’ uitvoeren: het dienen van God en het dienen van vrouwe Justitia. Door de heiligheid van deze missies lijken de ‘leden’ van deze organisaties zich bovendien ook moreel onkwetsbaar te kunnen voelen: wie God dan wel de rechtstaat dient, mag die zich niet meer permitteren dan een bakker of een fietsenmaker?

Vanuit deze posities van maatschappelijke en morele ‘onkwetsbaarheid’ ontwikkelden zich kringen van pedofielen die kinderen hebben misbruikt waarbij nog een opvallende parallel aan de orde is: beide organisaties beschikken over systemen die ze in staat stelt hun eigen kinderen ‘aan te leveren’. De katholieke kerk kent immers haar internaten, scholen en vakantie-kampen, Justitie haar pleeggezinnen en uithuisplaatsingen. Het privé-adres van Joris Demmink kwam voor op de lijst van adressen (‘kinderopvangregister’) waar de kinderopvang Den Haag kinderen heen kon sturen als deze niet langer konden verkeren bij hun natuurlijke ouders.

Dit rapport beschrijft feiten en omstandigheden rond een Nederlands netwerk van hooggeplaatste pedofielen met als kern een hechte groep top-mensen binnen Justitie. Joris Demmink speelt in deze rapportage een centrale rol. Als Secretaris- Generaal van het Ministerie van Justitie is hij een van de machtigste mensen van Nederland en rust op hem een enorme verantwoordelijkheid op de cruciale terreinen van wetshandhaving, opsporing en vervolging. In veel opzichten is de machtspositie van Demmink in Den Haag te vergelijken met die van de Paus in Rome. Maar net als de Paus heeft Joris Demmink zijn machtspositie misbruikt en niet ingezet ten bate van het collectief, maar ter bescherming van een criminele elite-groepering. Maar daar komt nog wat bij: van Demmink staat vast –die conclusie verbindt de auteur althans aan deze rapportage- dat hij zelf kinderen misbruikt. Van de Paus is zulks nooit vastgesteld.”
Geen enkele rechter durft een zaak tegen de voormalig secretaris generaal van justitie aan vanwege angst voor wraking:
http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2686/Binnenland/article/detail/3506291/2013/09/09/Rechters-worstelen-met-Demmink-zaken.dhtml

De chauffeur van de voormalig secretaris generaal van justitie zou kort voor zijn overlijden hebben gezegd dat hij niet kon harden wat er allemaal op de achterbank van de limousine gebeurde. Eén van de slachtoffers van deze secretaris generaal van justitie heeft getuigd dat hij steeds op de achterbank misbruikt werd, Dit omdat deze topambtenaar eerder gepakt was bij een club. In 2004 overleed de chauffeur vlak voor hij verhoord zou worden Heeft Demmink ‘blind geluk’ gehad?

18-09-2013

“Die Demmink heeft ook wel blind geluk.” Dat zou tijdens een lunch Eric Nordholt, oud-hoofdcommissaris van politie in Amsterdam gezegd hebben tegen vice-admiraal Nico Buis, voormalig hoofd van de BVD. Dat bericht Katholiek Nieuwsblad. Bij deze lunch was ook society-journalist Thomas Lepeltak aanwezig, die vroeg: “Hoezo?” Nordholt vertelde daarop dat chauffeur Mosterd die ochtend in 2004 bij de politie zou komen voor verhoor. Mosterd was de chauffeur van Joris Demmink, de toenmalige secretaris-generaal van Justitie.

Volgens de politie zou Demmink – over wie in 2003 publicaties in de pers waren verschenen: hij zou het Anne Frankplantsoen in Eindhoven bezoeken om seksuele contacten te leggen met minderjarigen – wel degelijk in dat plantsoen zijn geweest. Mosterd overleed onverwacht de dag voor het verhoor op vijftigjarige leeftijd. Volgens Nordholt was dit voor Demmink “blind geluk” omdat deze bij verhoor van Mosterd waarschijnlijk gehangen zou hebben.

Lepeltak informeerde of er wel lijkschouwing was gehouden. Daarop zouden Nordholt en Buis hard gelachen hebben. “Ja, wat denk je?”, zei Nordholt. Vervolgens vertelde Buis dat hij snel bij de BVD vertrokken was, omdat het daar een troep was waar hij niets mee te maken wilde hebben.

Dit relaas heeft Lepeltak gedaan tijdens een bespreking op 22 maart ten huize van de familie Poot. Peter Poot heeft hem later verzocht hiervan een notariële verklaring te laten opstellen, zoals ook bij twee gevangenisdirecteuren is gebeurd, die al in het midden van de jaren negentig belastende feiten over Demmink hoorden.

https://www.demminkdoofpot.nl/pagina/module/heeft-demmink-blind-geluk-gehad.html

Nederland is een internationale aanfluiting

http://www.caringforourchildrenfoundation.org/?p=30112

60 jaar structureel kindermisbruik van onder verantwoordelijkheid van
bureau jeugdzorg uit huis geplaatste kinderen wordt ook al niet
aangepakt, (zie
https://uvrm.wordpress.com/2013/08/14/vervolg-brief-aan-minister-opstelten/)
en geen enkele Nederlandse rechter durft de zaak tegen de voormalig secretaris generaal van justitie  aan:
(http://www.volkskrant.nl/&#8230😉 Hij heeft zelfs nog een lintje
gekregen bij zijn pensioen!  En dat terwijl bij zijn afscheid zes
journalisten werden gearresteerd

http://www.nujij.nl/algemeen/zes-journalisten-gearresteerd-bij-afscheid.19806622.lynkx

Hier nog een voorbeeld van hoe individuele vrijheden worden
ingeperkt:, die volgens mij hier niet los van staat.


Is er nou niemand die het zieke en het gevaar ervan inziet dat degenen
die geld verdienen met de behandelingen niet alleen de diagnoses
stellen maar ook de hulpbehoefte bepalen? Als dat ook nog eens mensen
zijn die onweerlegbaar bewezen zich schuldig maken aan structureel
misbruik van kinderen, die ook nog eens samenwerken met scholen, dan
kan toch geen enkele ouder meer rustig slapen totdat zeker gesteld is
dat deze mensen geen enkele macht hebben over kinderen en gezinnen ,
of ligt dat aan mij?
Ik had wel gehoord van ambtenaren die cursussen kregen als de
gemeenten in 2015 de taken van bjz overnemen. Maar wie zegt
ons dat het niet gewoon weer bjz medewerkers zijn die nu als
ambtenaren aan de slag gaan, en de hele rotte boel weer door gaat?

Gewoon aan ouders overlaten of er behoefte aan zorg is, en ze dat zelf
laten regelen met de deskundige van hun keus en laten financieren met
hun eigen zorgverzekeraar. Dat voorkomt belangenverstrengelingen.

http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/hoger-onderwijs/vraag-en-antwoord/met-welke-diploma-s-kan-ik-naar-de-universiteit-of-hogeschool.html

http://www.telegraaf.nl/binnenland/21865421/__Noodklok_over_kinderwet__.html
http://jeugdzorg-darkhorse.blogspot.nl/2013/09/scholen-machtsmisbruik-en.html

Dus voor alle duidelijkheid nogmaals mijn vraag, wat kunnen we doen om
Nederland weer rechtvaardig en veilig te maken voor kinderen en
gezinnen?

Verder zou ik met u van gedachten willen wisselen over hoe ver je als
burger moet gaan met het jezelf in bochten wringen om aan de absurde
wetten van de overheid te voldoen terwijl de overheid zelf
systematisch fundamentele mensenrechten schendt.

Een instantie met gezag waar ouders, kinderen en gezinnen 7 dagen per
week 24 uur per dag terechtkunnen als ze het slachtoffer zijn van
wangedrag van overheden, en die direct daadwerkelijk en daadkrachtig
opkomt voor de fundamentele mensenrechten van kinderen en gezinnen
zodat dit land weer veilig wordt voor deze kwetsbare groep, dat is
hard nodig!

Ik hoop dat uw stichting kan helpen zoiets voor elkaar te krijgen.

VI

Kijk en huiver.

Interviews van Martin Vrijland. Het eerste is met een meisje wat in een jeugdzorg instelling is opgenomen. Hij maakt opnames van plaatsen die ouders normaal niet te zien krijgen en waar kinderen niet over mogen vertellen.

Jeugdzorg instellingen zijn in feite jeugdgevangenissen.Gevangenissen waar kinderen zonder tussenkomst van rechters in gezet worden. Dus behalve dat het er zo afschuwelijk is dat het voor geen enkel kind ooit goed kan zijn, is de mogelijkheid aanwezig dat kinderen er ten onrechte in komen.

Het tweede interview is met Arletta Heskes, wiens 5 maanden oude, kern gezonde baby zonder enige reden gewelddadig van haar en haar Amerikaanse man geroofd is door bureau jeugdzorg.Op het moment van dit interview is het kind 17 maanden oud. Ondanks gerechtelijke bevelen wordt haar kind niet teruggegeven.Kinderen roven levert bureau jeugdzorg veel geld op.

http://martinvrijland.com/2013/09/09/verborgen-beeld-en-geluidopnames-binnen-jeugdzorg/

De afgelopen week is duidelijk geworden dat Jeugdzorg de mogelijkheid krijgt om naar eigen inzicht kinderen bij ouders uit huis te halen. Er komt geen kinderrechter meer aan te pas.

http://www.linkedin.

Standard

14 thoughts on “Vervolg Brief aan Minister Opstelten”

  1. Neijenhoff says:

    Dit is typisch de Nederlandse mentaliteit van instanties, die liever gaan graaien, dan daad werkelijke oplossingen vinden. En daders hebben meer rechten dan slachtoffers.
    Het is werkelijk te bizar voor woorden, dat tegen beleidsmakers die falen, geen strafvervolging wordt opgelegd. Ze innen geld, voor iets wat ze verzieken.

    • Ik was wel blij met het bericht dat een gezin waar onterecht 3 kinderen uit huis zijn geplaatst een miljoenen claim neerlegt bij de kinderbescherming ( zie http://www.nu.nl/algemeen/3570317/gezin-eist-miljoenen-van-kinderbescherming.html)

      Dat zouden alle door bureau jeugdzorg, de kinderbescherming en andere overheidsinstanties gedupeerde gezinnen moeten doen.

      Naar gezond verstand luisteren overheden niet, gevoel voor iemand anders dan zichzelf hebben ze niet, maar van geld houden ze blijkbaar zielsveel, dus misschien dat deze weerzinwekkende praktijken eindelijk stoppen als het overheden meer geld kost om gezinnen kapot te maken dan dat het ze oplevert .

      • Neijenhoff says:

        Ieder weldenkend mens zou hier op moeten reageren. Dit is de waanzin ten top.
        Hopelijk komt er georganiseerd verzet tegen de bewindslieden, die wij gekozen hebben, met het idee, dat ze onze belangen zullen dienen. Dar is al jaren een utopie. We weten nu al lang genoeg, dat de heren bewindslieden, alleen bezig zijn hun eigen belang te dienen. Zelfs zoals Wim Kok, die rustig 180 graden omdraait in zijn politiek, wetende dat hij zoals nu 80 commissariaten bekleed. Waarrom wordt dat graaien, van de hoge heertjes door de politiek niet aan gepakt? Omdat ze later ook aan de beurt zijn, na hun politieke leven, overstappen naar het bedrijfsleven.

      • Neijenhoff says:

        Ieder weldenkend mens zou hier op moeten reageren. Dit is de waanzin ten top.
        Hopelijk komt er georganiseerd verzet tegen de bewindslieden, die wij gekozen hebben, met het idee, dat ze onze belangen zullen dienen. Dar is al jaren een utopie. We weten nu al lang genoeg, dat de heren bewindslieden, alleen bezig zijn hun eigen belang te dienen. Zelfs zoals Wim Kok, die rustig 180 graden omdraait in zijn politiek, wetende dat hij zoals nu 80 commissariaten bekleed. Waarom wordt dat graaien, van de hoge heertjes door de politiek niet aan gepakt? Omdat ze later ook aan de beurt zijn, na hun politieke leven, overstappen naar het bedrijfsleven.

  2. Pingback: The Lack of Educational Freedom is a National Disaster in the Netherlands | uvrm
  3. Pingback: Mijn vragen voor Staatsecreatris van OCW, Sander Dekker | uvrm
  4. Pingback: Brief aan Tijl Koenderik | uvrm
  5. Pingback: Waarom zouden de Verenigde Naties zich met ons Sinterklaasfeest bemoeien? | uvrm
  6. Pingback: Page not found | uvrm
  7. Pingback: My Letter to Verene Shepherd | uvrm
  8. Pingback: Wie gelooft er nou eigenlijk echt in Sprookjes? | uvrm
  9. Pingback: No More Turning Away | uvrm
  10. Pingback: Swaen | uvrm
  11. Pingback: No More Turning Away | uvrm

Leave a Reply

Follow

Follow “uvrm”

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 113 other followers

Reacties staat uit voor Rentray verzuimt medicaties oorzaak Moeder moord. Geplaatst in Algemeen